Zadie Smith over zelfkennis: Middlemarch, Spinoza en aanbidding van de vorm

Bijlage bij mijn posting over de roman NW.

“Still, one wonders how different her life might have been if she’d had aspirin.”
                                                                                           Rebecca Mead, The Road to Middlemarch (2014), p.176

Is there a way in which all of us are fictional characters, parented by life and written by ourselves? (..) No one ever says, in life, ‘I don’t exist.’ We say, rather, ‘I believe I exist.’ 
                                                                                           James Wood, How fiction works (2008), p.86-87

Zelf.ken.nis (de; v): kennis van het eigen ik

(Zelf)kennis, of preciezer: de literaire weergave van het opdoen ervan, komt zijdelings aan de orde in de essaybundel Ik heb mij bedacht (2009), meestal in de marge van onderwerpen als ‘de toekomst van de Engelstalige roman’ of ‘hoe in deze tijd te schrijven’.

Dat kan zijn omdat literatuur voor Smith de vorm is waarin (zelf)kennis tot uiting komt. Zelfkennis heeft met literatuur dan bijvoorbeeld een narratieve structuur gemeen – omdat het zelf zich in de tijd ontvouwt en een besef van een verleden en een ontwerp van een toekomst dit vlietend qualia nu eenmaal kenmerkt, hoe onnadrukkelijk en nauwelijks beseft soms ook.

Met het incorporeren van het verstrijken van de tijd behoort ook weergave van verandering, waaronder het opdoen van zelfkennis, tot de mogelijkheden.

Maar om het even interesseert het opdoen van zelfkennis Smith niet bijzonder.

Vertrekpunt van Smiths terzijdes is soms de filosofie die ze zich tijdens haar studie Engelse letterkunde heeft eigen gemaakt. Het ‘zelf’ of althans het ‘subject’ is bekend mikpunt van zulke filosofie.

Zeker gaat Smith in haar essaybundel met haar jongere academische zelf in gesprek. Ze geeft zich rekenschap van, en brengt in een moeite door een eerbetoon aan, romans die haar gevormd hebben.

Misschien is dat gesprek met zichzelf de reden dat Smith filosofisch jargon afwisselt met spreektaal (‘verstand’, ‘gevoel’, ‘bewustzijn’), alsof beide behoren tot een en hetzelfde register. In het voorwoord belijdt Smith ideologische inconsequentie als geloofsartikel, maar openheid, het uitproberen van meer perspectieven op een onderwerp, is wat anders dan verwardheid.

Levensontwerp

Zelfkennis in de zin van de grote boog van iemands levensverhaal, ieder moment gespannen, is een verhaal dat steeds niet af is. Er bestaat kans dat de boel nog flink opgeschud zal worden. Daarentegen ligt iemands chronologisch verleden, het logboek van ‘op die dag deed ik dat of overkwam me het volgende’, vast. Maar een logboek is geen levensontwerp.

Wel bevat zelfs een logboek al een element van een verhaal: selectie. Een logboek noteert gebeurtenissen die relevant zijn vanuit het gebruiksdoel. Onderscheidend kenmerk van een verhaal is de verheviging daarvan: plot, intrige. Ieder levensontwerp bevat een of meer plotlijnen, meer of minder bewust gespannen. In alle gevallen sticht men zin, inclusief onzin.

Hoe maak je zo een verhaal? In het begin wordt een mens vooral beschreven. Het schadelijk effect van niet-liefhebbende ouders op het zelfbeeld behoeft geen toelichting. Kinderen hebben daarbij de neiging zichzelf de oorzaak te vinden van hun slechte behandeling.

Ook kent iedereen wel op een of andere manier dat onderzoek over zichzelf bewaarheidende voorspellingen. Kinderen in wie ouders of docenten niet geloven, de laatste soms door wetenschappelijk onderzoekers op toevalsbasis voorzien van diskwalificerende informatie over die leerlingen, presteren daadwerkelijk minder.

Ook minder dramatische varianten van beïnvloeding zijn iedereen bekend. Familie, collega’s of vriendjes duwen soms in een bepaalde rol, die wel of niet bevallen kan, ontwikkelingskansen biedt of juist beknelt. En ook de beïnvloeders zelf worden op hun beurt door anderen beïnvloed.

Dat gebeurt ook via ‘cultuur’. Tekenfilms en kinderboeken rijken de jonge mens een reeks scenario’s aan, die het argeloos tot zich neemt. Reclameboodschappen, de meningen van experts of opiniestukken in magazines werken op ons in. Ze kunnen vertrekpunt voor creatieve variatie of demontage zijn of de groef waarin iemand blijft steken.

Dan zijn er opgedane beperkingen van de verbeeldingskracht. Mensen met een ‘externe locus of control’ ervaren het leven alsof het hen overkomt en dat is dan ook de teneur van hun roman. Piekeraars hebben geregeld een gebrekkige toegang tot hun autobiografisch geheugen. Hun persoonlijke herinneringen neigen negatief op een abstracte manier te zijn (“Telkens als men mij in de steek laat”) en nodigen uit tot verder piekeren. Men draait in cirkels.

Schrijven is moeilijk.

FAQ

De term ‘levensontwerp’ klinkt planmatig. In de filosofische ‘levenskunst’ bevelen sommige filosoof-pedagogen aan het leven planmatig aan te pakken. Stuur je niet zelf, dan doen anderen het. En koers je niet bewust ergens op af, dan rommel je maar wat aan. Niettemin kan een levensontwerp ook relatief impliciet blijven. Onderdeel ervan is hoe dan ook het toekennen van gewicht aan dingen.

Het is fantasieloos te veronderstellen dat het einde van iedere gespannen boog van een mensenleven, het slot van ieder levensontwerp, de dood moet zijn; en bekrompen om te menen dat het spannen van een boog getuigt van een onfrisse fixatie op zichzelf ten koste van anderen en de wereld.

In de slotregels van de roman Middlemarch brengt de vertelinstantie waardering op voor nameloze mensen in wier leven de zorg voor de naaste omgeving belangrijk is geweest:

The growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs.

Iemand die zorg voor zijn of haar naasten belangrijk vindt, heeft ook een levensontwerp. George Eliot, de auteur van Middlemarch, maakte een voor een vrouw in haar dagen opmerkelijke carrière. Maar Mead vat Eliots ‘levensontwerp’ (enigszins vrij geïnterpreteerd) als volgt samen: “Her aspiration was not for literary immortality – though she got that – but for a kind of encompassing empathy that would make the punishing experience of egoism shrink and dwindle.” (o.c, p.265).

Hier krijgt zorg voor de ander spirituele boventonen. In her verlengde daarvan heeft Eliot het in een condoleancebrief over een intensiteit voorbij het ‘zelf’:

I try to delight in the sunshine that will be when I shall never see it any more. (..) And I think it is possible for this sort of impersonal life to attain great intensity, – possible for us to gain much more independence, than is usually believed, of the small bundle of facts that make our own personality. (Mead, o.c, p.265)

Het zelf ‘contingent’ of illusie verklaren compliceert de notie van ‘zelfkennis’ weer op een andere wijze.

Positieve en negatieve vrijheid

Ik schat in dat Smith het woord ‘levensontwerp’ beknellend zal vinden. “The time to make up your mind about people is never” is een van de motto’s die haar schrijverschap stimuleren. Dit verwijst naar hoe mensen anderen kunnen inperken maar ook het hebben van een ‘levensontwerp’ zou men als onnodige zelfbeperking kunnen opvatten.

Die afkeer van mensen vastleggen, of die liefde voor vrijheid, komt indirect tot uiting in Smiths hechten aan de onbeslistheid van het nu, aan het “voelen dat je midden in de tijd zit, dat je erin leeft”. Ze lijkt het talent om die onbeslistheid van het leven terwijl het zich voltrekt op te kunnen roepen zelfs tot keurmerk voor een goede schrijver te willen maken.

In een ander interview waardeert Smith de “onkenbaarheid”, het “mysterie” van mensen (vooral sommige Franse romans weten dat goed over te brengen, meent ze). Mensen zijn minder vastgelegd dan medemensen vaak gemakshalve of om psychologische redenen, bijvoorbeeld om zichzelf in de hoogte te kunnen steken, menen.

Van deze ‘onkenbaarheid’ maakt Smith een geloofsartikel. In wat lijkt op een tweede keurmerk meent ze dat alle goede fictieschrijvers die “onkenbaarheid” zijn toegedaan en ervan in hun werk willen getuigen:

Trying to convey people in their unknowability is very, very difficult in fiction. It is incredibly difficult, but I think it’s what all fiction writers, good fiction writers anyway, aspire to.

Smith maakt zich daarmee vooral sterk voor negatieve vrijheid, het niet door anderen gehinderd worden. Minder nadruk legt ze op de lasten en lusten van positieve vrijheid, van de opgave iets met je vrijheid/leven te doen, zodra niet door anderen belemmerd. Beide hoofdpersonen van NW, Leah en Keisha/Natalie, hebben het op hun manier daar moeilijk mee. Vooral bij Keisha/Natalie zie je hoe beperkingen van buiten inmiddels beperkingen van binnen geworden zijn.

De Nederlandse auteur ’t Hart verwijst naar de lustvolle kant van positieve vrijheid in de titel van een autobiografisch geschrift: het roer kan nog zesmaal om. De zeevaartvergelijking en de hyperbool klinken nu wat oubollig. Het is een citaat uit een gedicht van Marsman voor zijn sedentair levende vriend en collega-dichter Jacques Bloem.

De pleitbezorgers van de filosofische levenskunst zullen tegen de angst voor beknelling door een levensontwerp inbrengen dat (a) niet kiezen ook kiezen is (b) alles van gelijke waarde vinden hetzelfde is als onverschilligheid (c) het risico van Smiths openheid vormloosheid of doelloosheid is.

Zelf schrijver worden

Consequentie van de niet-vastgelegdheid van de roman van ieders leven is dat wij auteur zijn, ook al willen we het niet. Ook over een vormeloos leven valt een onderhoudende roman te schrijven, maar wel met behulp van kunstgrepen, zoals een verteller die afstand neemt van of commentaar levert op het personage, er een schelm of een Elckerlyc van maakt, iemand die staat voor een bepaalde mentaliteit. Die roman kan niet zelf ook vormeloos zijn.

In het geleefde leven kan men niet overtuigend vormeloze held én gestructureerde romanschrijver van dit leven zijn. Maar het blijft moeilijk zich een oordeel over een mensenleven vormen. Denk aan het leven van Gerard Reve, Bob den Uyl, Frans Pointl of neem een gemiddelde, matig succesvolle schrijver, dag na dag achter zijn of haar bureau gezeten.

Van Bloem kent iedereen de regels “Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan”. Het is het begin van een gedicht waarin de dichter ongenadig hard over zichzelf oordeelt – maar men hem toch weken aan het gedicht ziet schaven, gezeten aan een tafeltje met de nodige lege borrelglaasjes.

George Eliot voelde zich op haar dertigste vormeloos, een verdwijnpunt: “It seems to me as if I were shrinking into that mathematical abstraction, a point – so entirely am I destitute of contact that I am unconscious of length or breadth” schreef ze aan een vriend of vriendin (Mead, o.c, p.264).

Haar vader lag op dat moment op sterven en Eliot had de zorg voor hem op zich genomen. Alle poëzie leek uit het leven verdwenen, zelfs de poëzie die Eliot ontwaarde in plichtsvervulling: “At last the very poetry of duty forsakes us for a season and we see ourselves and all about us as nothing more than miserable agglomerations of atoms – poor tentative efforts of the Natur Princip to mould a personality.” (Mead, o.c, p.264-265)

James Wood analyseert het wonder van hoe een personage, over wie de schepper naar de lezer knipoogt ‘dit is een verzinsel’, en dat zelf ook lijkt te twijfelen aan de mate van zijn bestaan, ons toch raken kan. De kern is dat de auteur om het personage geven moet, via hem of haar iets van waarde aan de orde moet willen stellen (in plaats van steriele metafictiespelletjes te spelen). In het concrete voorbeeld stelt de auteur via zijn efemere personage een vraag die ook ons raakt, aldus Wood, en verwant is aan Eliots lijden onder eenzaamheid: “Do we exist if we refuse to relate to anyone?” (How fiction works, p.87)

Begrenzing

Een ander probleem is de afbakening van het ‘zelf’. We zijn ook ons lichaam maar wat daarvan tot het ‘zelf’ behoort is discutabel. Een chronische ziekte kan veel zorg vragen of tot een bepaald levensregime dwingen en zo tot onderdeel worden van het verhaal over wie we zijn.

Dat blijkt zelfs mogelijk met de louter beschrijvende DSM-classificaties van niet-lichamelijk lijden. In 2013 kwam de nieuwste editie uit van deze imperfecte taxonomie van afwijkend gedrag en beleven, door een criticus een ‘hedendaags etiquetteboek’ genoemd. Het ‘syndroom van Asperger’ bleek geschrapt. Het verwees naar ‘hoog functionerende autisten’. Nu was zo iemand louter ‘meer’ autist dan anderen. Een getroffene beleefde dit als statusverlies. (Trudy Dehue, Betere Mensen (2014), p.131)

Maar de meeste mensen denken bij ‘zelf’ toch allereerst aan ‘psychologie’, aan kenmerkende drijfveren of uniek onderscheidende eigenschappen. Maar ook hier wacht frustratie (hoewel menigeen er net zo weinig last van heeft als lezers van horoscopen). Over ons valt te spreken in een gemeenschappelijke taal. Of we nemen met onze score op een persoonlijkheidstest een maar relatief ‘unieke’ positie in, samen met vele anderen met (bijna) dezelfde score.

Tien klonen van een persoon zijn op hun manier ‘uniek’. Opgesteld in een rij van tien, kan men op elk van hen een uniek identificerend nummer plakken. Maar die uniciteit streeft niemand na. We hopen op en denken bij uniciteit aan ‘eigenheid’.

Smith beweert dat goede schrijvers in hun werk een hen kenmerkende gevoeligheid (“sensibility”) uitdrukken. Die persoonlijke stijl is “implicit in everything you do” en “just the way you express yourself”. Hij is niet louter esthetisch, noch louter ‘psychologisch’, eerder een unieke manier van de wereld doen oplichten, selectiviteit daarin begrepen. Zo kwam de dichter Philip Larkin geregeld onbehouwen uit de hoek maar raakte dit niet zijn persoonlijke sensibiliteit:

Larkin could be racist, could be misogynist, was frequently offensive, but the things that matter about Larkin to me—his poems about death, his poems about time, those seem to me extraordinarily . . . ethical is the wrong word because it sounds as if someone is pushing a point and that’s not what I mean. I mean ethics in the largest sense, that certain poems of Larkin’s have a way of showing me how to be alive and that is the most important thing a piece of writing can do.

Even later oppert Smith de mogelijkheid dat de stijl het ideaal-ik van de schrijver vertegenwoordigt (“the best of a writer’s person”).

Maar aan dat ideale ik is even weinig ‘psychologisch persoonlijk’ als aan de zojuist genoemde ‘sensibiliteit’ van een auteur. Larkin brengt een gedeelde existentiële situatie (“how to be alive”) tot uitdrukking, meer ‘menselijke conditie’ dan zelfkennis.

Zelfkennis als sturingsinformatie

Bij het ontwerpen van een toekomst helpt zelfkennis, die men kan opvatten als sturingsinformatie. Smith drukt iets uit wat lijkt op een levensontwerp, aangepast op basis van verworven zelfkennis, in haar essay over Eliot: “Experience transforms perspective, and transformations in perspective, to Eliot, constitute real changes in the world” (Changing my mind, Penguin-uitgave 2011, p.31).

Ik haal de zin vooral aan om te wijzen op Smiths onvermogen of onwil begrippelijk te denken. Ze laat de betekenis van “experience” in het essay onbepaald. En wat bedoelt ze met “real changes in the world”? Het lijkt een variant op het Thomas-theorema in de sociologie: “If men define situations as real, they are real in their consequences”, maar “world” is abstract vergeleken met “situations”.

Als sturingsinformatie is zelfkennis praktisch en wordt geactiveerd zodra aan de orde. Zij bestaat, evenmin als de kennis hoe te fietsen, niet de in vorm van een reeks proposities, hoewel zij desgewenst in die vorm gewrongen kan worden.

Zelfkennis in deze zin kan in een ‘levensontwerp’ opgenomen zijn als een subplot. “Mijn valkuil is hard voor anderen werken om waardering te ontvangen. Ik heb moeite rechtstreeks om waardering te vragen. Ik neig mijzelf voorbij te lopen om zo de waardering te krijgen waar ik niet om durf te vragen. Blijven mijn inspanningen niet alleen onopgemerkt maar krijg ik zelfs kritiek, dan kan ik heftig reageren. Het ‘stank voor dank’-scenario heeft zich weer voltrokken”, kan een reflectie achteraf zijn.

Hoe is zelfkennis opgeslagen en hoe komt het beschikbaar? Eliot schreef over zichzelf: “Ten years of experience have wrought great changes in my inward self” (o.c, p.33). “Inward self” hier is even ongeleed als “world” bij Smith. De zin laat zich zonder informatieverlies herschrijven als “Ik ben behoorlijk veranderd in de loop der jaren”.

Lezen als leven

Voor zover een mens een toekomst ontwerpt is ‘zelfkennis’ het kompas waarop men vaart. Vaak toont een roman het gebrek aan zelfkennis of kennis van de wereld bij een personage. Het is de vraag of lezers uit het lezen over zulke dolende of tastende personages zelfkennis opdoen.

Smith is erg enthousiast over de waarde die George Eliot toekent aan “experience”, maar lijkt die term te reserveren voor het geleefde leven (daarover later meer). Maar ze is sceptisch over het veranderend effect van het lezen van een boek – overigens ook over dat van een zich empathisch verdiepen in een medemens in levenden lijve. Maar Smith is ook hier wazig, door beide op een hoop te gooien, die van ‘informatie over iemand tot zich nemen’.

Rebecca Mead rekent lezen wel tot het ‘ervaring’ opdoen. Een roman biedt ‘weerstand’ en daarmee de kans op ‘ervaring’, net zoals de materiële wereld, inclusief medemensen, dat doet:

Middlemarch has not given me George Eliot’s experience, not on my first reading of it, or my latest. (..) She has given me something else: a profound experience with a book, over time, that amounts to one of the frictions of my life. I have grown up with George Eliot. I think Middlemarch has disciplined my character. I know it has become part of my own experience and my own endurance. Middlemarch inspired me when I was young, and chafing to leave home; and now, in middle life, it suggests to me what else home might mean, beyond a place to grow up and grow out of. (o.c, p.266)

Mead verwijst hier terug naar Eliot, die tegen een bezoeker (volgens hem) over de onoverdraagbaarheid van “experience” op jongeren ooit zei: “They will not take it. There must be the actual friction of life, the individual contact with sorrow, to discipline the character”.

Wie Meads citaat goed leest, ziet dat ze de roman in eerste instantie heeft gebruikt om moed of inspiratie op te doen (‘inspire’). Toen ze jong was, was Doreothea’s wens een betekenisvol leven te leiden inspirerend, en nu, van middelbare leeftijd en getrouwd met kinderen, trekt/inspireert het zeer plaatsgebonden leven van de getrouwde personages Fred en Mary.

In welke mate de roman Meads fantasieën ‘getuchtigd’ heeft (en zo haar karakter gevormd), blijft onduidelijk, maar het lijkt er niet op. Eerder lijkt ‘het leven’ dat te hebben gedaan, waarna bij iedere herlezing van Middlemarch andere passages of subthema’s oplichtten.

Smith jubelt over een zin in Middlemarch vergelijkbaar met de uitspraak van Eliot tegen de bezoeker. Dorothea weigert haar zus een geschiedenis uit de doeken te doen (“Nee, liefje, dan zou je met me mee moeten voelen, anders zou je het nooit weten”). Smith: “Och, je moet het voelen om het te kennen!” (‘Middlemarch en iedereen’ in Ik heb mij bedacht (2009), p.49).

Het dubbelzinnige woord in dit citaat is ‘voelen’. Zowel leven als het lezen van biografieën of romans over denkbeeldige levens kan iemand iets doen voelen. Wellicht brengt het lezen op ideeën en ‘leert’ iemand zo iets. Maar hoe vergelijkbaar zijn beide ervaringen? Net zoals Eliot, bij monde van Dorothea, meent Smith dat ervaringen niet overdraagbaar zijn in de vorm van een verhaal, niet adequaat empathisch te benaderen door te luisteren/lezen.

Als mensen bij Smith al ergens iets van leren, dan van botsingen met mensen in de niet-papieren wereld. Maar, net zoals bij Eliot, is er toch ook bij Smith een plek voor fictie. Het lezen van een boek laat soms een indruk achter die niet vervliegt.

Geven om ficties

Wood buigt zich over ons meeleven met verzonnen mensen en concludeert dat er geen peil op te trekken valt: “The novel is the great virtuoso of exceptionalism: it always wriggles out of the rules thrown around it. And the novelistic character is the very Houdini of that exceptionalism” (o.c, p.83). Gevestigde waarheden als dat een personage ‘rond’ moet zijn of dat de schrijver ons toegang moet geven tot het innerlijk van een personage, wil het voor ons tot leven kunnen komen, blijken steeds met voorbeelden onderuit gehaald te kunnen worden.

Wood komt vervolgens zelf met één buitenliteraire voorwaarde: de schepper moet om zijn of haar personage geven. Wood gebruikt in dit verband het Nietzscheaans aandoende ‘affirmation’. Niet “Bestaat dit personage echt?” is de relevante vraag maar “Hoe bestaat dit personage?”. Daarachter gaat volgens Wood de ‘metafysische’ vraag schuil: “Hoe bestaan wij?”.

De levendigheid of levensvatbaarheid van een personage zit hem niet per se in zijn of haar handelen of boeiende kijk op zijn of haar wereld. Wood grenst personages niet scherp af van de roman waarin ze optreden, de bijdragen van de vertelinstantie, de stijl. Hun “reality-level differs from author to author, and our hunger for the particular depth or reality-level of a character is tutored by each writer, and adapts to internal conventions of each book” (o.c, p.93).

Geen lezer verwijt Virginia Woolf een tekort aan Dickensiaanse typetjes in haar romans.  Een roman of personage zakt door de bodem “not when the characters are not vivid or deep enough, but when the novel in question has failed to teach us how to adapt to its conventions, has failed to manage a specific hunger for its characters” (o.c, p.93).

Het bijdragen van de context aan de overtuigingskracht van een personage is verwant aan hoe Smith haar romans opbouwt: van zin tot zin, de ‘tonale frequentie’ of ‘sensibiliteit’ ervan afstemmend op een innerlijk oor. De roman is als een langzaam groeiend koraal, waarin de schrijfster deel en geheel doorlopend op elkaar afstemt, op geleide van dat oor (Ik heb mij bedacht,  p.126, 127).

Smith tart Woods karakterisering door Kafka’s Odradek, 1 pagina gegund, naar voren te schuiven als “gedenkwaardiger dan romanfiguren waar ik me drie jaar lang en vijfhonderd pagina’s mee bezig heb gehouden” (Ik heb mij bedacht, p.134). Odradek verwart men bij eerste aanblik gemakkelijk met een garenklos. Het rolt veel van de trap en sleept hierbij een eind touw achter zich aan. Mogelijk heeft Smith hier last van een oprisping zelfhaat.

Om terug te keren tot Meads leren van het (her)lezen van romans: ze benadrukt in het boven aangehaald citaat onbedoeld het wensvervullingskarakter van sommig lezen. Personages of verwikkelingen die aansluiten op het eigen leven spreken de lezer het meest aan. Een roman kan zo als een spiegel dienen, soms juist in de uitvergroting, maar om het even versterkt hij inbeeldingen.

Kristallisatie of mijn oog was overal

De oplettende lezer zal hebben opgemerkt dat we boven varieerden tussen ‘zelfkennis’ en ‘zelfontwerp’. In ‘zelfontwerp’ is gerichtheid op de toekomst begrepen. ‘Zelfkennis’ voerden we op als kompas bij het uitzetten van een koers, en was iets als ‘kennis van je sterke en zwakke punten’. Van het ‘zelfontwerp’ merkten we op dat het onnadrukkelijk aanwezig kan zijn, zoals voor- en achtergrond in de visuele waarneming. Het zelfontwerp is, om een andere stoffige vergelijking te gebruiken, als de ‘bril’ waardoor men kijkt.

Zelfontwerp veronderstelt perspectiviteit en begrepen in perspectiviteit is selectiviteit. Is daarmee de leugen inherent aan ieder zelfontwerp? Of zijn dingen die naar de achtergrond verdwijnen, waar je perspectief geen licht op laat vallen, ‘slapend’ aanwezig?

Filosoof De Boer stipt deze kwestie op zijn manier aan. Hij zadelt mensen op met twee naar totaliteit strevende impulsen, die elkaar kunnen versterken maar ook in de wielen rijden: verlangen te zijn (authenticiteit) en verlangen naar zin. De eerste impuls definieert De Boer in filosofische termen, waardoor iedere vergelijking met biologische behoeften misplaatst lijkt. De Boer noemt de conatus essendi van Spinoza, en neoplatoonse ‘graden van zijn’, van ‘perfectie’.

Echter, ook een filosofische Freudlezing speelt hem parten (die van Ricoeur maar ook die van Lacan via zijn Nederlandse pleitbezorger Mooij). Via de geleende notie van ‘sublimatie’ meent De Boer zijn schimmig ‘verlangen’ op diverse niveaus van het menselijk leven te kunnen laten optreden: in dromen en gekte, in rechtspraak en ethiek, en in de kunst.

Notie die een psychologisch ‘verlangen naar zijn’ begrijpelijk maakt is die van ‘authenticiteit’. Het is een ervaringsfeit dat mensen soms voelen dat ze zich anders voordoen dan ze ‘werkelijk’ zijn, dat ze zich aanpassen, om welke reden dan ook, en daarbij soms geweld aandoen.

De onoplosbare spanning tussen zelfkennis en zelfontwerp, tussen verlangen naar zijn en zin, is die tussen selectiviteit en ‘volledigheid’. De Boer gebruikt voor het laatste begrippen als ‘kristallisatie’, ‘articulatie’ en ‘differentiatie’:

De ontwikkeling van een mens gaat (..) van confuus naar distinct. (..) Het is een kristallisatieproces waarin verschillen duidelijk worden. (..) Articulatie van de zelfkennis, denkend aan de ‘dubbele articulatie’ van klank en betekenis in de taal. Het verlangen naar uitdrukking (..) is een verlangen naar articulatie als differentiatie. (..) Het verlangen [te zijn] wil geheel aanwezig zijn, dat wil zeggen in al zijn nuances. Dat is dunkt mij wat het existentialisme onder ‘authenticiteit’ verstond. (o.c, p.72)

Mij doet het denken aan de droom van perfect zicht, van onbeperkt kunnen in- en uitzoomen. Erin begrepen is het overwinnen van de selectiviteit van perspectiviteit. Details die men mist wanneer men van afstand kijkt, zijn niet echt verloren, want men kan inzoomen en ziet dan de details scherp. Net zo ontbreekt het risico van zich blindstaren op details. Is het nodig, dan zoomt men uit en ziet de grote lijnen weer. Vanzelf.

Bij zoomen hoort iemand die ziet. Maar de ziener bekijkt hier zichzelf. In de metaforiek van De Boer verdwijnt de kijker/kenner in de materie, die, in een beweging van ‘articulatie’, ideëel lijkt te worden. De materie wordt zichzelf transparant, geest en materie vallen samen.

In termen van kompas en ontwerp kan men de vraag opwerpen: waarheen zet iemand koers die overal al geweest is? Mist die niet elk verlangen?

De Boer erkent de spanning tussen beide verlangens. Een mens is tegelijk meer en minder dan een boek (levensontwerp). Vanuit het verlangen naar zin verlangt de kunstenaar/mens soms ‘zelf’ uit het kunstwerk/levensontwerp te verdwijnen. Maar de mens (het ‘zelf’) is geen kunstwerk:

Mensen kunnen hun bestaan wel stileren maar het is geen kunstwerk. In de kunst moeten we de autonomie van de tekst respecteren. De biografie van de auteur is niet relevant. Respect voor de mens betekent omgekeerd dat we hem niet als al of niet geslaagd kunstwerk zien. Psychologie is voor mensen. (o.c, p.73)

‘Conatus essendi’ of: de wereld wil het ware en goede (anders ik wel)

Dit opwaarts streven

Over zelfkennis spreekt Smith onder andere in het al genoemde essay ‘Middlemarch en iedereen’. Daar stelt ze onder meer dat Eliot nastreefde wat iedere goede romanschrijver tracht te doen: “Het naar voren reiken van het hele bewustzijn naar de zo volledig mogelijke waarheid, de minst vooringenomen goedheid” (o.c, p.48).

Letterlijk is dit de verteller van Middlemarch over Dorothea, maar Smith verklaart het leidend bij alle personages (p.51) en ook van toepassing op auteurs. We zagen haar zojuist in een interview ten tijde van het verschijnen van de essaybundel al eender beweren, althans wat betreft waarheidsliefde, en daar beperkt tot de betere romancier. De uitspraak in het essay lijkt in te sluiten dat ook het ‘zelf’ tot de gebieden behoort waarop uiterste waarheid geboden en mogelijk is.

Het andere door Smith realiseerbaar geachte streven is dat naar wijsheid, naar een juist/zuiver moreel oordeel; hiervoor verklaart zij ‘liefde‘ onmisbaar.

Neemt men dit laatste deel van het citaat serieus, dan veronderstelt Smith dat romanschrijvers streven naar een ethisch oordeel over het optreden van personages dat niet bezoedeld is door eigenbelang of inbeeldingen van de auteur. Romanschrijvers zijn integer vonnissende rechters en daarmee ook waarheidzoekers. Voor ze eventueel oordelen, begrijpen ze eerst ten volle.

Aansluitend op het citaat geeft Smith enkele voorbeelden van bij personages indalende of inslaande waarheid. Eliot is er volgens haar verzot op: “Eliot maakte een religie van dit proces; het kwam in de plaats van de oude godsdienst waarmee ze was opgevoed”. Eliots meelevende verteller vervangt Jezus, die “vastbesloten was om onze zonden uit onze ziel te trekken”. Eliot is “de seculiere (..) dichter van de openbaring” (p.48-49).

Bij Eliot wordt mild geoordeeld over ondeugden en misstappen van personages maar geoordeeld wordt er. Het Ware is aan het Goede gekoppeld.

Het ‘streven’ naar het goede bij Eliot vormt een probleem. Hoezo doet een mens dat? Wie of wat nemen buiten de roman en de religieuze overlevering, in de werkelijkheid van alledag, de inspanningen van de verteller van Middlemarch respectievelijk Jezus voor hun rekening? Wie of wat vertegenwoordigt de belangeloze betrokkenheid en wijsheid/kennis van de zich als pedagoog presenterende verteller van Middlemarch?

Het antwoord van Eliot is: ‘natuurlijke’ processen. Maar hoe kunnen ‘blinde’ natuurlijke processen een moreel streven representeren? Eliot onderscheidt slecht tussen de taal van oorzaken en die van motieven, tussen gebeurtenissen en handelingen.

Zo rekent ze ook het vertellen en tot zich nemen van verhalen tot de ‘natuurlijke’ processen. Ze begrijpt het effect van het lezen van een roman met een instrumentarium op het niveau van associatiewetten.

Enerzijds is Eliot een determinist, die niet gelooft in menselijke ‘vrijheid’ (in die optiek een ‘gevolg zonder oorzaak’), maar ze ruimt anderzijds plaats in voor ‘voluntarisme’, voor vrijheid en streven:

She [Eliot] conceived of the individual as an egotistic consciousness that imagines itself as the free center of action rather than recognizing itself as an insignificant ‘particle’ or ‘speck’ that is fully part of nature and connected to all else through complex webs of interconnected causes and effects. Eliot was a determinist who nevertheless believed in freedom and the expansion of knowledge through human striving. (Moira Gatens, Spinoza’s hard path to freedom, 2011, p.36)

‘Fellow feeling’ is een van de naturalistische vertalingen van Jezus / de verteller in Middlemarch. Eliot spreekt over dit vermogen in de taal van ‘mechanische associaties en hun effecten’ maar wat het vermag lijkt rijker dan zulke associaties toe lijken te staan. Hoe ook precies, ‘fellow feeling’ is werkzaam:

The assertion that fellow feeling is the only ‘universal bond’ [citaat uit brief Eliot] is, for Eliot, a given as fundamental as Spinoza’s assertion of ‘the imitation of affects’. She had faith in that bond to found and nourish human community. (..) Eliot’s challenge is to show that human life can generate value, meaning, fellowship, and knowledge, without recourse to transcendent powers” (Gatens, o.c, p.34)

Een rijke opvatting van ‘fellow feeling’ lijkt voorwaarde, wil men kunnen verklaren hoe het lezen van romans een beschavend effect (“het creëren van waarde, zin, verbinding”) kan hebben. Begrijpend lezen is een hoogwaardige culturele activiteit, die niet-uitputtend verklaard lijkt te kunnen worden uit het hebben van spiegelneuronen – om een voor de hand liggend hedendaags equivalent van een mechanistisch opgevat ‘fellow feeling’ te kiezen.

Romans zijn werken van verbeelding. Eliot leunt in haar romans onder andere op haar Spinoza-interpretatie, maar juist in haar opvattingen over ‘verbeeldingskracht’ wijkt ze van hem af. Verbeelding is actief bij de auteur tijdens het schrijven en bij de lezer tijdens het lezen. Over de eerste en, op het eind, de laatste:

The powerful imagination [van de kunstenaar], she says, enjoys ‘a breadth of ideal association which informs every material object, every incidental fact with far-reaching memories and stored residues of passion, bringing into new light the less obvious relations of human existence’. The ideal associations, characteristic of the artistic imagination, are the materials out of which the artist constructs representations with the force to trigger memory, engage emotion, and provide fresh insight into the subtle interconnections between self, others, and the world. (o.c, p.48)

Een evident voorbeeld van apodictische ‘leunstoelfilosofie/-psychologie’, net zoals de aansluitende claim dat het gaat om de “revelation of not immediately apparent but nevertheless real connections and actual relations in the world”.

Waarom geeft de natuur reden voor moreel optimisme? Voor Smith is het antwoord eenvoudig: Eliot schrijft optimisme, erfenis van haar christelijke opvoeding, de natuur in. Haar optimisme infecteert Middlemarch via de omweg van haar Spinoza-interpretatie.

Spinoza’s ‘religieus’ te noemen positieve waardering van de natuur/wereld hielp Eliot zich los te maken van haar christelijke omgeving. Maar ongemerkt nestelden door haar gewaardeerde elementen van die christelijke opvoeding en achtergrond zich in haar Spinoza-interpretatie:

I think he made it possible for her to think of nature as (..) fraught with something holy that wasn’t to do with a monotheistic God or obeying certain religious rules. (..) The world she offers you in Middlemarch is holy in and of itself. It has a great kind of humanistic spirit that pushes through it: that people are holy, even in their flaws, even in their sinfulness. I think that (..) was the engine of her art. It’s something that even for me is completely nostalgic. I can’t imagine feeling that positively about the world.

Misschien bedoelt Smith dat in Middlemarch personages het aanschijn blijven houden van dolende schapen, gadeslagen door een bewogen, liefhebbende God, maar met de impliciete aanname dat dingen in een andere wereld anders, beter zouden kunnen gaan.

Misschien overschat Smith Eliots optimisme. Eliot was niet zonder twijfel over haar onthullende vermogens en over de mate dat die onthullingen, neergeslagen in romans, mensen zouden kunnen aanzetten tot het leiden van ‘betere’ levens. Gatens‘ (36:58 min) samenvatting van Eliots mening over zelfkennis is:

We are not capable of thoroughly knowing the nature of ourselves or our actions, never mind all of their consequences. Knowledge is gained through reflecting on our beliefs and organizing our experience.

Zelfkennis is een constructie achteraf, net zoals Eliots romans reflectie achteraf zijn maar toch ook ontwerpen die idealen stellen. Eliot over haar romans:

Simply a set of experiments in life – an endeavour to see what our thought and emotion may be capable of – what stores of motive, actual or hinted as possible, give promise of a better after which we may strive – what gains from past revelations and discipline we must strive to keep hold of as something more than shifting theory. (..) I become more and more timid – with less daring to adopt any formula which does not get itself clothed for me in some human figure and individual experience, and perhaps that is a sign that if I help others to see at all it must be through the medium of art. (brief van Eliot geciteerd in Gatens, o.c, p.49-50)

Aan het opwaarts streven is inmiddels de dwingende kracht van een natuurnoodzakelijkheid ontnomen.

Empathie is niet compassie

In een roman filosofeert Eliot met personages van vlees en bloed. De roman verhoudt zich tot filosofie als concreet tot abstract. Daarbij gebruikt Eliot termen die toch ook filosofisch en psychologisch kunnen worden verkend, zoals ‘denken’, ‘voelen’ en ‘motief’ (“stores of motive”).

Het lezen over fictieve mensenlevens mag dan mogelijk iets bewerken in de opslagruimte van motieven van de lezer, of en hoe dat zich vertaalt in nieuw gedrag is, zoals gezegd, een andere kwestie.

In de tijd van Spinoza en Eliot ontbraken veel hedendaagse wetenschappen die zich richten op verschijnselen ‘onder’ de psychologie. Ook psychologie zelf was nog nauwelijks ontwikkeld. Bij Summerscale lezen we dat Eliot met interesse de frenologie volgde, de hersenknobbelkunde, voor ons een pseudowetenschap.

Dit beperkt het onderzoek van hoe mensen bij Eliot tot (zelf)kennis komen. Wij zelf hebben een ambivalente verhouding tot de levens- en menswetenschappen. Doorgaans wenden we ons er pas toe als er iets mis gaat. Het wordt (nog) als vreemd gezien als mensen over hun eigen handelen/gedrag praten in neurobiologische of neurocognitieve termen. Mensen roepen termen als ‘ADHD’ of ‘hooggevoeligheid’ in ter verklaring van het een of ander dat buiten het gewone spectrum valt maar in alledaagse gevallen volstaan motieven als verklaring.

Hoewel Eliot erg geïnteresseerd was in de natuurwetenschap van haar tijd, vinden we daarvan weinig terug in haar romans. In de filosofische discussie over ‘reductionisme’, die onder andere raakt aan de verklarende kracht van motieven, nam ze een anti-reductionistische positie in. Reductionisten menen dat ‘hogere’ verschijnselen, zoals ‘tot een inzicht komen’ of ‘zelfbewustzijn’, door verschijnselen op een lager niveau van organisatie verklaard kunnen worden. Eliot:

Molecular physics is not the direct ground of human love and moral action any more than it is the direct means of composing a noble picture or of enjoying great music. (..) Pain and relief, love and sorrow, have their peculiar history, which make an experience and knowledge over and above the swing of atoms (geciteerd in Gatens, o.c, p.35).

De belevingskwaliteit van gevoelens doet er voor Eliot toe, ze hebben in elk geval een ‘geschiedenis’, wat dat ook betekenen mag (Gatens beweert dat bij Spinoza het lichaam een palimpsest is van al onze ontmoetingen. Daarmee bevatten onze emoties informatie. Hoe uit de palimpsest van ons lichaam kennis te puren blijft de vraag).

Stoorzender hierbij is Eliots politico-theologische agenda. Eliot contrasteert haar romans niet alleen met filosofie (bij gebrek aan vakwetenschappen) maar ook met zekere dogmatische of in haar tijd nog routineus herhaalde christelijke voorstellingen van zaken.

Eliots strijdplan is om in haar romans bepaalde christelijke vertellingen en kernbegrippen als ‘zonde’, ‘vergeving’ en ‘verzoening’ naturalistisch te hernemen. Ze wil via haar romans bewijzen dat ‘verbeelding’ en “sympathetic fellow feeling” [Gatens] hetzelfde kunnen bewerkstelligen als godsdienst in zijn beste gedaante.

Dit reikt een alternatieve verklaring aan voor het morele optimisme in Eliots romans: ze schrijft erin deels naar ‘morele vooruitgang’ toe, als onderdeel van haar campagne tegen het christendom.

Eliot en Spinoza stemmen overeen in hun verbinden van verbeeldingskracht met empathie/ sympathie. Smith tekent juist hiertegen bezwaar aan. Ook zij wijst op het verschil tussen denken/voelen en doen. Compassie – iets anders dan sympathie, maar het lijkt wat Eliot bedoelt, te weten: daden – volgt niet op ‘natuurlijke’ wijze uit empathie. Zich in iemand verplaatsen is wat anders dan ‘dienovereenkomstig’ / in de geest daarvan handelen:

I think for people in the postmodern age, for lack of a better word, the idea that empathy naturally leads to “right” action is harder to believe because we have an enormous amount of information about people’s lives, an almost constant flow of information, and it doesn’t seem to make us behave any better toward them.

Ik gaf al aan dat Eliot mogelijk minder optimistisch was over de menselijke verbeterbaarheid dan Smith veronderstelt. Omgekeerd nadert Smith Eliots optimisme echter en adopteert woorden als ‘liefde’ en ‘wijsheid’ alsof niet zinledig en voor hedendaagse goede auteurs maatgevend.

Biljartbal berispt

Eliot mag dan geen reductionist willen zijn, het is de vraag of ze reductionisme weet te vermijden. Op zijn minst lijkt ze niveaus te verwarren. Zo vinden we in Middlemarch  voorbeelden waarin ze gevoelens voorstelt alsof botsende biljartballen. In de empirisch-analytische wetenschapsfilosofie is logische onafhankelijkheid van oorzaak en gevolg een vereiste. Anachronistisch kunnen we zeggen dat bij Eliot deze eis de voorstelling van bestudeerde verschijnselen vervormt. Zo wordt een voorbeeld van valse trots, variatie op de Bijbelse ‘balk in eigen ogen’, bij haar een kwestie van botsende ‘gevoelens’:

Alle trotse geesten kennen dit gevoel [van geen medelijden willen] wel in zekere mate en het zou alleen overwonnen kunnen worden door een gevoel van saamhorigheid dat zo groot is dat iedere poging zich af te schermen benepen en kleinzielig lijkt in plaats van verheffend. (Middlemarch, Athenaeum-Polak en Van Gennep, 2004, p.447).

De stelling ademt de geest van Spinoza, die gevoelens bestrijdt met tegenovergestelde gevoelens. De weging lijkt autonoom in het personage te gebeuren, dat er als het ware bij staat. De verteller stelt zich afstandelijk op, alsof een wetenschapper.

Oordeelt menig lezer Casaubon, om wie het hier gaat, benepen, de verteller van Middlemarch doet alsof zij niet aan oordelen doet. De benepenheid is een ‘begrijpelijke’ uitwerking van het een of ander:

In plaats van mij te verbazen over deze uitwerking van het ongeluk op meneer Casaubon, vind ik het heel normaal. Onttrekt een klein vlekje vlak voor onze ogen de glorie van de wereld niet aan ons gezicht en blijft er niet slechts een randje over waardoor we de vlek waarnemen? Ik ken geen vlek die zo lastig is als het ego”. (p.449)

Het is de houding van de wetenschapper maar wat is Eliots theorie precies? De toevoeging van ‘glorie’, dat naar de christelijke god verwijst, maakt haar opmerking net iets meer dan een verwante seculiere zegswijze als ‘Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’. Aan de ene kant brengt Eliot begrip op, aan de andere kant is haar verklaring er een op borreltafelniveau, met een weinig specifiek gebruik van ‘ego’, dat zonder verlies van verklaringskracht lijkt te kunnen worden verruild voor ‘menselijke ijdelheid’, waarna het meer een moralistische opmerking dan verklaring wordt.

Die combinatie van een naturalistisch verklarende verteller die tegelijkertijd ons, lezers, moraliserend toespreekt, komen we vaker tegen in Middlemarch. De verteller maant ons dan om ons oordeel op te schorten of zegt minstens iets ten gunste van een personage over wie net door anderen kwaad is gesproken.

De constructie is geforceerd, daar de (auteur achter de) verteller ‘zelf’ eerst de onmogelijk als neutraal te begrijpen beschrijving van het gedrag van het personage door een derde personage heeft laten geven. De verteller corrigeert dit derde personage dan op begrijpende/begripvolle toon. Die correctie houdt het midden tussen een moeder die haar kind verdedigt en een etholoog die enthousiast betoogt over het gedrag van een mierenkolonie.

Daarin verschilt Eliot niet van Spinoza, die even onthecht naar het menselijk gewoel probeert te kijken: “Spinoza does not view passions – such as envy or lust – as ‘sins’ or even as personal moral failings. Rather, he approaches the passions from a scientific or naturalistic point of view” (Gatens, o.c, p.19).

Het klotsen van één pot nat

Ondanks haar scepsis over de verbeterbaarheid en kenbaarheid van de mens adopteert Smith Eliots streven naar volledige waarheid en goedheid.

Maar is Smiths Eliot-essay maatgevend, dan ontdekken mensen die waarheid niet. Smith maakt er een potje van. Zoals Eliot Spinoza interpreteerde, interpreteert Smith Eliots Spinoza-interpretatie in Middlemarch. Volgens Smith gaat bij Eliot tot inzicht komen gepaard met veel denken en vereist het ‘experience’, zowel in de betekenis van ‘ervaren’ als van ‘ervaring opdoen’. Qua denken koppelt Smith Eliot aan collega-schrijver Wallace: beiden werken met personages die zichzelf misleiden en beschikken over een sterk zelfbewustzijn.

Over ‘ervaren’/ ‘ervaring’ is Smith weinig precies. Ze benadrukt ‘liefde’ – “[Eliot] twijfelde er niet aan dat ze evenveel geleerd had van het beminnen van, bijvoorbeeld, haar levensgezel George Lewes, als van het vertalen van Spinoza” (Ik heb mij bedacht, p.47) – maar die liefde blijkt ook het vermogen in te sluiten in alle menselijke activiteit een heftige existentiële strijd te ontwaren, toch niet het eerste waaraan men denkt bij partnerliefde:

Onze meest subtiele analyse van scholen en sekten (..) moet de wezenlijke waarheid wel missen zolang die niet wordt verlicht door de liefde die in alle vormen van menselijke gedachte en werk, de strijd op leven en dood van afzonderlijke levende mensen ziet. (p.47, dit is een Eliot-citaat)

Verder gebruikt Smith “emotionele ervaring” en zelfs “menselijke ervaring” (p.47). ‘Ervaring’ is bij Eliot, volgens Smith, “een even machtige kracht als theorie of onthulde werkelijkheid” (revealed fact), “een machtige manier om te weten” (p.47).

Dit is machtig mooi om te lezen. Maar is het waar?

Opnieuw verbindt Smith ongelijksoortige grootheden. Smith stelt het “mengsel van ideeën en ervaring (..), een mengsel ook van liefde en filosofie” (p.46) voor alsof harmonieus. Ideeën en ervaring worden verbonden in wat soms lijkt op een dialectiek, soms op een in elkaar overvloeien: “Onder de invloed van Spinoza (..) dacht ze met haar hart en voelde met haar hoofd” (p.56), “gevoel tot in de kennis, kennis tot in het gevoel” (p.58).

Dit gaat de kant op van woordendiarree.

En dan heeft Smith het over Eliot zelf, niet over hoe Eliots personages tot zelfkennis komen. Eliot zou met het stijgen der jaren via dit mengsel “klinische zelfkennis” over haar jongere zelf hebben opgedaan, in wat lijkt op een intrapsychische dialectiek, weliswaar gevoed door contacten met de wereld/medemensen.

Smith veronderstelt een tijdloos, bovencultureel inlevingsvermogen bij mensen. Ook onze gevoelens en de wijze waarop we van elkaar afhankelijk zijn, lijken onveranderd door de eeuwen: “De George Eliot van tegenwoordig – zo gevoelig voor iedere schakering van het menselijk gevoel, zo serieus over onze afhankelijkheid van elkaar” (p.58).

En ‘gevoel’ omvat bij Smith veel, verwant aan hoe sommigen zich de Freudiaanse ‘driften’ hebben toegeëigend, als een muntsoort waarin alle kwaliteiten kwantiteit en uitwisselbaar worden.

In een ander citaat (hieronder aangehaald) buitelen onderscheiden begrippen uit het gevoels- en motivatiedomein over elkaar. Gevolg is dat, voor zover dat nog niet het geval was, nu zeker alles één pot nat wordt. Iedere beroering in die pot, zelfs de lichtste oppervlakteschommeling, lijken wij empathisch te kunnen navoelen, ook schommelingen in het nat van anderen.

Die pot met nat klotst wat mij betreft wanneer Smith instemmend Will Ladislaw, in de roman Dorothea’s vrijer, citeert. Met Will lijkt Smith te geloven in het bestaan van een superkwaliteit van empathie, een speling van de evolutie:

Dichter zijn is een ziel hebben die zo snel kan onderscheiden dat geen zweem van kwaliteit [shade of quality] eraan ontsnapt, en zo snel kan voelen dat de waarneming [discernment] slechts een hand is die de prachtig geordende verscheidenheid van de snaren van de emotie bespeelt – een ziel waarin kennis onmiddellijk overgaat in [passes instantaneously into] voelen, en voelen weer terugflitst als een nieuwe bron [new organ] van kennis. Een staat [condition] die je slechts bij vlagen [fits] bereikt. (p.56)

Smith neemt niet duidelijk afstand van de hier veronderstelde “organische relatie” (p.57) tussen denken, voelen en waarheid. Ze lijkt in dit essay meer de enthousiaste Ladislaw dan zijn rijpere schepster. De ziel verenigt de faculteiten analyseren en voelen – die hier net niet in elkaar opgaan. De tekst is empiristisch getoonzet – de dingen buiten worden door ons verstand in volle kwalitatieve nuance waargenomen – maar onderscheidt niet tussen het detecteren van een zeldzame keversoort en een medemens in nood.

De waarnemingen bespelen vervolgens de piano of harp van ons gevoel, waarna een nieuwe bron van kennis/wijsheid zich aandient: de aangeslagen gevoelens, die hier als ‘foutloze’ waarderingen lijken te worden voorgesteld (‘kennis’).

Maar dit laatste hoeft niet. Men kan de gevoelens ook als ‘materiaal’ begrijpen, dat hoe dan ook instructief is, omdat gevoelens, als we ze begrijpen als het gevolg van een betrekkelijk autonoom (= buiten je om) beoordelen van situaties op ‘belangen’ / ‘waarden’, subjectief zijn. Dat maakt gevoelens geschikt voor heroverweging, anders dan jeuk.

Zelfkennis en verandering: hoe dan wel?

Eliot “was een schrijver van denkbeelden, misschien zelfs nog meer dan iedere andere romancier in onze canon” (p.50), schrijft Smith, en “We denken dat ‘Ideeën’ de tegenstelling zijn van iets dat we het ‘Leven’ noemen. Maar zo bedoelde Eliot het niet” (id.). Bedoelt Smith werkelijk dat Middlemarch een bewijsvoering in proza is van de juistheid van Spinoza’s ideeën?

Eliot bemoeilijkt het begrip van haar ‘ideeën’ door aan Spinoza’s ‘conatus essendi‘ een psychologische en sociologische laag toe te voegen. Volgens Smith zet Eliot ‘menselijke verhoudingen’ op de plek waar bij Spinoza andere oorzaken staan:

Eliot nam van Spinoza – wiens metafysica in feite extensief is – over wat ze wilde, en liet liggen wat ze niet kon gebruiken. (p.55)

Smith lijkt het haar niet aan te rekenen. Volgens de dynamiek van deze aangepaste conatus essendi bereiken de personages in Middlemarch, in botsingen met medemensen, een genaturaliseerd moreel ideaal.

Ter illustratie een door Smith opgevoerd citaat van het lichaam Deleuze, wiens Spinoza-interpretatie volgens haar verwant is aan die van Eliot: “Dat is de reden waarom Spinoza ons op zijn gebruikelijke wijze toeroept: (..) je weet niet van tevoren wat een lichaam of geest kan doen bij een zekere ontmoeting, een zekere overeenkomst, een zekere combinatie” (p.53).

Inderdaad typt een aap soms een meesterwerk.

De Boer is hier een waardevoller gids. Die verklaart een gebied van duisternis (“nachtzijde”, “grilligheid, schemer en duisternis”, Grondslagen van een kritische psychologie, 1980, p.29, 132) tot maatschappelijk zinvol werkterrein van de psychologie. Het bestaat onder andere uit gewoontes en onbewuste motieven. Scherper dan Smith situeert De Boer de ondoorzichtigheid op het niveau van zinsamenhang.

Dat doet hij in een uiteenzetting met de ‘rationele’ verklaring in de menswetenschappen. De rationele verklaring verklaart gedrag uit intenties. Probleem is het risico van banaliteit. Waarom opende Jan het raam? Omdat hij de intentie had het raam te openen. Redding biedt een machtswoord, het opleggen van een ondergrens: een tautologie als verklaring mag niet, maar wel een intentie als ‘om de kamer af te koelen’.

De Boer gebruikt de rationele verklaring om een conceptueel punt te maken: de theoretici van de rationele verklaring kunnen niet overweg met onbewuste of sluimerende motieven. Voor hen onaanvaardbaar is een Jan die het raam opent ‘opdat zijn bezoek kou vat’ zonder dat Jan zich hier op dat moment ten volle van bewust is.

De denkfout is het verwarren van contrafactische doorzichtigheid – het uitgangspunt dat inzicht in beginsel mogelijk is – met feitelijke doorzichtigheid, en het verwarren van een interne relatie (zinsamenhang) met een conceptuele (á là ‘een vrijgezel is ongetrouwd’):

Was de relatie tussen motief en intentie, tussen intentie en handeling logisch, dan kan de analyse van interne relaties slechts tautologieën opleveren. Ondanks de intentie blijft de handeling verrassend. Hij kan altijd ‘geweigerd worden’. Voorts is het zo dat niet alleen het motief de handeling uitlegt, maar de handeling ook het motief pas duidelijk maakt. Ik moet handelen om te weten wat ik wil. Bovendien heeft de handeling een niet geïntendeerd overschot aan betekenis. (De Boer, o.c, p.29)

Voor iemand gewend zich te bewegen in een wereld waar oorzaken gevolgen hebben, is dit een cultuurschok. Ook De Boer haalt Spinoza’s conatus essendi aan, maar bij hem staat het voor een innerlijke drang tot klaarheid, die breekbaar en hachelijk is. Dat roept ook vragen op, maar van een andere orde dan Smiths Eliot-interpretatie. Voor De Boer is hier geen door God geplant streven naar (zelf)kennis werkzaam. De Boer vervangt Jezus niet door Spinoza – of toch wel: ook De Boer situeert het verlangen op het niveau van de ontologie, de leer van de zijnden. Waarom de dingen zijn zoals ze zijn, blijft verwonderlijk (en elders voert De Boer Levinas op, die de bron van moraliteit ‘elders’ legt, voor of na het ‘zijn’).

De Boers filosofische analyse van de relatie tussen motief en handeling is nuchterder dan Smiths dwepen met ‘onkenbaarheid’, terwijl beiden hier mijns inziens hetzelfde uitdrukken. Mensen kunnen breken met wat ze tot dan toe altijd gedaan hebben en onvoorziene wegen inslaan, maar dit is geen mysterieus geheim.

Verandering Smith-Eliot-style

Mary Garth, grote liefde van klaploper Fred Vincy in Middlemarch, vervult volgens Smith voor Fred een Spinozistisch-causale rol bij uitstek. Smith is lyrisch over Eliots vondst. Een dominee moet eerst bemiddelen voor Fred, en voor die benaderd wordt is veel tijd verstreken, maar nadat Freds liefje toegeeft voor hem te voelen en met hem te willen trouwen bij gebleken vorderingen, neemt Fred zijn beroepsmatig leven ter hand, hoewel feitelijk hierin door het toeval geholpen.

Liefde is de motor. Hoor Fred delibereren terwijl de veranderingen zich langzaam voltrekken:

‘Als Mary zou zeggen dat ze me helemaal niet wil kan ik net zo goed op de ene manier naar de bliksem gaan als op de andere.’

‘Dat is onzin, Fred. Een mens komt zijn liefde wel te boven, maar de gevolgen van zijn roekeloosheid niet.’

‘Niet mijn soort liefde: er is nooit een tijd in mijn leven geweest dat ik niet van Mary hield. Als ik haar moest opgeven zou het zijn of ik moest leren leven met houten benen.’ (..)

[Mary tegen de dominee:]

‘Ik denk niet dat Fred opnieuw hoeft te horen wat ik hem al gezegd heb,’ zei Mary met enige wrevel in haar stem. ‘Ik bedoel dat hij zulke vragen niet moet stellen tot hij werkelijk iets nuttigs heeft gedaan, in plaats van te zeggen dat hij het zou kunnen.’ (p.548, 552)

Zoals Spinozistische causaliteit Eliot-style nu eenmaal werkt, mag de dominee Fred even later verheugend nieuws brengen.

De zwakte van Smith’s redenering wordt deels aan het oog onttrokken doordat ze haar essay dramatisch inleidt met het onbegrip van de jonge Henry James voor Fred. Vervolgens brengt ze bovenstaand verhaal niet alleen als geslaagde proeve van Spinozistisch causaal interpreteren/verklaren maar ook als terechtwijzing van James’ klassenbewustzijn. Types als de jonge James vonden alleen hooggestemde personages als Dorothea, met hun verfijnd verbaal bewustzijn, de moeite van een fors aantal romanpagina’s waard.

Eliots natuur heeft zekere christelijke normen als einddoel ingebakken. Ook de liefdesverwikkelingen in de roman blijven hoofs en zedig. De heiligheid van Dorothea verdraagt zich kennelijk slecht met zich overgeven aan de lusten van het lijf.

Met het ontbreken van sterk gevoelde seksuele verleiding ontbreekt een belangrijke bron van menselijke tweedracht. Terwijl arts Lydgate zich aan zijn studies en ziekenhuis wijdt trekt bruid Rosamond tot vermoeiens toe kuiltjes in haar wangen, maximum aan toegestaan erotisch lokgedrag. Maar dan blijkt toch ergens in de slaapkamer (nemen wij kies aan) een kind verwekt.

Zo ook daagt Will, zijn onstuimigheid ten spijt, Dorothea’s zedigheid niet uit met avances van zijn kant. Mede gezien zijn zwakke hart kan van de middelbare Casaubon op dit gebied niet veel verwacht worden en moet men toch aannemen dat de jonge Dorothea wegkwijnt, hoezeer de verteller haar ook voorziet van vooreerst een verlangen naar de “[wereld] van warme activiteit en kameraadschap” (p.508).

En Dorothea is vanaf het begin op een vreemde, niet overtuigende manier ‘heilig’. Op een bepaalde manier kwezelachtig, is ze toch ook zuiver, oprecht, bescheiden, vriendelijk én hartstochtelijk (een hartstocht die ambitie insluit):

Zij was altijd attent op alles wat haar levendige sympathie kon oproepen en op dit moment leek het of dit bezoek [van Will] bedoeld was om haar te wekken uit haar in zichzelf verzonken misnoegen [Dorothea heeft net gehuild], om haar eraan te herinneren hoe goed haar man was en haar het gevoel te geven dat ze nu het recht had hem bij te staan in al zijn goede daden. (..) Ze begroette Ladislaw met die prachtige welwillende glimlach waar geen ijdelheid aan te pas kwam en stak haar hand uit. (p.223)

De ‘glimlach waar geen ijdelheid aan te pas kwam’ tart ons geloof. De verteller laat hier nergens blijken dat Dorothea niet alleen krampachtig aan een ideaal probeert te voldoen dat ‘te veel van een mens gevraagd is’ maar daarin ook in bepaalde mate ijdel is. De hint op een ondeugd ontbreekt. Alleen aan het begin van de roman laat de verteller doorschemeren dat ze via haar man ook zelf wil schitteren, en haar onbaatzuchtigheid mede persoonlijke ambities dient.

Afbreuk aan die ‘morele natuur‘ te noemen aard doet slechts het hem soms voorstellen alsof ‘behoefte’ en daarmee blinde beheptheid. Dorothea tegen Will:

Ik kan het niet helpen, ik moet op een of andere blinde manier in prachtige dingen geloven. Ik zou de kunst hier heel graag willen bewonderen, maar er is zoveel waarvan ik het waarom niet ken…zoveel dat mij gewijd lijkt aan lelijkheid in plaats van aan schoonheid. (..) Hier en daar zie ik iets dat mij direct treft als edel…” (p.239)

Hoogstens via de nuchtere blik van haar zus Celia begrijpen wij dat Dorothea zwaar op de hand moet zijn in het lijdende. Stelt Casaubon haar bijvoorbeeld voor een zware keus, dan ligt Dorothea daarvan wel wakker, maar de verteller geeft haar geen gedachten in die draaien om lijdende grootsheid. Ze komt eerder over als goed ‘afgericht’, onmachtig de ban te breken.

Zelfs als het huwelijk ontspoort blijft Dorothea de deugdzame vrouw zelve:

Nadat ze twee uur had opgelezen en aangekruist zei hij [Casaubon]: ‘We nemen het schrift mee naar boven…en het potlood, als je zo goed wilt zijn…en als er ’s nachts gelezen moet worden, kunnen we verder gaan met dit werk. Je vindt het toch hoop ik niet vervelend, Dorothea?’

‘Ik lees altijd het liefst wat jij het liefst wilt horen,’ zei Dorothea, die de simpele waarheid vertelde, want waar ze tegen opzag was zich uitsloven met lezen of iets anders doen waar hij even vreugdeloos onder bleef als altijd.

Het was een bewijs van de krachtige wijze waarop bepaalde eigenschappen van Dorothea zich aan de mensen om haar heen duidelijk maakten, dat haar echtgenoot, met al zijn jaloezie en verdenkingen, een onvoorwaardelijk geloof had verworven in de onkreukbaarheid van haar beloften en haar vermogen zich te wijden aan haar opvattingen van wat juist en goed was. (p.509)

De verteller deelt in de misvatting, want het ‘simpele waarheid’ komt voor zijn/haar rekening.

Leidt zelfkennis tot verandering: psychotherapie [noot: werk in uitvoering]

In het moraliseren verschilt de verteller van Middlemarch van hedendaagse psychologisch hulpverleners die mensen veranderen willen (hun lijden verminderen of wegnemen, op geleide van de wens van de cliënt daartoe). Die hulpverleners brengen vaak genoeg empathie op voor hun cliënt maar nemen hem of haar niet moreel de maat. Ze nemen de klachten voor gegeven aan, als ‘natuurlijke feiten’ of ‘technische problemen’ (bijvoorbeeld af te leren aangeleerd gedrag).

Het is allemaal zo lang als het breed is. Wetenschapsonderzoeker Trudy Dehue vindt de hedendaagse catalogus van psychische stoornissen, de Diagnostic Statistical Manual (DSM), een etiquetteboek in wetenschappelijke vermomming.

Net zo kan een biologische opvatting van de herkomst van psychische klachten een vorm van moraliseren zijn. In plaats van de nadruk te leggen op sociale omstandigheden die gek maken, gaat alle aandacht uit naar het disfunctioneren van de hersenen of psyche van de lijdende, die soms ook voor het onderhoud van het lijf of het voorkomen van ontregeling verantwoordelijk wordt gesteld.

Met dat naturalisme kan Eliot instemmen. En volgens Smith schetst Eliot in Middlemarch een naturalistische ontwikkeling van personages, waarin zij hun optimale morele afstelling vinden – iets anders dan afkomen van je depressie, meer verwant aan de doelstellingen van de hedendaagse positieve psychologie. Eliots ‘natuur’ heeft, zoals eerder opgemerkt, daarbij iets christelijk-humanistisch hooggestemds.

Afgezien van de verborgen moraliteit in hun diagnostische Bijbel en soms hun aanpak, moraliseren psychologisch hulpverleners daarnaast soms over daden van hun cliënten. Menig cognitief gedragstherapeut zal een cliënt weleens gekapitteld hebben als die de afgesproken huiswerkopdracht niet had uitgevoerd. En existentieel psychotherapeut Yalom moraliseert soms zelfs openlijk (hoewel hij zijn moraliseren aansluitend neutraler interpreteert als sociale beïnvloeding):

Hoewel ‘wil’ een begrip is dat psychotherapeuten zelden expliciet gebruiken, wijden we veel inspanningen aan het beïnvloeden van de wil van de patiënt. We interpreteren en verhelderen eindeloos omdat we het uitgangspunt hanteren dat begrip altijd tot verandering zal leiden. We nemen hiermee echter een voorschot op ons geloof omdat overtuigende, empirische ondersteuning voor dit geloof ontbreekt. Wanneer jaren van interpretatie geen verandering teweeg hebben gebracht, kunnen we een direct beroep op de wil gaan doen: ‘Er is ook inspanning nodig. Je moet het echt proberen. Het wordt tijd dat je met je luie reet van de bank afkomt en je schouders eronder zet’. (Scherprechter van de liefde, Pandora-pocket, p.17)

Yalom verbeeldt zich een psychische krachtenconstellatie die door getrek en gesjor in gewenste richting te beïnvloeden is:

Als directe aansporingen geen succes hebben, moet de therapeut (..) zijn toevlucht nemen tot het benutten van alle bekende methoden waarmee de ene persoon de andere kan beïnvloeden. Dus ik adviseer, argumenteer, oefen druk uit, vlei, spoor aan, smeek of verdraag eenvoudig weg in de hoop dat het neurotische wereldbeeld van de patiënt van pure vermoeidheid in elkaar zal storten.

Keijsers scheidt scherper dan Yalom en andere ‘praattherapeuten’ zelfkennis van verandering:

De traditionele psychotherapie met het ‘ken uzelf’-ideaal is gericht op persoonlijke ontwikkeling. ESTs [Empirisch Ondersteunde Therapieën] zijn dat niet. ESTs zijn veranderingsgericht. (..)

Vanwege het ‘ken uzelf’-ideaal en het geloof in individuele ontplooiing binnen de psychotherapie hebben psychotherapeuten – in termen van wetenschappelijke kennis – veel te weinig door wat ze deden. Wat ze deden was de regels van goede sociale beïnvloeding toepassen.

Common factors en het zorgvuldig hanteren van de werkrelatie zijn niks anders als de voortdurende bereidheid creëren en bestendigen dat iemand met behulp van therapeutische technieken met verandering aan de slag gaat. (..) Ze vormen een essentieel onderdeel van waarom psychotherapie werkt. De psychologische behandelpraktijk houdt veel te veel vast aan naïeve opvattingen dat een goed gesprek helpt om jezelf te vinden.

Meer gedragstherapeutisch georiënteerde psychologisch hulpverleners ontheiligen de therapeutische relatie soms nog meer en vinden succesvolle verkopers, mentalisten of zelfs ‘cold reader’ Char interessante figuren van wie nog wat te leren valt. Alles ten dienst van het doel de patiënt zo effectief mogelijk van zijn/haar klachten af te helpen. Daar gaat het toch immers om?

Yaloms voorbeeld wijst op een tweede verschil tussen Eliot/schrijvers en psychologisch hulpverleners. Eliots personages blijven virtuele wezens, voortvloeiend uit haar pen, niet te vergelijken met de levende materie die levende hulpverleners in hun behandelruimte treffen. In die zin is schrijven verwant aan fantaseren, met alle risico van onbewuste zelfonthulling.

Middlemarch laat personages zich in bepaalde opzichten ‘ontwikkelen’. Het is een aanname dat ‘inzicht’ voorwaarde voor die ontwikkeling/verandering is. Maar al is zelfkennis een bijverschijnsel van verandering, dan nog kan het interessant zijn het opdoen ervan te volgen.

Middlemarch geeft hoogstens een reconstructie van het komen tot zelfkennis. De juistheid van die reconstructie blijft, net zoals overigens Yaloms weergave van het succes van pogingen tot gedragsbeïnvloeding, apodictisch. Maar ook op de theoretische verklaringen van experimenteel psychopathologen of therapieonderzoekers valt het nodige af te dingen, meestal pas enkele generaties later. Ze blijken dan armzalige reducties van de werkelijkheid, en in theorievorming en methodologie allerlei culturele vooringenomenheden aanwezig

Derde manier waarop psychologisch hulpverleners van de verteller van Middlemarch verschillen, is in het type verklaring. We kunnen hun theorieën, anders dan die van de verteller van Middlemarch, doorgaans goed begrijpen. Gebruikte begrippen passen bij manieren van kijken die we gewoon zijn of gaan terug op gedeelde vooronderstellingen over mens en wereld – hoewel hier een spanning tussen ‘lekenpsychologie’ en die van de experts (tijdens werktijd) naar voren kan treden.

Vaak genoeg behoeven bij Eliot gesuggereerde beweegredenen van personages geen toelichting. Dan lijkt de verteller terug te grijpen op tijdloze, of in elk geval met ons gedeelde, ‘lekenpsychologie’. Een voorbeeld is de licht ontvlambare Will Ladislaw, die graag indruk zou maken op het object van zijn begeerte:

‘Maar mij mag u toch niet. Ik laat een nare smaak bij u achter.’

‘Dat is helemaal niet waar,’ zei Dorothea, heel open en vriendelijk. ‘Ik mag u heel graag.’

Will was niet helemaal tevreden, want hij dacht dat hij blijkbaar belangrijker zou zijn geweest als ze een hekel aan hem had gehad. (p.243)

De typering door de verteller van het gedrag van mevrouw Cadwallader, als deze, na het mislukken van een koppelpoging, meteen een volgende begint, is daarentegen voor ons weinig verhelderend. ‘Veroorzaking’ en ‘gemotiveerd handelen’ zijn niet helder onderscheiden en alleen in algemene zin met elkaar verbonden, niet via concrete hypothesen of in een model. De vergelijking met telescoop en microscoop versterkt de natuurwetenschappelijke ‘look and feel’. En ‘voedsel’ is een ‘onwetenschappelijke’ term:

De vraag is: waarom zou mevrouw Cadwallader zich in vredesnaam zo druk maken om het huwelijk van juffrouw Brooke en waarom zou ze, nu een verbintenis waarvan ze graag mocht denken dat ze er een handje bij geholpen had, niet doorging, direct voorbereidingen maken voor een andere? (..) Zelfs met een microscoop gericht op een waterdruppel maken we gevolgtrekkingen die weinig subtiel blijken te zijn, want als je door een zwakke lens een wezen ziet dat actief vraatlustig schijnt te zijn, met kleine wezentjes die daar actief op inspelen als waren zij gemagnetiseerde muntjes, dan onthult een sterkere lens het bestaan van zekere piepkleine haartjes die draaikolken veroorzaken waar de slachtoffers in meegesleurd worden, terwijl de eter passief op de ontvangst van zijn klantjes wacht. Op dezelfde manier zou, overdrachtelijk gesproken, een sterke lens die boven de bezigheden van mevrouw Cadwallader werd gehouden, een spel van piepkleine oorzaken en redenen onthullen, die bij wijze van spreken draaikolken van gedachten en woorden produceerden om haar tot het voedsel te brengen dat zij nodig had. (p.65-66)

Vervolgens geeft de verteller de nodige context aan mevrouw Cadwallader. Daarvan maken ‘sterke overtuigingen’ deel uit – ze hecht aan de bestaande standenmaatschappij en haar hekel aan nieuwe rijken noemt Eliot ‘religieus’ (“een soort religieuze haat”, p.68), wat waanachtige ontoegankelijkheid voor argumenten suggereert. Haar ‘natuur’ wordt beschreven in natuurwetenschappelijke termen – “reactief als fosfor” (idem) – maar dat blijft een vergelijking en Eliot maakt ook gebruik van ‘psychologische’ termen zoals ‘karakter’.

‘Karakter’ suggereert duurzaamheid. Van het personage Casaubon wordt gezegd dat hij eigenschappen heeft “vast en onveranderbaar als botten” (p.217) – maar ook dat is een vergelijking en kan uitdrukken dat Casaubon verstokt is in zijn denkwijzen, en verandering bij hem moeilijk. Het ‘karakter’ van de jonge arts Lydgate wordt, in contrast hiermee, dynamisch begrepen: “karakter is ook een proces en iets dat zich ontvouwt” (p.163).

Een typering waarvan de gelaagdheid, het zelfreferentiële, me moeilijk met Spinoza te verbinden lijkt, is die van Rosamond, het mooiste meisje van het dorp, wanneer ze eindelijk Lydgate ontmoet: “Met iedere zenuw, ieder spiertje, reageerde Rosamond op het bewustzijn dat er naar haar gekeken werd. Ze was een geboren actrice in rollen die bij haar uiterlijk pasten; ze acteerde zelfs haar eigen persoonlijkheid en wel zo goed dat ze niet wist dat ze precies zo was” (p.129).

Deze verklaring bevindt zich, om de gekozen terminologie aan te houden, ook op een hoog niveau van organisatie, waarin termen en formuleringen als zelfbewustzijn, zelfmisleiding, ‘veinzen zonder er erg in te hebben’ dan wel ‘samenvallen met wat je meent slechts je masker te zijn’, niet slechts ‘beeldende beschrijvingen’ zijn zonder verklarende kracht, die dan op lagere niveaus van organisatie te vinden zouden zijn.

‘Psychische problemen’ in strikte zin komen in Middlemarch niet voor. Mensen hebben gefnuikte ambities, onjuiste ideeën over zichzelf of anderen maar bijvoorbeeld geen ‘hysterie’, om een negentiende-eeuwse diagnose te nemen. Personages interpreteren de wereld vooral vanuit eigen belangen of preoccupaties en Eliot benadrukt die selectiviteit op een onnadrukkelijke manier, slechts een enkele keer expliciet (“We worden allemaal geboren in morele onnozelheid, waarin we de wereld zien als een uier om ons verheven ego te voeden”, p.230). De (zelf)kennis die de hoofdpersonages opdoen is gekoppeld aan hun liefdesverwikkelingen of aan schadelijke gevolgen van gemaakte keuzen.

Uitzondering, en met enige moeite als ‘psychische ziekte’ op te vatten, is Eliots terloopse beschrijving van gokverslaving:

Die specifieke ziekte waarbij het moment waarop alle zenuwen tot het uiterste gespannen zijn en wachten op de afloop, net zo onontbeerlijk wordt als de borrel voor de dronkaard. (p.255)

Echt moeite krijgt de hedendaagse lezer pas met de verteller en daarachter Eliot wanneer het naturalistische in de roman morele boventonen krijgt. Smith verwees eerder al naar Eliot’s optimisme, dat Smith als een religieus restant lijkt op te vatten maar men ook, met Gatens, kan opvatten als beoogd ‘wetenschappelijk’ gerechtvaardigd.

Voor dat laatste geeft Eliot ook wel aanwijzingen. In de volgende passage houdt ze voor mogelijk dat wat wij als ‘naar jezelf toe redeneren’ zouden opvatten en doorgaans kritiseren, in alle onschuld/oprechtheid gebeuren kan. De juiste omschrijving zou hier waarschijnlijk zijn: ‘Hij kan het niet helpen, het wordt in hem veroorzaakt’. Op dezelfde wijze kan ‘het goede’ dan veroorzaakt worden.

Eliot heeft onmiskenbaar educatieve intenties. De romansituatie vindt plaats even voordat de overtuigingen van betrokkene op de proef worden gesteld. Gelovig bankier Bulstrode overweegt zijn geluk bij hem voor een redelijke prijs toegevallen onroerend goed:

Hij zag het als een bemoedigende beschikking van de voorzienigheid, die wellicht goedkeuring inhield voor een voornemen dat hij al enige tijd koesterde zonder aanmoediging van buitenaf; zo interpreteerde hij de verkoop, hoewel hij niet helemaal overtuigd was en zijn dankgebeden in voorzichtige termen stelde. Zijn twijfels (..) kwamen voort uit de gedachte dat ook deze beschikking misschien bedoeld was als een beproeving voor hemzelf, net zoals de benoeming van mijnheer Farebrother op de predikantsplaats dat duidelijk was.

Dit was niet wat mijnheer Bulstrode tegen iemand zei om hem te misleiden, dit was wat hij tegen zichzelf zei – dit was voor hem net zo’n oprechte manier om gebeurtenissen te verklaren als mogelijke theorieën die u daarvoor gebruikt, mocht u er anders over denken dan hij. Want het egoïsme dat deel uitmaakt van onze theorieën tast hun oprechtheid niet aan, integendeel, hoe meer ons egoïsme bevredigd wordt, hoe sterker ons geloof in de theorie. (p.555-556)

Hier overschrijdt Eliot mijns inziens een grens. Jaloezie, om een voorbeeld te nemen, kan een mens overvallen en in die zin is hij/zij ‘onschuldig’, behept. Maar de aard van de emotie maakt duidelijk – wanneer de jaloezie tenminste op gevoelsniveau wordt herkend – wat het is: een ander iets misgunnen. Zeker kan men onbeseft jaloers zijn en menen objectieve minpunten van een ander aan te dragen. Dan noemt men dat ‘irreflexief’. Maar, en nu praat ik slechts uit eigen ervaring, bij jaloers gedrag hoort een ‘steek’ die men herkent. Men is te gretig met kritiseren. Men wil te nadrukkelijk anderen iets verbieden wat men zelf niet mag. En dat valt ook aan zichzelf op, als derden er al niet op wijzen.

Een ander voorbeeld, verwant aan wat Bulstrode in het voorbeeld doet, is het ‘mechanisme’ van successen aan zichzelf toeschrijven en falen aan anderen. Bulstrode zou in het voorbeeld een variant hiervan kunnen toepassen, met ‘God’ als stoorzender die noopt tot voorzichtigheid. Maar juist hier verdwijnt voor mij de irreflexiviteit uit zijn handelen en daarmee de mogelijkheid hem ‘oprechtheid’ (irreflexieve beheptheid) toe te schrijven. Het is te cerebraal – ‘dankgebeden in voorzichtige termen’ ontlokt ons een lach maar maakt het personage karikatuur.

In de opvatting dat Eliot’s secularisering van religie niet reductief bedoeld is, blijft het ‘religieuze’ ons voor problemen stellen. Welk ‘hogers’ wordt geseculariseerd? Over welk ‘werkingsmechanisme’ hebben we het? Ook het waarheidsprobleem, verwant aan dat van reductonisme, keert terug. Waarheid is geen neurofysiologische of neurobiologische term en soms direct verbonden met ethiek.

Ter illustratie: psychologen Van Kalmthout en Evers kunnen, elk op hun terrein van psychologie, geen genoegen nemen met schijn. Van Kalmthout, psychotherapeut, zet zich uiteen met psychiater Jerome Frank, die de werking van therapie onder andere verklaart uit een door therapeut en cliënt gedeelde kijk op oorzaak en aannemelijke oplossingen van het probleem. De inhoud van de theorie doet er bij Frank niet toe, wat werkt is de overeenstemming en het gedeelde optimisme. Zo een folie à deux kan Van Kalmthout niet verdragen, te meer daar hij zelf de helende werking van authentiek contact ziet.

Placebo-onderzoekster Evers bepleit training van artsen in het vestigen van positieve verwachtingen bij patiënten, maar hun verhaal moet van haar wel zoveel mogelijk gebaseerd zijn op de laatste stand van de wetenschap. Zij heeft moeite met het idee van werkzame fabeltjes of keurt die mogelijkheid op morele gronden af. Haar voorkeur voor gebruik van de beste evidence is niet gebaseerd op het gegeven dat de meeste artsen slechte acteurs zijn en alleen een verhaal waarin ze zelf geloven overtuigend kunnen brengen.

Andere hulpverleners hebben hier echter minder moeite mee. We verwezen al naar de interesse In kringen van cognitieve gedragstherapie voor mentalisten en beoefenaars van ‘cold reading’, zoals eerder in de directieve therapie cursisten al studie van een handboek ‘Hoe stofzuigers aan de deur te verkopen’ werd aanbevolen. De toelichting van een propagandist van cold reading roept de strijd tussen filosofen en sofisten in herinnering:

Het toepassen van een communicatietechniek zonder het juiste gevoel (empathie en oprechtheid) werkt niet.

Empathie en oprechtheid zonder techniek maakt de therapeut niet meer dan een goede buur en is dus weinig professioneel.

Beïnvloeden of manipulatie? Je kunt niet niet-beïnvloeden.

In ‘Two directions for the novel’ is Smith’s kritiek op een dominante vorm van hedendaagse romans meer psychologisch-inhoudelijk gedreven. Smith zet vraagtekens bij hoe de roman Netherland de belevingskwaliteit van het een ‘ik’ zijn, de drijfveren van mensen en de werking van het menselijk geheugen voorstelt. Gekritiseerd wordt in feite hoe zekere literaire verwoordingen impliciet leunen op andere in omloop zijnde teksten – theorieën, ook ‘psychologische’ – waarmee Smith het oneens is. De kritiek:

Is dit werkelijk hoe het voelt, een ‘ik’ te hebben? Zoeken ‘ikken’ uiteindelijk toch altijd wat goed voor ze is? Zijn ze nooit pervers? Willen ze altijd betekenis? (..) Keren onze kinderjaren zo vaak tot ons terug in de vorm van coherente, lyrische dromerijen? (Ik heb mij bedacht, p.105)

– – –

Ondanks de bepleite vormvariatie is vorm in het Eliot-essay niet echt een probleem. Literair schrijven is er in beginsel onthullend, tot een bepaalde vorm te vaak gebruikt wordt. Ook het object van zelfkennis is onproblematisch, doorzichtig, betrekkelijk onafhankelijk van de vorm. Doorzichtig van zichzelf of pas na gebruik van het juist ontleedmes/zoekschema, de correct begrepen Spinoza:

Met een ontleedmes onderzoekt Eliot allerlei gradaties van menselijke neigingen en vindt dan de bewuste handeling verborgen in de opwelling die weer verborgen is in de begeerte, verborgen in de wil die diep is weggestopt in de beslissing die we zelfs voor onszelf vertroebeld hebben. (p.48)

Mij treft de passage als nietszeggend. Meer dan een vaststelling van het weidse gebied tussen blinde paniek, levenslange haat en een weloverwogen schaakzet, kan ik er niet in lezen. Ondanks de suggestie van een minutieuze ontleding van motieven (oorzaken, botsingen) drukt Smith niet veel meer uit dan dat veel menselijk handelen betekenis, zin heeft, en dat ervaring gelaagd kan zijn, waarbij ze ook lijkt te willen zeggen dat ingewikkeldheid eerder regel dan uitzondering is, en misschien erop zinspeelt dat we het normaliter niet voor elkaar krijgen de bewuste handeling verborgen in de opwelling die weer verborgen is in de begeerte, verborgen in de wil die diep is weggestopt in de beslissing die we zelfs voor onszelf vertroebeld hebben helder te krijgen.

Maar als Eliot het kan, dan een ander in beginsel ook. Overigens geloofde Eliot niet in de mogelijkheid van volledige kennis. “We are not capable of thoroughly knowing the nature of ourselves or our actions” haalt Gatens haar aan (36:58 min).

Er is een reddende interpretatie mogelijk. Men kan ‘met een ontleedmes onderzoeken’ corrigeren tot interpreteren. De voorbeelden die Smith voorafgaand aan het citaat geeft zijn alle interpretaties. Aansluitend kan men de eerder bezongen ideale gemoedstoestand “waarin kennis onmiddellijk overgaat in voelen, en voelen weer terugflitst als een nieuwe bron van kennis” opvatten als een romantisch vervormde (want met een onproblematisch in de natuur ingebakken ‘waarheid’) verwijzing naar de hermeneutische cirkel.

Het brengt zelfkennis terug van zekere kennis naar beargumenteerde schatting.

De verteller als sociale beïnvloeder

Goede bedoelingen en integere inborst van zijn/haar schepper ten spijt zal de door Eliot gecreëerde verteller van Middlemarch verteller de lezer toch moeten overtuigen van de juistheid van zijn/haar verklaringen. Het onderricht blijkt deels aanschouwelijk, terwijl het aldus getoonde generlei conclusie dwingend oplegt – nog afgezien van het feit dat het onderricht, omdat ‘ter plekke verzonnen’, gemakkelijk kan worden verweten fictievariant te zijn van ‘naar een conclusie toeschrijven’. Argumenten ontbreken geregeld en beweringen worden door de verteller soms nauwelijks gestaafd. Daarmee verlaat hij/zij zich op een ander ingrediënt van een overtuigend spreker: geloofwaardigheid.

De geloofwaardigheid van de verteller van Middlemarch is moeilijk te bepalen: zij mist individualiteit. We komen niets over hem te weten. Zij is belerend, heeft een groot hart, soms een fijne ironie en sluit zichzelf soms niet uit van de imperfecte mensheid. Soms kan hij gedachten lezen, een andere keer niet, wat haar dan weer menselijk als onszelf maakt.

De verteller lijkt sterfelijk: hij heeft veel in Middlemarch rondgedwaald (“Vergeef me dat ik bij wijze van uitzondering zo in details treed – ze zouden u ook dierbaar zijn als u Caleb Garth had gekend”, p.253). Verder telt zij een “eminent geleerde” onder haar vriendinnen (p.286).

Maar op feilbare trekjes kunnen we de verteller niet betrappen. Hij vertegenwoordigt ons betere ik, lijkt het wel. De wat engelachtige, onpersoonlijke trekken zijn dan behulpzaam – zo kan de verteller ieder’s betere ik zijn en neemt niemand tegen zich in door een opmerking of voorkeur die een persoon verraadt.

Maar die retorische tactiek is weinig overtuigend. Zij mikt erop dat de bespeelde lezer als eigen aanvoelende gelegenheidsverklaringen sneller aanvaardt dan die van anderen. Eliot’s strategie is de lezer influisteren: ‘De ander is eigenlijk net als jij, zoals ook ik’. Die tactiek doorstaat niet hedendaagse toetsing op wetenschappelijkheid.

Maar Zadie Smith komt als essayist niet veel verder.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s