Epifanie bij David Foster Wallace

Bijlage bij een bijlage

(Bijlage bij Zadie Smith over zelfkennis II: de epifanie)

DFW_Brief_Interviews_with_Hideous_MenDavid Foster Wallace

Het buitengewoon bijzondere in de ervaring van Natalie in NW, reden om hem bij de categorie ervaringen ‘hors concours’ genaamd ‘epifanie’ in te delen, is een voor Natalie ongekend gevoel als ‘persoon’ te bestaan. Het overkomt haar in een moment van zorg voor haar kind en beklijft niet (maar het boek houdt snel daarna op en, gezien de intensiteit, moet de ervaring een spoor nalaten). Ik noemde die ervaring ‘existentieel’ en ‘psychologisch’. Authenticiteit lijkt erin de door Natalie hervonden waarde maar de ervaring lijkt te resoneren tot voorbij het stadium van ‘een individu te zijn’.

Om authenticiteit lijkt het schrijver David Foster Wallace te doen in sommige van zijn ‘epifanieën’. Bij hem heeft de gevonden of geziene authenticiteit echter wat krampachtigs, lijkt betrokkene al weer uit handen te glippen terwijl hij ervan getuigt. Hij is meer een profeet die zichzelf probeert te overtuigen.

Ik bespreek hieronder twee voorbeelden. In het eerste raakt een oningevuld mannelijk personage hoteldebotel van de authenticiteit van een vrouw. Ze doorbreekt ermee al zijn intellectuele reserves en slaat een kleine barst in zijn zelfingenomenheid. In het tweede claimt een oningevuld mannelijk personage authenticiteit door het onwillekeurig/spontaan karakter van een handeling te benadrukken die, via de religieuze connotatie, verwant is aan de epifanie: op de knieën gaan.

In beide voorbeelden voeren de mannelijke personages het hoogste woord en vellen gemakkelijk oordelen over deze en gene. Ook praten ze meer tegen een ander aan dan met hem of haar. Mag intimiteit bezongen hoge waarde zijn, ze zoeken of prijzen die vanuit de dekking.

B.I. #20

In B.I #20 (Brief Interview #20), opgenomen in Brief interviews with hideous men, laat Wallace een type dat graag controle houdt en meent veel te weten converseren met een naamloze vrouw, door het type als feministe beleefd. De man vertelt nogal uitvoerig en op hem kenmerkende wijze over een liefje voor een nacht.

Een gemakkelijk te veroveren en voorspelbaar New Age-meisje was het geweest, op wier levenshouding en gedachten hij neerkeek. Maar een anekdote na de seks overrompelt hem. Het hippiemeisje vertelt hoe ze ooit ontsnapte aan verkrachting en moord door zich intens op de ziel van haar psychotische seriemoordenaar te concentreren, conform de beginselen van haar levensfilosofie.

Die filosofie mag hij slap vinden, toch overtuigt haar verhaal, door de voordracht, die hij de feministe – die hij ongecheckt het een en ander toeschrijft – minutieus uitlegt:

Her delivery had little or no – she seemed simply to relate what had happened without commenting one way or the other, or reacting. Although nor was she dissociated or monotonous. There was a disingen- an equanimity about her, a sense of residence in herself or a type of artlessness that did, does, that resembled a type of intent concentration. (Brief interviews with hideous men, p.260)

Later noemt hij haar beschrijving “rhetorically innocent” (p.266) en even eerder contrasteert hij haar voordracht met die van anderen, de lezer onbedoeld een blik gunnend op zijn licht pedante, geharnaste zelf:

That she was not melodramatic about it, the anecdote, telling me, nor affecting an unnatural calm the way some people affect an unnatural nonchalance about narrating an incident that is meant to heighten their story’s drama and/or make them appear nonchalant and sophisticated, one or the other of which is often the most annoying part of listening to certain types of beautiful women structure a story or anecdote – that they are used to high levels of people’s attention, and need to feel that they control it, always trying to control the precise type and degree of your attention instead of simply trusting that you are paying the appropriate degree of attention. (..) But she was, or seemed, oddly unposed for someone this attractive and with this dramatic a story to tell. It struck me, listening. She seemed truly poseless in relating it, open to attention but not solicitous – nor contemptuous of the attention, or affecting disdain or contempt, which I hate. (idem, p.253)

De man roemt haar oprechtheid (hij wordt uiteindelijk verliefd op haar):

It was tribute to the – her odd affectless sincerity that I found myself hearing expressions like fear gripping her soul, unquote, as less as televisual clichés or melodrama but as sincere if not particular artful attempts simply to describe what it must have felt like (..). (p.254)

Hij wordt erdoor ontwapend, geraakt in een andere bewustzijnstoestand, “listening both intellectually and emotionally” (p.265), waarbij hem niettemin gewoontegetrouw van alles door het hoofd schiet.

De prille ontmoeting neemt direct na afloop epifanische kwaliteiten aan, syntactisch traditioneel uitgedrukt in een lange zin, waarbij de vermelde details niet echt een verhevigde waarneming bemiddelen (‘configuraties van mensen op het gras’) en het ‘bijna-hallucinatoire’ op gezag moet worden aangenomen:

remembering in near-hallucinatory detail that evening’s outdoor concert and festival and the configurations of people on the grass and blankets and the parade of lesbian folk singers on the poorly amplified stage, the very configuration of the clouds overhead and the foam in Tad’s cup and the smell of the various conventional and non-aerosol  insect repellents and Silverglade’s cologne and barbecued food and sunburned children [enz] (p.266)

Blijft over de bedenkelijke kwaliteit van haar filosofietje. Volgens de jonge vrouw had haar ontmoeting met de psychotische verkrachter haar meer over liefde geleerd dan enig andere fase in haar spirituele reis. De man schimpt op wat hij vermoedt dat het commentaar van zijn vrouwelijke gesprekspartner zal zijn en geeft dan zijn mening:

I did not care whether it was quote true. It would depend what you meant by true. I simply didn’t care. I was moved, changed – believe what you will. (..) And that whether or not what she believed happened happened – it seemed true even if it wasn’t. That even if the whole focused-soul-connection theology, that even if it was just catachrestic New Age goo, her belief in it had saved her life, so whether or not it is goo becomes irrelevant, no? (..) I’d fallen in love with her. I believed she could save me. I know how this sounds, trust me. I know your type (..). (p.271)

Hier benut Wallace een eenvoudig retorisch foefje. Het schimpen op een vermoede criticaster geeft het sentimentele hoogtepunt (“Ik geloofde dat ze me kon redden”) en slot (“I knew I loved. End of story”) ten onrechte de glans van importantie, gewicht. Als iemand de moeite neemt het te willen aanvechten in plaats van beschaamd het hoofd af te wenden, dan moet het haast wel een serieus te nemen mening zijn.

Ook Smith gebruikt in haar epifanie van Natalie een oneigenlijk overtuigingsmiddel. Ze noemt die ervaring “knowledge as a sublime sort of gift”. Zo trekt ze hem apodictisch bij de sublieme ervaringen, zoals aardbevingen. Van aardbevingen neigt men het imposant karakter niet te betwijfelen. Dat ook van zoiets droogs als ‘kennis’ te zeggen, al betreft het het ‘zelf’, is apart.

Fraai is de combinatie met ‘gift’ (cadeau). Natalie ontvangt een buitengewoon cadeau, gever onbekend. Uitgepakt blijkt het kennis. Maar het bijzondere van die kennis is niet van propositionele aard, lijkt meer een ervaring.

Zowel de beschreven ervaring van Natalie als de ‘epifanie’ van BI #20 vestigt de aandacht op de spanningsverhouding tussen beleving en taal, op het probleem van rechtvaardiging van (impliciete) kennisclaims, het probleem van ‘waarheid’.

Think

Smith is een fan van Wallace, zij het ambivalent. Mij overtuigen ook sommige verhalen van Wallace die Smith overtuigend vindt niet. Een voorbeeld is ‘Think’, dat een tweede epifanie-achtige ervaring bevat.

De plot: een vrouw benadert het mannelijk personage halfnaakt. Haar oudere zus is met echtgenoot en kinderen, samen met de echtgenote en zoon van het mannelijk personage, naar de mall. Nu worden het mannelijk personage eerdere zinspelingen gedurende het weekend duidelijk (de schellen vallen hem van de ogen, als het ware).

Hij meent dat de vrouw haar gedrag modelleert naar voorbeelden uit film en tijdschriften; dat ze, als hij het haar zou vragen, haar schoenen met hoge hakken als enige aanhouden zou en hem een veelbetekenende, wereldwijze (‘sophisticated’)/illusieloze glimlach toewerpen (“knowing, smoky smile”), afgekeken van pagina 18 van de catalogus van Victoria’s Secret, terwijl het de eerste keer zou kunnen zijn dat ze zo rondliep.

De vrouw is, kortom, onecht. Hoogstens wordt gesuggereerd dat de man trekken van zichzelf in haar herkent en, anders dan haar, hieruit weg wil.

in dit verhaal is de aan een epifanie verwante ervaring de spontaniteit van door de knieën gaan door het mannelijk personage:

His own forehead snaps clear. He thinks to kneel. (..) What cleared his forehead’s lines was a type of revelation. (..) It’s not even that he decides to kneel – he simply finds he feels weight against his knees.

Mij overtuigt de epifanie verre van. Misschien twijfelde ook Wallace, vandaar ‘soort van’ revelatie. Mij lijkt dit auteurstaal, eerder dan taal van het personage, maar de onduidelijkheid is typerend. Denkt het personage deze metagedachte (“Dit is misschien geen echte epifanie maar dan toch zeker een benadering ervan”)? Dat is dan in tegenspraak met het overweldigend, aandachtvullend karakter van een epifanie. Becommentarieert een abstracte vertelinstantie het gebeuren?

De man oordeelt over de vrouw maar blijft zelf leeg. Zijn verhevigde waarneming beperkt zich tot het tegen zijn knieën voelen drukken van het patroon van de stof van zijn lange broek en de textuur van het vloerkleed.

Aan zijn gesuggereerde overweldiging wordt afbreuk gedaan door zijn kritiek op de vrouw terwijl de revelatie zich voltrekt: “Ze zou toch kunnen proberen, al was het maar eventjes, zich voor te stellen wat er in zijn hoofd omgaat”. Het verwijt wordt even later herhaald.

Ook bij de start van het verhaal en de revelatie kan de man niet nalaten, voor of gelijktijdig met het op zijn knieën zinken, te bedenken hoe zij de ingezette smeking verkeerd kan interpreteren (heel misschien – ik denk het niet – suggereert Wallace ijdelheid bij de man).

Ook de verteller – ik kan me tenminste niet voorstellen dat het mannelijk personage zo kijkt of wordt overweldigd – ontdoet de situatie van kracht door een vreemde, geometrisch-geografische beschrijving van een ontblote borst: “In quick profile as she turns to close the door her breast is a half-globe at the bottom, a ski-jump curve above”. Tegelijk suggereert het inzoomen dat het mannelijk personage seksueel geprikkeld is, wat wordt bevestigd door het vermelden van stadia van rood worden.

Meer in het algemeen dringt Wallace zich in het verhaal op, door gebruik van bepaalde maniërismen, herkenbaar als de zijne:

  • Wallace is een taalfetisjist: het personage – en anders Wallace wel – onderscheidt nadrukkelijk drie vormen van ontbloten: “Her breasts are unconfined now”, “her breasts have come free”, “a different man might have said what he’d seen was her hand moved to her bra and freed her breasts”.
  • Zoals de revelatie het voorhoofd van de man van fronsen bevrijdt (“His own forehead snaps clear” – woordgrapje, de voorafgaande, tevens openingszin van het verhaal luidt: “Her brassiere’s snaps are in the front”), doet de vraag van de vrouw (vermoedelijk “Wat is dit?”) zijn voorhoofd “pucker”, waarna het voorhoofd van de vrouw op het eind van het verhaal “a puzzled line” vormt, een vooruitgang vergeleken met haar eerdere onoorspronkelijke gelaatsexpressies, althans volgens de man.

Misschien kun je het verhaal zo interpreteren dat de man weet heeft van zijn dubbelheid, zijn onvermogen. In dat geval is het een wanhopig door de knieën zakken: is er geen ontsnapping aan deze onechtheid, aan dit afkeurenswaardig gedrag? Biografische noot is dat Wallace in deze periode erg veel vrouwen probeerde te veroveren en daar dubbele gevoelens over had – in het verhaal ziet de man in zijn verbeelding zijn vrouw en zoontje staan, “his wife’s hand is on his small son’s shoulders in an almost fatherly way”.

Interessante vraag is of de beoogde epifanie in de richting van zelfkennis of on-/bovenpersoonlijke kennis tendeert. Waar het ‘zelf’ nep lijkt, zou het om een streven naar echtheid kunnen gaan, waarbij ‘psychologische’ zelfkennis volstaat. Het op de knieën gaan – er wordt vermeld dat de man naar het plafond staart en geluidloos prevelt (“His lips are soundlessly moving”) – is dan nieuwe vorm van nep, overdreven pathetiek voor iets waarvoor je God niet nodig lijkt te hebben, tenzij het een retorisch prevelen is – als in ‘retorische vraag’ – maar dan blijft het pathetisch.

Ook hier is een biografische parallel. Wallace zat bij een AA-groep. Een van de regels was overgave aan een macht hoger of groter dan de mens. Zijn ‘sponsor’, een bijzondere steun en toeverlaat, leerde hem het apocriefe gebed van Sint Franciscus, Wallace reciteerde het vaak ((D.T. Max – Every love story is a ghost story. A life of David Foster Wallace, Granta paperbackversieo.c, p.114). In een rehabilitatiecentrum zag Wallace medecliënten knielen en een ander AA-gebed opzeggen. Hij probeerde het zelf ook een keer maar het voelde hypocriet. Toch citeerde hij later graag een ervaren AA-lid: “It’s not about whether or not you believe, asshole, it’s about getting down and asking” (o.c, p.315).

‘Think’ eindigt met de man bezig met de vrouw: “And what if she joined him on the floor, just like this, clasped in supplication: just this way”. Een openbaring volgt doorgaans op smeken (en dan niet smeken om een openbaring) en het geopenbaarde is op zelf of wereld betrokken, maar ‘wereld’ dan niet in de zin ‘een standje om bestwil’ aan de vrouw.

De man lijkt te schmieren als zuiverheidsapostel, lijdend voor de mensheid. Dit is geen rare gedachte:

  1. Wallace verlangde van zijn lezers hem te vertrouwen, aldus Smith: “Sommige schrijvers willen mee- voelende lezers; sommigen willen lezers met gevoel voor humor; weer anderen willen hun lezers op de politieke barricaden hebben, aangevuurd en gereed om eropaf te gaan. Het is raar om te zeggen, maar wat Wallace wilde was gelovige lezers” (Ik heb mij bedacht, p.357). Ik oordeel dat een ongepast verzoek. Verder zou de tekst op eigen kracht moeten kunnen overtuigen. Een buiten-literair appel, een noodzakelijke geloofsbelijdenis alvorens het verhaal te betreden, is een zwaktebod.
  2. Dostojevski was belangrijke invloed op de roman Infinite Jest van Wallace (Max, o.c, p.288). De structuur van die roman heeft overeenkomsten met die van De gebroeders Karamazov, met inbegrip van een niet in de wereld passend personage van heilige idioot. De man in ‘Think’ lijkt te solliciteren naar deze rol.

Maar we komen niet achter wat in de man omgaat, daar de vertelinstantie ons geen toegang verleent tot zijn menigvuldige gedachten en gevoelens. Dat is geen respectvol ongemoeid laten, want de vertelwijze van ‘Think’ is verre van neutraal. De vrouw wordt nogal vooringenomen veroordeeld.

Wat betreft het ingeslikt verwijt aan de vrouw en de voor haar waarschijnlijk onbegrijpelijke geste: de man zou haar ook op helderder en minder dramatische wijze duidelijk kunnen maken dat overspel plegen één ding is, maar dat hij niet gediend is van Victoria’s Secret-schertsvertoningen – of op een vriendelijker manier bedanken voor het aanbod. De door hem gekozen vorm duidt er niet op dat zijn eerste doel communiceren is.

Je zou kunnen concluderen: de puurheid van de man, of de puurheid van zijn verlangen naar puurheid, is verondersteld en krijgt beoogd glans door de vrouw in negatieve termen af te schilderen. Maar voor mij laat de man zich in zijn geoordeel teveel in de kaart kijken. Hij heeft niets van het hippiemeisje in B.I #20 dat haar verhaal vertelt “without commenting one way or the other”.

Smith is wel overtuigd en duidt de knieval in het verhaal als volgt:

[De man] voelt de plotseling opkomende drang zich een menselijk wezen te voelen, dat wil zeggen, vernederd, en werkelijk verbonden, zowel met de persoon die daar naakt voor hem staat als met de wereld. (o.c, p.338-339)

Later duidt zij dit als een ‘gebed’ zoals het ervaren AA-lid het Wallace voorhield, alleen klonk het bij hem een stuk prozaïscher:

Uiteindelijk gaan de werkelijk sublieme, angstaanjagende momenten in Brief interviews  … (..) Het echte mysterie, de werkelijke magie, liggen in die quasimystieke momenten, portretten van een extreme schepte en een volledig afstand doen. Misschien voelen we ons beter als we dit ‘meditatie’ noemen, maar ik geloof dat het juiste woord echt gebed is. Immers, wat doet de man in ‘Denk’ anders wanneer hij zich op zijn knieën laat vallen en zijn handen vouwt? (..) Het is waar dat dit een los in de lucht hangend gebed is, zonder zijn gebruikelijke doel, God, maar het is nog altijd gericht, zichzelf vergetend, en het gaat in een buitenwaartse richting, naar het onpeilbare (wat volgens de mystiek God is). Het is het L-woord [‘Liefde’, Smith verwijst naar het New Age-meisje dat het woord zonder schroom gebruikt in haar anekdote over de psychotische verkrachter, zoals de cerebrale held vaststelt], dat in de wereld aan het werk is. Wallace begreep beter dan de meesten dat voor de seculieren onder ons kunst onze beste laatste hoop is om deze ervaring te ondergaan. (p.366-367)

En zo zijn we weer terug bij kunst, dit keer als vervanger van het gat van religie. Ik word, anders dan Smith, geen moment overtuigd door beelden als een priester die geknield bidt voor een afbeelding waarop hij zelf aan het bidden is, opgenomen in het verhaal ‘Een kerk die niet met handen gebouwd is’, waarvan Smith zo geïmponeerd is (“mijn meest geliefde geschenk”) dat ze “ervoor terugdeins[t] dit uit elkaar te halen zoals ik met de andere [verhalen] gedaan heb”. (p.367)

Integendeel, het is de plaag van Wallace, die zelfs het hippiemeisje met zo’n geestelijk Droste-effect opzadelt terwijl ze zich liefdevol verenigt met haar verkrachter. Want zodra dit naar haar mening effect heeft, meent ze de pijn te zien die ze onbedoeld de man bezorgt (ik laat de complexe uitleg, meer van de cerebrale man dan van het hippiemeisje, achterwege). Dan raken we gevangen in het spiegeluniversum van Wallace:

so that the moment her compassionate focus comprehended not just his soul but the effect of the compassionate focus itself on that soul it all became divided and doubly complex, an element of self-consciousness had been introduced and now was itself an object of focus, like some sort of diffraction or regress of self-consciousness and consciousness of self-consciousness. (p.265)

Dit is de op hol geslagen logicafanaat in Wallace, wiens consequenties trekken niet getemperd wordt door simpele levenservaring. Zijn aansluitende zinnetje “She didn’t talk about this division or regress in any but emotional terms” vind ik nietszeggend, als in “Hij huilde erg om zijn niet sluitend krijgen van zijn wiskundig bewijs”.

Malen bij Wallace

Het tegendeel van een epifanie is malen. Definiërend voor ‘gemaal’ is dat de gedachten geen waardevolle inzichten zijn. In malen zijn denken en voelen niet harmonieus op elkaar betrokken. Daardoor en, mogelijk daarvan niet losstaand, bij gebrek aan toe-eigening van de interpretaties, blijven de interpretaties steriel, al zijn het harde oordelen over zichzelf of anderen. Emotionele stopsignalen doen de carrousel van interpretaties niet stilhouden. Niets komt aan, het gaat maar door. Betrokkene blijft meningen soms eindeloos tegen elkaar uitspelen, hetgeen bij de lezer de ervaring van in een cirkel gevangen zijn kan oproepen.

Auteurs lijken dit soms verheven dramatisch te bedoelen, als in ‘gevangen in een onoplosbaar dilemma’. Maar om het even ervaart de lezer het als zelfingenomen of niet-imponerend onvermogen, zoals ‘piekeren’ niet in hoog aanzien staat, en te behandelen valt.

topos van de Joods-Amerikaanse tweede generatie-intellectueel: veel praten, dun gevoel

Een ‘niet naar de realiteit getekend’ malend personage kan, op een overtuigend/authentiek aandoende manier, het gevoel verbeelden van ankers losgeslagen te zijn. Literair gemaal maakt doorgaans impliciet blijvende afwegingen die aan gevoelens ten grondslag liggen publiek. Ook kan het nuttig tegengif zijn tegen sommig verlangen naar authenticiteit, wanneer naïef opgevat alsof een terugkeer naar een ‘gegeven’, niet door cultuur bezoedelde, natuurlijkheid (emoties als pure natuur).

Maar aan malen als literaire vorm kleeft hetzelfde bezwaar als de religieuze epifanie, zoals Smith de laatste gebruikt in de Zwarte Madonna-epifanie in NW, waar ze via die vorm niet-religieuze waarheid probeert over te brengen: sommige cliché’s zijn niet meer te bezielen, opgebruikt, te belegen conventie.

De waardering van Smith voor Wallace’s malen/cerebraliteit is dubbelzinnig. In haar Eliot-essay looft ze hem als analyticus van zelfbedrog, direct na de zin waarin ze Eliot’s talent prijst om menselijke beweegredenen van bonte aard te ontleden: “[Eliot] is hierin heel modern, ze verwoordt de obsessieve cirkels van zelfbewustzijn en zelfbedrog even scherp als die andere meester van de breedsprakigheid, David Foster Wallace”. (o.c, p.48)

Maar in haar essay over Brief interviews with hideous men worden de gebreken van breedsprakigheid (inclusief malen) benoemd. Ze vindt de overtuiging waaruit sommige van zijn verhalen geschreven zijn – “dat woorden werelden zijn, dat geen enkele taal neutraal is” – weliswaar “zowel ernstig als prachtig” maar “Dat dergelijke taalfantasieën übersuf en omslachtig zijn valt echt niet te ontkennen” (p.354, 355).

En gaat het mis, dan bezorgen de verhalen van Wallace haar…

Een ondraaglijk gevoel, en het gewicht van alles wat daar tegen de lezer wordt opgestapeld onoverkomelijk is: ontbrekende context, retorische ingewikkeldheden, (..) grotesk of absurd materiaal voor het onderwerp, een taal die – tegelijkertijd! – kinderlijk scatologisch en op een oervervelende wijze obscuur is. (p.340)

En op de postuum populair geworden lezing van Wallace voor afstuderende studenten van Kenyon College reageert ze:

Je kunt ook teveel over water nadenken. Je kunt vergeten hoe je ook weer moet zwemmen. Je kunt een extreem zelfbewustzijn ontwikkelen met betrekking tot vorm (..). (p.356)

En in de volgende opmerking over Wallace’s voorliefde voor “animerende gemeenplaatsen” die de eigenschap hebben mensen te kunnen verbinden, zoals de in de VS gebruikte “Loop maar eens een paar kilometer in andermans schoenen”, lees ik de kritiek van gebrekkige doorleefdheid:

Toch schuilt in het optimisme ervan iets wat niet helemaal overtuigend is. Ik heb het gevoel dat ze me meer iets bieden van een gewilde oplossing dan van een die instinctmatig en diep gevoeld is. [Dit is niet slecht: het draagt bij tot de dwingende ambivalentie ervan]. (p.351, mijn cursivering)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s