A.M. Homes – May we be forgiven

God zegene de greep of de geneugten van de keukentafel.


De identificatie met drama à la Metro-Goldwyn-Mayer was compleet. Ik voelde ontzag en geluk. Wat houd ik van haar onkritische hart, en hoe hard heb ik het nodig. (..) M. vond het poesje lief en wilde dat ik het ook lief vond. (..) Later, toen we op het station nog wat dronken, vroeg ze of ik dat poesje niet ‘heel leuk’ vond. Ze gebruikt het woord ‘schattig’ niet meer. Wanneer heb ik haar te bang gemaakt om haar eigen woorden te gebruiken? (..) Ik zei (prekerig?) dat God ongetwijfeld wel van poesjes houdt, maar hoogstwaarschijnlijk niet met laarsjes in Technicolor aan hun pootjes. Dat vleugje creativiteit laat hij over aan de tekstschrijvers” – J.D. Salinger, Heft hoog de nokbalk, timmerlieden, p.66

De dag na Kerstmis ging mijn moeder met me naar de bibliotheek. Naast het gebouw was een veldje waar kerstbomen werden verkocht. Ik ging er stiekem heen en sprak de verkoper aan. (..) De boom helde naar één kant over. (..) Het was een onooglijk, schriel ding, een boompje dat niemand wilde hebben. Maar het was mijn boom, mijn Charlie Brown-boom. Ik was er dolgelukkig mee, ik gaf hem water en versierde hem met kartonnen ringen en popcorn aan draadjes. Ondanks mijn goede zorgen ging de boom dood; hij werd bruin en begon uit te vallen. (..) Ik sleepte de boom het huis uit, door de tuin naar de achterkant, en smeet hem de heuvel af. Binnen had mijn moeder de Electrolux al gepakt en zwiepte haar grote toverstaf, de wonderborstel, door de hele gang” – A.M. Homes, De dochter van de minnares, p.74-75

Maar we voelen wel degelijk aan dat de realiteit moeilijker in elkaar zit: dat het Gezin de realiteit vertegenwoordigt waarvan Kerstmis de droom is. (..) Kerstman, help me, want ik geloof dit ook – Zadie Smith, ‘Kerstfeest bij de familie Smith’, in: Ik heb mij bedacht, p.285

I belch. The flavor is overwhelming – Londisizwe’s tea! This is the last of the pain, the foul smell coming out; these thoughts are the path of the old mind needing to be left behind” – A.M. Homes, May we be forgiven, p.447.

Samenvattend oordeel

Onder een bonte verzameling gebeurtenissen preekt Homes een boodschap van tolerantie, waardering voor menselijke verscheidenheid, zorg voor elkaar en mededogen. Hoe deze droom werkelijkheid te maken blijft een raadsel. Wat opschrikkende life-events, een zorgzame inborst, ethische kinderen, lekker eten en een gevulde buidel moeten het werk doen.

De roman kan ook, pesterig, gelezen als jongensboek. De grote mensenzorgen van verteller oom Harry – het ik-tijdperk, Nixon en de teloorgang van de Amerikaanse Droom – leiden af van wat ieder kind wil weten: hoe het afloopt (alsof dat niet goed zou zijn)! Een eigen dorp in Zuid-Afrika; een ontvoering; een medicijnman met een toverdrank en, onweerstaanbaar voor de Carry Slee-liefhebster, een liefdesaffaire van een jong meisje met een oudere vrouw. Aanrader!

Sentimenteel

Homes heeft in haar roman het optimisme opgezocht, vanuit een gevoelde verantwoordelijkheid als moeder: “I want to be more optimistic, I feel like I need to be optimistic, in order to raise a family in the world that we are living in” (interview, na 6.15 min). Ook stelt ze haar optimisme voor alsof gewonnen op een gemakkelijker negativisme: “For me the end was hard-won” (tweet hieronder). Het zich bekennen tot spiritualiteit, ook in de roman, voelt kwetsbaar:

“It was a risk to put myself and those thoughts out there, but I also thought that this mattered a lot to me (..). There’s a section of the book where Harry and his niece and nephew go to South Africa; they are on a spiritual quest. They feel unwanted by their temple, his bar mitzvah is a rite of passage, and that village in South Africa is important. And that is a very moving thing to me.”

Homes-9b

Mij overtuigt de spiritualiteit en het geschetste veranderingstraject niet. Ik vind de roman sentimenteel:

  1. De roman begint weliswaar gewelddadig maar als in een sprookje blijven goed en kwaad in de rest van het verhaal helder van elkaar gescheiden. Het kwaad verdwijnt achter slot en grendel of is te ontlopen (GGZ-professionals, biologische familie). ‘Menselijkheid’ – en dat bedoel ik schamper, als vormeloze blob, betekenissen bestrijkend van een consumentistisch ‘relax een beetje’ tot en met een vaag seculier-spiritueel humanisme – overwint.
  2. Hoofdpersonen Nate en Ashley zijn modelkinderen: beleefd, getalenteerd, open en waarachtig. Ze hebben zorg voor hun naasten. Homes stelt het voor alsof dit de natuurlijke menselijke aanleg is, in een impliciet contrast met twee door hun opvoeding ‘verpeste’ neefjes.
  3. Hoofdpersoon Harry, zijn neef en nicht Nate en Ashley, de wees Ricardo en de twee dementerende ouderen die zich later bij hun huishouden voegen zijn aan het begin van de roman verdrietig of berooid maar gaan in een rechte lijn vooruit. Rouw en opbloei zijn daarbij niet goed gescheiden. Hun onderlinge omgang is harmonieus. Verveling komt in hun huis niet voor, ook voor de tv hangen gebeurt verantwoord. Plezierige bijkomstigheid: aan geld is geen gebrek. Alle kinderwensen worden vervuld.

Vierde element van gevoelsonzuiverheid is de wraakfantasie die mijns inziens aan de roman ten grondslag ligt. De misfits van cultureel-conservatief Amerika verslaan de vijand in eigen huis: op het terrein van het gezinsleven.

Homes-8

Al in het autobiografische De dochter van de minnares gebruikte Homes een wraakfantasie. Wanneer haar biologische vader niet reageert op redelijke verzoeken tot medewerking, verzint Homes een rechtszaak. Onder ede wordt hem zijn morele falen, en de schade zijn dochter en minnares berokkend, via een lange reeks pijnlijke vragen ingewreven.

Ik las De dochter van de minnares aansluitend op May we be forgiven. Daarna herkende ik met terugwerkende kracht ook in de roman trekken van een herstelfantasie. Bij eerste lezing vielen me vooral de culturele ‘misfit’-elementen op, de zoon die breit, de seksbeluste vrouw die ‘toch’ heel sociaal is en de dementerende vrouw die gevoelens voor een andere vrouw ontwikkelt/toelaat. Nu bespeurde ik ook de wens een gevoelde ‘biologische’ misfit te corrigeren. Door een ongewoon samengesteld Amerikaans gezin idyllisch voor te stellen ‘bewijst’ Homes de mogelijkheid van harmonie ondanks ontbrekende bloedband.

Bahara-4

Het opklimmen uit het dal van de verweesde individuen in May we be forgiven, culminerend in een gezin zonder wanklanken, lijkt een herneming van Homes’ gevoel bij haar jong gezin, op het eind van De dochter van de minnares:

Het is maar een tafel, een houten meubelstuk, maar het is een prachtige, voortdurende herinnering aan de kunst van het leven, de noodzaak de samenhang in het oog te houden. (..) Hier verzamelt zich in het weekend mijn jonge gezin – mijn dochtertje maakt hier haar tekeningen en we versieren samen de koekjes die we hebben gebakken. (..) Nu zit ik op de plaats van mijn [niet-biologische] grootmoeder naar mijn dochter te kijken, die op mijn oude plekje zit, links van me. Ik kijk naar het kleine meisje dat me meer dan wie ook aan mijn grootmoeder doet denken. Ze heeft dezelfde gezichtsuitdrukkingen, dezelfde gebaren, dezelfde compassie in haar oordelen. Ik ben getuige van (..) het zelfvertrouwen waarmee ze alles tegemoet treedt (p.213-214).

Grunberg - Voetnoot Joy.Maar ook die beschrijving ontspoort mijns inziens reeds. Een kind kan een bron van vreugde zijn, zoals Grunberg Zadie Smith bijvalt (zie Voetnoot). Sentimenteel vind ik niet het benadrukken van de vreugden van het gezin in een zoektocht naar verbondenheid na 11 september 2001, maar wel het benadrukken van de overeenkom- sten van haar dochter met haar niet-biologische grootmoeder.

Net zoals het volwassenen haast ten voorbeeld stellen van het zelfvertrouwen van een hummel die nog nauwelijks aan de wereld is blootgesteld. Dat is als het loven van de Boeddha die nog niet het paleis uit is geweest. Doorsnee-ouders loven niet de lenigheid en plasticiteit van hun jonge kind. Ze beseffen dat die algemeen is onder jonge kinderen. Daar komt bij dat het zelfvertrouwen van haar dochter geen natuurlijk gegeven of prestatie is maar afhankelijk van het ontvangen van adequate zorg. Ieder kind is sociaal-emotioneel afhankelijk en kan al op jonge leeftijd met het juiste gebrek aan zorg behoorlijk gebroken worden.

Eén anekdote in May we be forgiven roept een herstelfantasie in negatief op, door de luchthartigheid waarmee erin over het verlaten van je ouders wordt gesproken. Gevangen genomen door een tien- en dertienjarige broer en zus die van hun ouders geen aandacht krijgen, adviseert Harry: “What about offering your parents a Get Out of Jail Free card? Offer them their freedom and ask them to give you up for adoption? Do you know how many people would love to have housebroken – I mean potty-trained – white, English-speaking children?”. “Wow, I never thought of that,” the girl says”. (..) “Maybe you could adopt us,” the boy says (p.91).

Bahara-5

De aangehaalde anekdote geeft een goede indruk van het type humor waarmee Homes de roman lardeert. De afwisseling van ernst en humor is belangrijk voor haar (2.43 min). Het leven is absurd en ernst alleen belast de arme lezer te zeer:

[Interviewer:] It is a remarkable feat to allow room for the reader to be engaged in a story but not let that reader know if the author is skewering [scherp kritiseren] or celebrating a character (..).

“[The question of] am I making fun or being serious is a valid one,” Homes said. “Here, I’m celebrating it but I want to find the comedy and the absurdity in it. But I’m not mocking it. The absurdity is part of our experience. It’s easier to be serious if you’re also funny. If it’s written straight with no wink, it would be just a lot.”

Tweede vingerwijzing naar een herstelfantasie is de mededeling, aan het begin van de roman, dat Nate en Ashley betrekkelijk vroeg door hun moeder naar kostschool zijn gestuurd vanwege het onmogelijk gedrag van hun vader (p.2). Nate prefereert de kostschool boven thuis wonen (p.137), al zegt hij dat op het moment dat alleen voogd Harry nog in zijn ouderlijk huis woont. Soms is een kostschool te verkiezen boven het biologisch gezin.

Bahara-7
GV-1aGV-2

Humanisme van de individuele nietigheid

Een tweede mogelijke verklaring voor de ‘onrealistische’ harmonie in May we be forgiven is een humanisme van de individuele nietigheid. Een grotere belangstelling voor anderen en mildheid vloeien voort uit een relativering van de eigen importantie en een besef van ieders onvolmaaktheid.

Harry en zijn gezinsleden belichamen dit ideaal. De beginnende dementie van de oudere huisgenoten (overigens lijdt ook Harry’s moeder eraan) is in dat verband goed gekozen. Dementie ontremt, betrokkenen vertonen de romantiek van hervonden natuurlijke grilligheid en lustvolheid – hervonden na het afwerpen van beknellende conventies. Maar dementie toont de mens ook in zijn kwetsbaarheid en daarmee de noodzaak van zorg voor elkaar.

Van dat besef getuigt ook De dochter van de minnares, onverzoend naast een soms sterke fixatie op het belang van genetische verwantschap, waarbij Homes paranormale hypothesen niet schuwt. In dat boek heeft het sentiment trekken van een onpersoonlijk boeddhistisch mededogen. De boodschap wordt vertroebeld door het tevens voorkomen van vele andere emoties en verklaringen/hypothesen, soms van de korte baan. Zo staat Homes er bijvoorbeeld op om, naast het verslag van haar genealogische naspeuringen, het verhaal van enkele onbekende niet-familieleden op te nemen. Het is bedoeld als eerbetoon. Die verhalen zijn echter zo summier, dat de zinvolheid van de actie me ontgaat. En al had ze hun geschiedenis in detail verteld, dan nog blijft het iets belachelijks houden: hoevelen zullen het boek van Homes lezen? Ik kocht haar boek bij De Slegte – is dat nog steeds een eerbetoon aan de namelozen? De tijd is niet stil te zetten:

Of Magdaline, William en hun zoon Howard, of Bernhard of Henry familie van me zijn of niet, ze zijn allemaal aan elkaar verwant door hun menselijkheid en door de verhalen die deze dossiers vertellen, en het is allemaal even krankzinnig. Ik vertel hun verhaal hier omdat ik de gedachte niet kan verdragen dat ze vergeten zouden worden (p.167).

Een zelfde indruk van ontsporende betrokkenheid wekt Homes’ langzaam doorbladeren van microfilms in het New Yorks gemeentearchief: “Ik wil ze niet snel doorspoelen, (..) vanwege het gevoel dat ze allemaal recht hebben op een bezoeker, het recht hebben gezien te worden” (p.141). Als voorbeeld van een waarom-moet-ik-dit-weten bijzonder gevoel: Homes is ervan overtuigd dat ergens op deze aardbol een biologisch familielid van haar rondloopt dat Henry heet (p.165).

Maar onder en naast die oprispingen, meen ik, klinkt het besef door dat al die individuen uiteindelijk, net als wij, statistieken worden, vergeten raken.

buigende zen-boeddhist

Dit humanisme van de nietigheid vinden we in May we be forgiven in het motto, opgenomen aan begin en eind, en naar strekking verwant aan de Widoej tijdens het religieus-joodse Jom Kipoer. Het motto kan gelezen als magische bezwering, gebed, oproep tot psychotherapie of boeddhistische buiging. In de eerste versie is de subtekst mijns inziens “Ik verkloot mijn leven”, op het eind zijn juist die woorden verwijderd en houdt men een religieuzer aandoend afroepen van absolutie over (“May we be forgiven; it is a prayer, an incantation. May We Be Forgiven”).

Door het ontbreken van een verankerd ritueel waarin de bezwering past, blijven de woorden mijns inziens in de lucht hangen, als de preek van een dominee zonder gemeente, iemand die tegen zichzelf praat, flessenpost. “Tegen zichzelf praten” is de betekenis die het overeenkomstig ritueel op Jom Kipoer voor Homes zelf heeft:

I personally have always been interested in religious life, spiritual life and in belief,” Homes said as our eggs, steamed and piled high, arrived. “And then, watching the events of 9/11 from my window, seeing for the first time my reality, my very groundedness, so disrupted by something I could never imagine, made me think about our responsibility and our relatedness to each other. I went to the Javits Center for Yom Kippur services, a place where everyone can go to and you don’t need a ticket, and there were thousands of people. The rabbi talked about our relationship to each other, to the larger world, and how to handle dissent. The Jewish religion talks a lot about how it’s not just the individual, it’s the community. I think about Yom Kippur, how you’re asking God for forgiveness but you’re also asking other people for forgiveness. ‘May I be forgiven?’ we ask. I find that service particularly moving… I like asking for that forgiveness. You are talking to yourself about what you might have done differently.

Het Javits Center is de thuisbasis van CBST, een organisatie van religieus-joodse homoseksuelen:
Through the Open Door fund, created in response to the historic exclusion of gays and lesbians from participating openly in most Jewish communities, CBST dispenses with the standard admission fees required to attend these important services. As a result, thousands, including some of the most notable New Yorkers, celebrate the High Holy Days with CBST at our various venues. Many of our members first came to CBST through the Open Door“.

“We are an unaffiliated, non-denominational synagogue for lesbian and gay and bisexual and transgender Jews. This is where we began, this is who we are, and this is what is and must always be the cornerstone of all our work. Yet the spirit of CBST attracts heterosexuals and non-Jewish people to our congregation as well. We welcome them in the same way we welcome everyone else: whatever your sexual orientation and whatever your relationship to Judaism, you are welcome to join our community”, aldus rabbijn
Sharon Kleinbaum
, gerekend tot een van de vijftig meest invloedrijke rabbijnen in de VS, tevens activiste voor LGBT-rechten, in 1999. Over het soort beoefende spiritualiteit zegt ze:

I believe in cosmic influences: I believe that we influence the cosmos, that we influence the world. I believe that what you do, what I do, what we do, matters; our lives, our actions, our words, even our thoughts can make a difference. I believe that we are all here – every one of us- for the sake of what we can do together. Together, we can change the world.

Hoewel ‘in het reine komen met jezelf’ niet los staat van zelfkennis – inzicht in je eigen feilbaarheid kan leiden tot mildheid voor jezelf én anderen – legt de tweede versie van de bezwering in de roman niet de nadruk op het eventueel moeizame werk van soulsearching, van zelfkennis verwerven. De vergiffenis lijkt om niet en onverdiend. ‘May we be forgiven’ leest als ‘Moge men het ons niet euvel duiden’. Een vaag iets of iemand moet absolutie geven, de ‘genade’ van het christendom.

Ik benadruk dit vanwege, en vooruitlopend op, het raadsel van Harry’s verandering.

Homes combineert een christelijke en joodse opvatting van vergiffenis en laboreert aan een christelijke opvatting van bovennatuurlijk heil. Zo kritiseert de (ook religieus) joodse filosoof Levinas het christendom:

Het christendom is utopisch in de slechte zin van het woord. Het weigert de verantwoordelijkheid op de concrete plaats waar men gesteld is en droomt van een totale verandering van de wereld. Maar wie alles wil redden, redt niets. Het geloof dat bergen verzet is magisch. (Theo de Boer, Tussen filosofie en profetie. De wijsbegeerte van Emmanuel Levinas, p.90)

Bij Levinas kunnen alleen degenen die je leed berokkend hebt je vergeven. God respecteert de mens en zichzelf te zeer om zich voor deze outsourcing te lenen (id, p.89). Homes, die al eerder toonde veel goden te dienen, combineert deze opvatting van vergeving met die van Widoej of Kol Nidré als “talking to yourself”.

Bij Homes is het ritueel mijns inziens allereerst heilzaam, niet kwalitatief verschillend van de waarde van lekker eten voor de personages in de roman: “I like the idea of ritual – it keeps us sane when all else is out of control” (hieronder).

Homes-12

De eerste variant van het motto in de roman mist de sereniteit van de tweede en leest als de ene ex-alcoholicus tot de andere (“ex-” omdat het vraagteken ontbreekt en de tekst terugblikt):

 “May we be forgiven,” an incantation, a prayer, the hope that somehow I come out of this alive. Was there ever a time you thought – I am doing this on purpose, I am fucking up and I don’t know why.

De wijziging die het motto ondergaat, en de plaatsing aan begin en eind van de roman, suggereert dat verteller Harry van “fucked up” verandert in een mildere, meer humane man.

Ook Ashley raakt bevangen door de schuldbelijdenisdienst tijdens Jom Kipoer. Wat is de mens slecht! Harry legt uit: mensen zijn menselijk. Hoezeer we ons best eventueel ook doen, we falen altijd – Harry sluit ‘jezelf schade berokkenen’ hierbij in. Het is teveel voor Ashley: “She starts to cry. “It’s just so terrible,” she says. “Which part?” I ask. “Being human.” ” (p.465).

Ethische kinderen

Verwant aan dit humanisme van de nietigheid is de zorgzaamheid van sommige romanpersonages. Ik smokkelde zorgzaamheid boven al de definitie van ‘humanisme van de individuele nietigheid’ binnen, door dat humanisme onder andere te laten ontspringen aan een besef van en begrip voor ieders onvolmaaktheid.

Die zinsnede verwijst naar tot inzicht gekomen volwassenen. In de roman zetten de kinderen Nate en Ashley echter de toon, reagerend vanuit een zuiver gevoel en met een directheid die positief afsteekt tegenover bijvoorbeeld de werkelijkheidsontkenning door hun familie van moederszijde.

Een vroeg voorbeeld van zorg: als Harry en de kinderen grootmoeder bezoeken, stoppen ze op verzoek van de kinderen onderweg om een plant te kopen: “I think it’s good to bring something you can leave behind, so it looks like someone cares about her” (p.56) aldus Ashley, in een scherpe zin van Homes. Het overleg over en uitzoeken van een passende plant neemt twintig minuten.

Nate geeft ook anderszins het voorbeeld. Redden veel kinderen van zijn leeftijd bij voorkeur dieren, Nate heeft samen met dorpelingen een school in Zuid-Afrika gebouwd en een waterzuiveringsinstallatie aangelegd. Het zet hem aan tot opwekkende gedachten:

The real question is, if a kid can do it, why can’t others? There’s no reason the world is in as bad shape as it is, except that people are so fucking passive and immobile and focussed on what can’t happen instead of what can.” (p.145)

Harry is onder de indruk: “Everything he says is not only true, it is logical, well considered, articulate, persuasive. (..) I am falling in love with Nate; he’s the boy I wish I had been, the boy I wish I was even now. I’m in awe of him and terrified. He’s more capable than any of the rest of us and yet he’s still a kid” (p.145-146). Het is een idealisme van de wil en ook rabbijn Kleinbaum is te herkennen, in praktisch-idealistische vorm. Maar het meest roepen deze kinderen de wereld van Salinger op, waarbij ze ergens tussen de poezelig zuivere maar niet geheel van kwaad gespeende kleine kinderen van de Nine Stories en Phoebe uit Catcher in the rye in zitten, aan de ene kant, en Holden Caulfield. Het werk van Salinger is meer een zwanezang, waarbij de zuiverheid van het paradijs opgeroepen wordt terwijl de erfzonde (ouder worden) al is begaan en we ons van het Paradijs weg bewegen. Bij Homes blijft de zuiverheid intact. Maar net zomin als Salinger weet zij deze lezer te overtuigen van het zijn van een benijdenswaardig alternatief van deze zuiverheid voor onzuivere volwassenheid.

Harry’s verandering

Laatste ‘fantastisch’ element van de roman is Harry’s verandering ten goede. Homes noemt May we be forgiven een “midlife coming-of-age novel” (in interview na 2.15 min en hier) en vindt Harry “all selfreflection and examination” (tweet hieronder). Ik weet niet of ze daarmee wil zeggen dat zelfreflectie en zelfbewustzijn noodzakelijk, voorwaarde voor verandering zijn (dat kan een verandering zijn die sluipenderwijs gaat en zich opbouwt tot een zelfbewustzijn). Het latere “besluiten nemen” lijkt zelfbewustzijn als noodzakelijk te veronderstellen. Misschien passief/spelenderwijs opgebouwd, geeft betrokkene er op een gegeven moment sturing aan, wil het de naam ‘verandering’ verdienen.

Tijdens het schrijven vreesde Homes een tijd dat het slecht met Harry zou aflopen. Ze vroeg zich toen af:  “What will it take in this character’s life for things to turn out differently?” (9.30 min).

Homes-7a

Mijn beste poging tot realistische, dat wil zeggen: voor mij aannemelijke, verklaring: (1) op een bepaalde manier berooid bij aanvang van de roman; (2) mede door de schok van de heftige gebeurtenissen; (3) vanuit een zeker contact met hoe hij zelf als kind was en (4) uit een altijd al aanwezige zorgzaamheid, kan Harry zich in de kinderen van zijn broer verplaatsen als hij ze ontmoet/opvangt nadat hun vader en moeder uit beeld zijn, maakt hij empathische keuzes en zorgt voor ze (geeft ouderlijk advies, begeleidt, heeft aandacht). Van daaruit ontwikkelt zijn relatie met de kinderen zich en ontwikkelt hij zich ook zelf.

Over Harry’s zorgzaamheid: we treffen hem aan, in de eerste scène van de roman, terwijl hij, als enige, zijn schoonzus helpt bij het afruimen van het Thanksgivingdiner. De overige aanwezigen, zo’n twintig tot dertig in totaal, hangen aan de lippen van gastheer (tevens werkgever van menig toehoorder) George.

In het overleg met de familie van zijn schoonzus over de vraag waar Nate en Ashley moeten worden ondergebracht, werpt die familie vooral obstakels op en redeneert vanuit zichzelf. Harry verplaatst zich in zijn neef en nicht en brengt in: “The children need to be in their own home” (p.33). Ook past hij ervoor ze “mentally disturbed” te verklaren (p.32).

Over Harry’s berooidheid: wekenlang springt een erectie op als hij de vrouw ontmoet die hem een aangenaam incident op het Thanksgivingdiner bezorgt. En als hij voor het eerst terugkeert naar zijn flat, na de heftige gebeurtenissen, ziet die er uit alsof hij een decennium is weg geweest. Maar “Still I am grateful to be in a place where everything is familiar” (p.29). Harry’s geregeld bestaan lijkt wat ondergestoft.

Over Harry’s contact met hoe hij als kind was: als de kinderen, vers uit kostschool, zich klaarmaken voor hun eerste bezoek aan het ziekenhuis, herinnert Harry zich hoe zijn oom hem, toen hij klein was, eens de deur uitduwde, de knokkels in zijn rug (“It still hurts”). Daarom zegt Harry tegen de kinderen: “Take your time” (p.34). Even later, lopend naar de ingang van het ziekenhuis, legt Ashley voor het eerst haar hand in de zijne.

Verder is Harry in rivaliteit opgegroeid met zijn broer George, een dynamiek die in de verte aan Jacob en Ezau doet denken. Omdat George met zuurstoftekort ter wereld kwam, en in het begin ziekelijk was, werd hij als kind verwend (volgens Harry, p.1). Later is hij het officiële succes van de familie. Harry weet uit eigen ervaring hoe het is om over het hoofd gezien te worden. Een zekere empathie met de underdog is van daaruit te verwachten.

Heb ik moeite met het proces van transformatie, uitgevers lijken moeite te hebben de mate/diepgang van de veranderingen in te schatten. Vermeld het omslag van mijn Granta-uitgave voorzichtig “touching portrait of how one deeply fractured family might begin to put itself back together”, een andere pakt uit: “May We Be Forgiven (..)  speaks above all to the power of personal transformation”.

Homes-13

Harry’s eerste serieuze zelfreflectie is op bladzijde 101. We volgen hem dan zo’n twee weken. Inmiddels woont hij in het huis van zijn broer en is voogd van zijn neef en nicht, net weer naar hun kostschool vertrokken. Insectenverdelgers verdrijven hem uit huis. Hij belandt, met de meegenomen hond, in een park, waarna, na een bescheiden epifanie met (al weer) lucht in een hoofdrol (“I throw my head back, the sky opens up, filling my vision, blue, rich bright super-blue with thick white clouds, clouds of perfection, and for a moment all is beyond perfect, it is divine”) een “doorbraak” volgt:

Something comes over me. It’s not exactly an anxiety attack but more a cloud, a heavy, dark cloud, all the more threatening because the sky is perfectly clear. (..) I’m sunk. Flat out in the grass, feeling the depth of it all, and maybe it’s always been there. If pressed, I’d say I know that: I know I did all kinds of tricks and turns and fancy maneuvers to buffer myself, to puff myself up, to simply fucking survive. But now I’m feeling it, I’m feeling what it was like a thousand years ago in my parents’ house – maybe my five minutes on the swing loosened something, but it’s all coming back like a kind of psychic tidal wave, and there’s a bad taste in my mouth, metallic and steely, and I’m feeling how much everyone in my family hated each other, how little we actually cared for or respected anyone but ourselves. I’m feeling how profoundly my family disappointed me and in the end how I retreated, how I became nothing, because that was much less risky than attempting to be something, to be anything in the face of such contempt. (p.103)

“If pressed” – maar aangezien Harry met psychotherapeut, geestelijk verzorger noch vriendinnen over zichzelf spreekt, prest niemand hem. Harry voelt eindelijk wat hij altijd wel wist dat er te voelen viel maar niet toelaten wilde. Het gevoel bevat zijn eigen waarheid.

Aansluitend op deze “donkere wolk” volgt een intense huilbui:

I am sobbing, wailing, crying so deep, so hard, it is the cry of a lifetime; I am bellowing. The dog comes to me, licks my face, my ears, tries to get me to stop, but I can’t stop, I have just begun. It is as though I wil cry like this for years (p.103) [hij stopt overigens zonder moeite als een politieagent hem aanspreekt]

En dan benoemt Harry wat hem, meent hij, doet huilen – hij heeft al die jaren nondescript geleefd, “a truly average Joe” – en maakt het af met wat ook lijkt op een zelfverwijt: “I’m as much a murderer [van zichzelf?]”.

Is dit realistisch/overtuigend? Komrij had ooit het beeld van een man die zo lang een masker had gedragen dat, toen hij het verwijderen wilde, het met zijn gezicht vergroeid was. Net zo kan men zich afvragen of  ‘de waarheid’, wanneer zo lang weggedrukt, ‘in reinstaat’ ligt te wachten op bewustwording, wanneer Harry, ‘if pressed’ door zichzelf, in de spiegel kijkt.

Zelfmisleiding dient een psychologisch doel; opheffen ervan heeft een prijs (leert mijn ‘psychologie’): het toelaten van pijn, van datgene waarvoor men de zelfmisleiding verkoos. Waarom Harry daar en dan plots bereid is, blijft onduidelijk. Boven suggereerde ik dat een combinatie van de schok van de heftige gebeurtenissen, een behouden contact met hoe hij als kind was en een reeds aanwezige zorgzaamheid Harry in beweging zetten. De afhankelijkheid, zorg en eerlijkheid van zijn neef en nicht kunnen herinneringen aan zijn eigen jeugd losmaken. Maar is dat ‘voldoende’ reden voor de doorbraak? Ik vind hem nogal snel plaatsvinden, zonder aanwijzingen dat, voor aanvang van het verhaal, dingen zich opgebouwd hadden.

En gesteld dat Harry hier de schellen van de ogen vallen, is hij dan gedwongen, wil deze verklaring van zijn verandering aannemelijk blijven, zijn leven daarna anders in te richten? Moet bovenstaand diep inzicht gevolgen hebben wil het meer dan literaire emo-tv zijn?

In boeddhistische meditatie is vergroten van de diepte van gewaarzijn belangrijk middel en doel. Verandering op zo’n manier zou nog het beste passen bij de vertelwijze van de roman, als een serie van incidenten. Maar Harry mediteert niet. In een interview over de roman suggereert Homes dat mensen (zelfbewust) besluiten hun leven over een andere boeg te gooien: “I really spent a lot of time thinking about the way people make decisions about what they’re gonna do with their time here” (9.35 min).

Harry denkt niet, niet in de zin van zelfreflectie. Vanuit het personage geredeneerd is dat vreemd. Harry is intellectueel, bezig met een biografie van Richard Nixon, en op de hoogte van de Amerikaanse letterkunde van deze eeuw. De roman bevat situaties waarin Harry een literair auteur te binnen schiet maar nauwelijks gebeurtenissen die herinneringen uit zijn eigen leven losmaken. Ook gepieker of positief fantaseren ontbreken.

Overbewuste (quasi-)intellectuele personages, van wie elke handeling goed gemotiveerd is en als het ware na intern beraad ondernomen wordt, als het er al van komt, zijn het ene uiterste maar de weergave in dit boek neigt naar het andere. Mijns inziens is Harry op het eind wel ontspannener maar zijn verhaal van zichzelf is niet merkbaar veranderd. Zijn Nixon-biografie is nog steeds niet af, wel is een ander Nixon-project, hem in de schoot geworpen, tot een goed einde gebracht.

Een tijdje later, overnachtend in een B&B:

In this tiny bed, this tiny room, I have a moment of clarity. I am a grown man who has hardly grown. I am like Oskar in The Thin Drum, refusing to grow (p.151)

Ook dit inzicht valt Harry als een rijpe appel toe – hoogstens is de aanleiding het deprimerend gevoel dat de jonge, veelbelovende lichting van Nate en zijn medescholieren eraan komt (p.142) en een vaag besef dat hij, met zijn broer, gevangen zit in een ‘alleen winnen is belangrijk/over mijn lijk’-mentaliteit (George als de killer, Harry als degeen die al geen poging meer doet). De aanblik van Nate op het sport- en familieweekend van zijn peperdure elitekostschool is in beide gevallen de aanleiding.

Dit lijkt meer op ‘sociaal vergelijken’ dan op een na rijping dagend inzicht. Het inzicht zet Harry ook niet aan tot iets, net zomin als Harry’s eerste doorbraak veel veranderde. Harry sliep daarna voor het eerst van zijn leven in de achtertuin maar dat kan ook anderszins verklaard: het huis stonk naar insecticide en de kat had net de auto ondergepist en Harry de boel schoongemaakt (in deze roman gebeurt erg veel). Harry’s begeleidende gedachte – “What’s the problem? I have nothing to fear – in fact, I have become the guy they’re scared of” (p.107) kan men zowel lezen als uiting van berooidheid als van gewonnen vrijheid.

Harry definieert zich negatief (“hardly grown”) of maakt zich los van een eerdere zelfdefinitie maar een nieuwe komt er niet voor in de plaats. Zoiets is alleen te rijmen met een opvatting dat een of andere onderdrukte ‘natuurlijkheid’ het overneemt (het zuivere kind) zodra Harry zich ‘ontspant’.

Engelen-1
Engelen-2

Met enige moeite kan men, vanuit de voorkennis dat Homes mediteert en wie ze daarbij leest, een boeddhistische verklaring voor Harry’s verandering bedenken. In het begin wordt Harry als een boksbal, slapstickfiguur, vooral fysiek heen en weer geslingerd door de schokkende gebeurtenissen. Maar ze doen hem zich ook ‘spontaan/instinctief’ meer verlaten op zijn glimlachende Boeddhanatuur, onbewogen oog van de storm. Harry leert ‘meegaan met de stroom’, de kwaliteit van zijn gewaarzijn gaat vooruit, de “bliss” van bestaan ervaren zijn personages meer.

Maar mogelijk maak ik teveel van de toevallige omstandigheid dat Homes in november een boeddhistisch psychiater ontmoette en enkele dagen later in een NRC-interview naar hem verwees. Toch doet de weergave van Homes daaraan nog het meest denken: leven vanuit het moment en ‘denken met het achterhoofd’. Momenten van helderheid worden niet ingelijst of als bijzondere waarheid over het ik geëerd maar losgelaten.

Voor zijn ‘doorbraak’ heeft Harry enkele van zulke momenten:

  • In de gang van een locatie bedekt met spiegelende tegels: “My reflection splits into many pieces, and I wonder if it’s a “magic mirror” somehow empowered to display my internal state” (p.52). Vergelijk je deze scène met een vergelijkbare van Zadie Smith in NW, valt het intellectualistische, gezochte van Homes’ scène op: “A car with tinted windows rolled by. It took a moment to put together the fearful child in the passing reflection with what he knew of his own face”. 
  • De accountant van zijn broer verzekert Harry dat diens financiën in orde zijn. Afsluitend volgt een mannelijke omhelzing: “I’m here for you and the children”. “Inexplicably, my eyes fill with tears”, aldus Harry, waarna een grapje van Homes de emotie de pas afsnijdt (p.53).
  • Met het huis voor zichzelf bedenkt Harry dat hij zijn Nixon-biografie als Project heeft en krijgt subiet een angstaanval, “the world is coming to an end”, en haast zich het huis uit naar een bibliotheek (p.59). Zijn volgende college over Nixon geeft hij met nieuw elan (“I leave energized”, p.65).
  • Harry voelt behoefte een rabbijn te raadplegen (“I’m in need of counsel”). De door hem opgegeven reden – “I have suffered a recent loss” – kan slechts bedoeld zijn om voorbij de receptioniste te komen. Ook nu sluit een grap deze anekdote van een falende contactpoging af  (p.71-72). De scène herhaalt zich later in een kerk. Opnieuw “seeking counsel” wil hij een gespreksbijeenkomst bijwonen. De voor de kerk geparkeerde auto’s en binnen ontstoken lichten verbreiden sfeer, “a feeling of warmth and welcome emanates” (p.98) maar opnieuw wordt hij afgewezen, in wat lijkt op een nieuwe op de lezer gerichte grap.
  • Harry heeft plots zin in seksdates (“Why have I never done this before?”, p.81). Maar de volgende avond al noemt hij zich on line “the Lonely Professor” en verraadt behoefte aan gezelschap: “I am at it again, craving something, thinking it would be nice to have someone to share my wonton soup with”. Hij zet de volgende advertentie: “Home Alone – Westchester Man Seeks Play Mate; tired soul craving nourishment – meet me for a smoothie, my treat. NSA” (p.83-84, over het belang van eten in de roman zo meer).
  • Ontsnapt aan zijn gevangenschap door eerdergenoemde jonge broer en zus, trillen in de auto zijn benen onbedaarlijk: “I am a wreck” (p.93).
  • Vlak voor de epifanie en eerste doorbraak schommelt Harry in het park, “to prove I still have the possibility of play left in me”. Het leidt, na de epifanie, tot een reflectie dat zijn eigen familie ‘spelen’ door kinderen als tijdverspilling zag. Het moest in gestolen tijd gebeuren.

Ook hier belijdt Homes een syncretisme en is van vele markten thuis: bewuste besluiten, kopjes thee en verandering-the-buddha-way staan vredig naast elkaar.

Eten

Dubbelzinnige rol in de roman hebben het lichaam en zijn lusten en, daarmee verwant, eten. Harry krijgt zijn eerste onverwachte kus, climax van de eerste scène van het boek, met zijn hand in het hol van de feestkalkoen, nadat hij eerst van de inhoud gegeten heeft. Het eten van dieren wordt dubbelzinnig beschreven (misschien zinspeling op Wallace’s beroemde kreeften-essay):

The turkey (..) had been rubbed, relaxed, herbed into submission, into thinking it wasn’t so bad to be decapitated, to be stuffed up the ass with breadcrumbs and cranberries in some annual rite (p.3).

Dan nadert de vrouw in kwestie:

My fingers were deep in the bird, the hollow body still warm, the best bits of stuffing packed in (..) She looked at me – my mouth moist, greasy, my fingers curled into into what would have been the turkey’s g-spot if they had such things (p.3).

Ook elders doet de roman moeite ons erop te wijzen dat ons ‘lekker stukje vlees’ (Gerda Verburg) ‘dood dier’ is. Het begint er al mee dat Harry, op dag 2 of 3 van de roman, moeilijk doet over een rijstkorrel: hij denkt dat het een worm is. De volgende dag, in het ziekenhuisrestaurant, komt hij erop terug:

I eat thinking of the “worm” in the Chinese food, of the way the man at the deli near my apartment says “tomato lice.” I eat picturing the pot of soup on my mother’s stove, soup that formed a membranous skin across the top as it cooled, and how she would obliviously serve me that stringy clot, which I always ate imagining that it was really blood (p.22).

Een jaar en een Thanksgivingdiner later, vlak voor de afsluitende bezwering, krijgt Harry nog steeds een erectie als hij aan de vrouw denkt (“Still the thought of Jane fills me with heat. I feel myself rise to the occasion”, p.480) en hebben Harry en de kinderen zich meer dan vol gegeten. Ook op andere plekken in de roman wordt verrukkelijk eten uitgelicht, inclusief fastfood en zoeternij. Zelfs slaat Harry de wijze lessen van Oprah Winfrey in de wind en legt bij Nate de basis voor emotioneel eten. Is Nate van slag (“almost hysterical”) door wat iedereen op internet over zijn vader beweert, zegt Harry: “Do you want some ice cream?” (p.47). En in zijn oproep op de seksdatingsite verbindt Harry verlangen naar gezelschap met eten: “Tired soul craving nourishment – meet me for a smoothie”.

Ik ontdek verschillende betekenislagen: eten als wijzend op eindigheid; eten als lof van de aarde, gekant tegen geluk in het hiernamaals en ascetendom; maar ook oppervlakkigheid, een banaal ‘ophemelen’ van het genot van de smaakpapillen – waarbij Harry en de zijnen nog niet eens culinaire fijnproevers zijn. Ophemelen: “beyond pleasant, nearly heavenly” en “beyond delicious” zijn twee voorbeelden van de vele uitvoerig beschreven eetmomenten in de roman.

Onmatigheid in ruimere zin – consumentisme – is andere dissonant in deze lofzang op het aparte gezin van Harry, hoewel dit vooral kinderwensen zijn en elders in de roman shopping als  ‘emotioneel eten’ wordt weggezet (Politieagent: “When people don’t know what to do with themselves, they go to the mall, walk up and down, and spend money”, p.104).

Salinger

Nog eens de overeenkomst met het werk van Salinger:

  • Een onderliggende wij/zij-tweedeling. Harry en zijn gezin en vrienden als de goede wij, de rest als hoofdschuddende zij (aansluitend bij de wraakfantasie). Bij Salinger staat Holden Caulfield tegenover de phonies, en de al te gevoelige kinderen Glass tegenover de bottere buitenwereld waarin ze niet passen.
  • Vroegwijze kinderen die als ‘waarachtig’ afsteken tegenover de volwassenen; oudwijze dementerenden die een ‘kinderlijke’ waarachtigheid herwinnen.
  • Een jong kind als ideaal van natuurlijke spontaniteit. Bij Salinger Phoebe (Catcher in the Rye) en Sybil – niet zonder hardvochtige primitieve impulsen – in  A perfect day for Bananafish, in May we be forgiven bijvoorbeeld een tienjarige met vermeend een chip geïmplanteerd (” “You dial a number and type in your code”. “I always forget mine,” the boy says. “So I write it on my hand. “He holds up his hand; “1 2 3 4″ is written in ink on his palm”, p.91).
  • Een ideale ouderfiguur, ofschoon soms voorlijk (Buddy en Seymour in de hiërarchische relatie van profeet en God, Nate en Harry meer wederkerig), die het verlangen naar of de kinderlijke fantasie van een echt ideale ouder in stand houdt.
  • Een pedagogische strekking.
  • Een voorstelling van zaken te mooi om waar te zijn. Conflicten in het huishouden van Harry, als ze er al zijn, worden soepel opgelost; pleeg- en adoptiekinderen bloeien op, evenals demente huisgenoten; etentjes zijn gezellig; kinderen hangen ongedwongen of educatief voor de buis (Ashley belandt via het bekijken van soaps, onderdeel van haar rouwproces, bij Shakespeare). Verveling ontbreekt. De omgang met en in het kleine netwerk van vrouwen dat Harry steunt (Cheryl, Sofia, beide op hem verliefd) is harmonieus. Harry draagt waardig de onheuse bejegening door zijn broer en moeder. Net zo worden de kinderen Glass bij Salinger als halve heiligen voorgesteld, hoewel ook bij Salinger de heiligheid verre van overtuigt, afgezien van het vele gerook. Holden Caulfield is geval apart maar in eigen beleving in elk geval geen phony.
  • Salinger geeft via zijn personages af op onechtheid en psychoanalyse en heeft zelf een of andere superieure leer of praktijk in de aanbieding, meer religieus dan psychotherapeutisch. Homes leunt op crackpottherapieën: theedrinken in de mogelijk grappig maar zeker ‘symbolisch bevrijdend’ bedoelde variant, ‘let it all hang out’ in de therapieloze (Van Essen: “verraderlijk lichte toon, waardoor de onverantwoordelijke handelingen van Harold [=Harry] iets bevrijdends krijgen”). Maar, zoals boven eerder betoogd: de ‘leer’, de verklaring van het proces van verandering, blijft onduidelijk.
  • In haar spelen op de lach, al is het voor een nichepubliek, betoont Homes zich een pleaser, net zoals de vertellers en personages in Salinger’s verhalen en eerste roman hengelen naar de sympathie van de lezer.

Je kunt de vorige drie punten samenvatten in: Homes onderzoekt te weinig en fantaseert teveel.  

De tweets

Uitwerking van mijn tweets op #Twitlit, een kortstondig experiment van de NRC/Bas Heijne met een leesclub via Twitter. De tweets volgen mijn directe leeservaring. NB: de toelichtingen herhalen soms wat bovenal te lezen was. In andere gevallen ga ik wat gedetailleerder op dingen in.

5 december 2012
Homes-1

Weinig reflectie: het verhaal wordt door Harry verteld, in een terugblikkend nu (o.v.t en o.t.t), waarbij hij soms een duister ‘you’ rechtstreeks aanspreekt. Er is alle gelegenheid voor Harry om na te denken maar dat doet hij niet. Harry is soms meer vertelinstantie – en er gebeurt veel.

Flauwe grappen: hier manifesteert zich voor mij Homes de pleaser. Zie onder bij ‘natuurleuk’. Hond Tessie heeft zich op bed ontlast in wat lijkt op een aanval van diarree: “Tessie looks at me as if to say, “It’s been crazy around here. Something had to happen” ” (p.27).

Onevenwichtigheid taal: later valt het mee; uiteindelijk houd ik vooral moeite met de licht kinderachtige manier waarop Homes het gedrag van huisdieren weergeeft. Maar een erectie ‘my treasonous enthousiasm’ noemen vind ik bepaald gemaniëreerd. “Magazine read furtively while shitting” bevredigt mijn poëtisch gevoel en ook ‘shitting’ raakt een gevoelige snaar. Verder de heterogene combinatie: gemaniëreerde taal, flauwe grap en betrekkelijk eenduidig schimpen op de schoonouders van zijn broer: “grandparents who spend most of their time discussing the consistency of their bowel movements and whether or not they should drink more prune juice” (p.33). Even tevoren heeft Harry zijn studenten afgekamd:

The stress of having them stare blankly at me for ninety minutes two times a week and showing up during my office hours, asking me, “What’s new?” like we’re old friends and then sitting down as though they own the place and telling me how they can’t get “an angle on things.” And before they go, wanting me to pat them on the head and say, “You’re a good kid,” for nothing, for no reason. There is about them a kind of casual entitlement” (p.25-26).

Plat hekelen: ondanks de boodschap van mededogen, waarvoor mijns inziens o.a. Richard Nixon model moet staan – ‘Is Nixon niet net als wij en heeft hij niet alleen tot dusver een – toevallige/contingente – slechte pers gehad?’ – zijn de antipathieën van Homes/Harry herkenbaar en onoorspronkelijk liberal.

Een denkbare apologie van Nixon in de 1990s of later: “I wonder if it would be different now: if Nixon owned up (deeply unlikely) and attributed his behavior, his failings, to a traumatic event – growing up in the Nixon household – would he have been exonerated? Is the rise or fall of popularity or historic significance a fixed game?” (p.446-447).

Dit is het moment om iets nader in te gaan op Homes’  dubbele omgang met de psy-cultuur. De roman leunt op verbasterde/vermomde inzichten uit de (populaire) psychologie van de jaren zeventig van de vorige eeuw – of laat zich zo duiden – maar maakt tegelijk professionals uit die hoek belachelijk.

Bespot worden vooral de behandelaars van zijn broer George, die in een dure particuliere kliniek verblijft, bedoeld om hem de best mogelijke omstandigheden gegeven zijn penibele situatie te bieden. De kliniek houdt geen rekening met de belangen van Harry als broer en stelt zich soms formalistisch op. De behandelaar is communicatief onbeholpen, vertrouwt op zijn testjes en onderzoeken en lijkt ook Harry vooral als geschikte aanleveraar van data te zien. Hij veert pas op als hij begint over zijn nieuwerwetse methodiek.

Uitzondering op de regel is de prijzige Tuttle, hulpverlener die Harry adoptie-ouderwaardig moet verklaren, maar de gesprekken met hem zijn geen individuele psychotherapie. Misschien daarom wijst Tuttle direct de zere plek aan:

“Do you see Nixon as a father figure?”. “I wouldn’t rule it out,” I say after a long pause. “Why can’t you just say yes?” Tuttle asks. “What would it mean to you?”. I look to the floor, I break out in a cold sweat, I can’t meet Tuttle’s eye” (p.447), waarna Nixon voor zijn kwaadaardige broer blijkt te staan – Homes laat zelfs het moment weg waarop een muntje valt bij Harry, zoals dit inzicht ook verder geen gevolgen heeft voor zijn houding ten opzichte van zijn broer of zijn zelfbeeld. Harry is soms meer type dan individu en dan belichaming van de boodschap ‘kinderen hebben ouderlijke zorg nodig, die verlenen is waardevol en geeft plezier’.

Heijne-1Bahara-1

Bas Heijne noemde Harry, in het Twitlitgesprek met Ewald Engelen op 13 december, “symbool voor maatschappelijk/culturele crisis”. Ik vul voor ‘symbool’ ‘lege huls’ in, onpersoonlijke Elckerlyc. De innerlijkheid van een eventuele maatschappelijke/culturele crisis doet Homes niet voelen – omdat Harry overwegend de zegenbrengende ouderlijke redder is. Verder is hij economisch vrijgesteld, niet gedwongen vuile handen te maken of eventueel nobel te lijden met schone. Harry ziet toe hoe alles goed gaat onder zijn vaardige hand.

In een interview in de NRC van 14 december merkt Homes op: “Amerika beleeft op dit moment moeilijke tijden. Mensen leven op straat of staan op het punt hun bezit kwijt te raken. (..) Waarschijnlijk had ik de waarheid dichter benaderd als bijvoorbeeld Harry op straat terecht was gekomen”.

De goot bevat niet de echte waarheid, net zomin als de ondergang van de held, waarnaar Homes in hetzelfde interview verwijst. Een happy of hoopvol eind is daarom niet het probleem. Maar Harry en de zijnen hebben in de roman net iets teveel een beschermend huisje om zich heen, zijn net te weinig op elkaar aangewezen – neem alleen al Ashley’s en Nate’s verblijf op kostscholen – om ze de ‘les’ van de roman – zorg en aandacht wegen zwaarder dan materiële voorzieningen – overtuigend te laten uitdragen. Hetzelfde aangetoond aan de hand van een armlastig eenoudergezin zou overtuigender zijn.

Homes-9

Eerder behandelt een Afrikaanse medicijnman Harry al even doortastend en onfeilbaar:
I nod, thinking this guy really does know something. And then he turns his eyes on me. He asks me to stick out my tongue, he sniffs my breath – which I imagine smells like hot dog and mustard. He nods, as if thinking about how best to say what he has seen.

“You almost died,” Londisizwe says. “You may feel okay right now, but you are not okay inside. You are holding something foul – it needs to come out, and you are afraid to let it go. It is something from long ago; you have kept it like a companion so you don’t feel so alone, but now you have a family, and in order to be healthy, it needs to come out.”

I nod, knowing he is right. My ability to describe my experience is limited, with the nuances unarticulated. How does anyone explain himself? It’s as though all I can do is grunt and hope that, from the intonation, you might understand.  (..) How can I tell anyone that there has always lived  within me a rusty sense of disgust – a dull brackish water that I suspect is my soul?” (p.417-418).

Ach, de ziel, die vraagt speciale of helemaal geen taal.

De vele gebeurtenissen en beoogde humor maken het technisch, schat ik, voor Homes moeilijk gemeende zelfreflectie of levenswijsheid in de roman te vlechten. Dat lukt haar ook niet. Iets met “wat je wegstopt moet eruit komen” (het ontlading-/verwerkingmodel) of “toelaten en aanvaarden” (de boeddhistische variant) en een meerduidig gebruik van “menselijk” (we zijn allemaal maar mensen, feilbaar, laten we daarom mededogen met elkaar hebben).

Homes verwijst in het NRC-interview naar de psychoanalyticus Epstein, tevens kenner van het boeddhisme en de boeddhistische ‘psychologie’.  Als psychoanalyticus is hij geïnspireerd door de objectrelatiestheorie van Winnicott. Winnicott baseerde noties over de zeer vroege ontwikkeling van kinderen op wat getroebleerde kinderen en volwassenen in de setting van zijn behandelruimte en -methode lieten zien.

Winnicott is de eerste psychoanalyticus die een theorie met een ‘waar’/’oorspronkelijk/ authentiek’ en een ‘vals’ zelf ontwierp. Ook bij Winnicott is ‘cultuur’ verstorend, in de vorm van voorwaardelijk liefhebbende of hun kind emotioneel verwaarlozende ouders. Teneinde psychologisch te overleven ontwikkelt het zeer jonge kind een ‘vals zelf’.

In De dochter van de minnares beschrijft Homes hoe ze nog als dertiger ertoe neigt zich aan te passen aan de eisen van haar biologische ouders, dan voor de eerste keren ontmoet. De beschrijving van een pijnlijke ontmoeting met haar biologische moeder roept de taal van theorieën over de zeer vroege ontwikkeling op:

Ik probeer wat te zeggen, maar ik heb geen woorden. Mijn reactie is primitief, pre-linguïstisch, pre-intuïtief – de herinnering van het lichaam” (p.83).

Epstein vult Freud aan met een spirituele dimensie, die hij op een of andere manier in ons laat wortelen. Ook voegt hij een spirituele  variant van Freud’s driftenschema toe en een spiritueel oerprobleem, fundamenteler nog dan waarmee psychoanalytici komen:

Vanuit het boeddhistische perspectief is er nog een andere, fundamentelere drift dan de freudiaanse van seks en agressie. Hoewel dit soms wordt aangeduid met de term ‘onwetendheid’, is dit de drift tot intrinsieke werkelijkheid, de neiging om aan mensen en dingen een valse en absolute identiteit toe te schrijven. (..) Ik weet dat, als ik mensen help hun gehechtheid aan zijn en niet-zijn op te sporen, hun eigen boeddhanatuur, hun eigen authentieke zelf te voorschijn zal komen” (p.16).

Meditatie vergelijkt hij met het ontwikkelen van een corrigerende, ondersteunende ouderlijke blik, met het toelaten van wat onder het vals zelf weggedrukt zit: “Meditatie lijkt mij een poging toe om nieuwe ouders te creëren. De geest wordt erin getraind niet in te grijpen maar er wel bij te blijven” (De stroom van zijn, p.151).

Homes-10

Aangezien ik niet weet hoe en hoe intensief Homes mediteert en welke opvattingen ze huldigt, beperk ik me tot het aanstippen van het echt/onecht-schema en de vaststelling dat ook Epstein kind van de jaren zeventig is. Hij ging als getroebleerde jongeman in therapie bij twee Gestalttherapeuten, over wie hij met de verering spreekt welke psychotherapeuten in die jaren soms nog toeviel, en ook zijn leermeesters op meditatiegebied zijn helden, tevens bekende namen uit de jaren zestig. Daarmee wil ik Epstein niet afserveren maar opvallend is het wel.

Homes’ zoektocht naar haar biologisch nest wekt de indruk van een sterk verlangen naar ‘geborgenheid’ c.q. een knagend ‘gat’. Het zou een persoonlijk motief voor het happy end van May we be forgiven kunnen zijn, de eerder door mij gesuggereerde herstelfantasie.

Terug naar: hoe verandert Harry? De bezwering waarmee de roman begint luidt:

” “May we be forgiven,” an incantation, a prayer, the hope that somehow I come out of this alive. Was there ever a time you thought – I am doing this on purpose, I am fucking up and I don’t know why“.

In het NRC-interview verwijst Homes, in de context van deze bezwering, naar Epstein, die volgens haar zegt “dat je als mens het risico moet nemen om uiteen te vallen”. Waarschijnlijk doelt ze op zijn boek Going to pieces without falling apart. In De stroom van zijn, een later werk, vat Epstein het effect van meditatie als volgt samen (ik citeer voor de aardigheid, want vermoed niet dat Homes haar roman hiernaar gemodelleerd heeft):

In mijn eigen onderzoek naar boeddhistische meditatie heb ik gezien hoe het mogelijk is te veranderen (..) door mijn vermogen om de dingen te aanvaarden zoals ze zijn verder te ontwikkelen. (..) Toen ik leerde mijn eigen patronen van reactiviteit te beteugelen, kreeg mijn identiteit de kans zichzelf te laten zien, niet als een begrensde entiteit, maar als stroom, potentie. Meditatie heeft me in staat gesteld mijzelf in bezit te nemen, mijzelf te bewonen, niet door middel van identificatie, maar door middel van acceptatie” (De stroom van het zijn, p.151)

Epstein (links) beantwoordt psychologische vragen over het leven van de Boeddha

Epstein meldt ook hoe een schokkend incident mensen uit hun gewone doen en in een andere bewustzijnssfeer kan brengen, een situatie waarin Harry en de kinderen in May we be forgiven verkeren:
Het merkwaardige was de kalmte die we allemaal voelden. Het was een angstige kalmte, maar van een vreemde vredigheid. Onze wereld was aan diggelen gegooid, maar we waren nog bij elkaar, misschien nog wel meer dan anders. Onze auto voelde als een boot, groot en breed, terwijl wij ons een weg baanden naar huis. (..) We kwamen uit dit voorval met meer vertrouwen. Wat zo’n indruk maakte was niet onze kwetsbaarheid, maar ons vermogen daarnaar te handelen” (p.147, 148).

In het NRC-interview klinkt Homes, in haar toelichting op de ‘bezwering’, meer spiritueel/ religieus dan psychotherapeutisch geïnspireerd:
Het gaat erom dat je als mens probeert om beter te zijn, te voldoen aan een hogere morele standaard. Voor mij is de religieuze boodschap die daaraan is verbonden niet zo belangrijk. In mijn boek probeer ik het naar een algemener niveau te tillen: mogen we vergiffenis krijgen voor alle dingen die we doen en niet hebben gedaan“.

Maar hoe inspirerend zijn die woorden voor iemand die niet gelooft in het bestaan van goden, die aan niets of niemand vergiffenis kan vragen behalve aan de door hem of haar benadeelde mensen? Ook suggereert Homes dat de mens – ons interesseert vooral Harry – zich actief naar een ‘hogere  morele standaard’ moet richten. Dat doet Harry echter niet.

Hoewel de woorden van de bezwering zijn ontleend aan een dienst tijdens Jom Kipoer, zijn ze misschien ook in boeddhistische zin te begrijpen:

  • Misschien wat gezochte ‘hint’: Harry zegt, als hij vlak voor het afsluitend Thanksgiving-diner met zijn gedachten elders is: “Stay, I tell myself, as I take a breath. Stay here, in the moment” (p.478).
  • Dochter Ashley draagt tijdens Thanksgiving een boeddhistisch aandoende passage voor uit Het Achterhuis van Anne Frank: “I do not think of all the misery, but of the glory that remains. (..) Think of the beauty that again and again discharges itself within and without you and be happy” (p.479).

Epstein parafraseert de Boeddha elders als volgt (na 4.49 minuten): “Life is blissful. There is joy everywhere, only we’re closed off to it. (..) But the bliss and the joy is in the transitoriness”. In De stroom van zijn geeft Epstein drie psychoanalytische benaderingen van deze “bliss” – die van Winnicott, Lacan en Bion. Bij Bion gaat het om wat deze noemt de  “emotionele waarheid” van een psychoanalyse – “ervaring”, als tegengesteld aan “begrip”. In Bion’s symbolische taal wordt de “emotionele ervaring” gerepresenteerd door het symbool ‘O’. Van de volgende passage van de eigenzinnige psychoanalyticus Eigen over Bion raakte Epstein “hevig opgewonden” en las hem voor aan zijn echtgenote:

[De psychoanalytica Marion] Milner spreekt over Bion’s O als zero, maar O is ook Omega, het al en het niets. (..) Soms gebruikt Bion O om de onbekende emotionele werkelijkheid aan te geven van een sessie, of van een reeks transformaties, of van groepsgebeurtenissen, of van de kosmos. O kan het effect zijn van het andere [Other], de schok die golven van gevoelens, gewaarwordingen, voorgevoelens teweegbrengt. Rijdend op deze golven kunnen we een verrukt “Oh!” uiten, of een sidderend “Oh-Oh!”. O staat voor het orgastische element dat het ervaren doordringt, oplaadt en in stand houdt. O staat voor Een [One], één God, één kosmos, waar wij de stromen van zijn. O is een cirkel, het altijd maar doorgaande levensritme, het eeuwige terugkeren en omkeren, de wirwar van stromen, een geometrische weergave van de omhullende geest die door pulsaties tot explosie wordt gebracht, het opengaan van de O” (p.49-50).

Vervoering? Pulsaties? Orgasme? Dit was een psychoanalyticus die ik kon vertrouwen, een die ik beter wilde leren kennen“, aldus Epstein  (idem). Ik moet hier vooral om lachen, raadde u misschien al.

Mogelijk is het boeddhistisch ‘ritueel’ van het buigen benadering van de ‘bezwering’, zij het minder schuldbeladen overkomend.

Bij alle onverklaarde ‘verandering’ van Harry blijft hij op één gebied onveranderd: in zijn consumentisme (en dat van de kinderen):  “the American dream, wanting more, wanting to have what someone else has, wanting to have it all” (p.446). Op het afsluitende Thanksgiving schranzen ze bijvoorbeeld: “We eat, we gorge, we stuff ourselves, greedily devouring everything. (..) We eat until we are sated and still we keep going, eating until we are in pain, until we are suffering, because that is the new American tradition” (p.479).

Mogelijk klinkt in deze woorden enige kritiek van de auteur door. Dat is dan technisch wat onbeholpen, daar Harry, in wiens mond de woorden worden gelegd, volop mee-eet.

Tot slot blinken de gedachten van Harry of andere personages/figuranten niet uit in originaliteit. Na een barbecue filosofeert een kok over zijn huwelijk: “Life is long, what’s the point of being judgmental? I don’t have any hard, fast rules – be happy, enjoy.” “. Harry weet niet wat ervan te vinden: “I can’t figure out if Ed is a genius or a moron” (p.445).  Gezelligheid en lekker eten zijn ook wat waard: “Everything is delicious, beyond pleasant, nearly heavenly” (p.444); “I take the kids to the Oak Room at the Plaza and we have Shirley Temples and club sandwiches; it’s the most fun I’ve had in years” (p.387).

Is dit plezier gevolg of oorzaak/onderdeel van Harry’s verandering ten goede? Is het banaal? Stelt Homes zich dezelfde vraag als Harry – en stelt zij hem ook aan ons?

  

6 december 2012

Homes-2

Voor Salinger moest ik aan A heartbraking work of staggering genius van Eggers denken, dat ik toen nog niet gelezen had – dus de roman zoals bekend vanuit recensies en dingen waar ook opgevangen/gelezen (New Sincerity, bijvoorbeeld). Net zoals The catcher in the rye van Salinger drijft die roman op een (de lezer al dan niet overtuigend) appel van waarachtigheid.

Parks laat de hoofdpersoon in Destiny, een journalist, zich intensief uiteenzetten met ex-premier Andreotti, die hij enkele dagen later zal interviewen. En in Cleaver heeft de hoofdpersoon, bekend Brits tv-journalist, aan het begin van de roman net de Amerikaanse president een scherp interview afgenomen. Nixon is, vergeleken daarmee, te geconstrueerd, te opzichtig door de roman gevlochten draad. De relatie tussen Harry en Nixon is afstandelijker dan die tussen Parks’ personages en hun politici – Harry is biograaf. Ook hier verkeert Harry in een ‘veiliger’ positie dan Park’s tegenhangers, die een levend persoon (zullen) ontmoeten en weerwoord krijgen kunnen. Het leggen van een relatie tussen Harry’s interesse voor Nixon en zijn agressieve broer George vermoedde ik al – en treft me als weinig subtiele psychologie (u las de passage, ik vind de ironie niet evident).

Moraliseren: de nadruk op mededogen met menselijk gestumper ten spijt zoekt Homes haar vijanden in dezelfde hoek:  carrièregericht, geborneerd, acultureel (Harry’s domme studenten), materialistisch, anti-GLBT-, “zichzelf verloren” Amerika. Over materialisme is de roman, zoals gezegd, inconsistent. Een paar dagen naar Zuid-Afrika voor een bar mitswa? Geen probleem, we pakken het vliegtuig (wel zich schamen als men verkeerd denkt over de motieven van de ondersteunde arme dorpsbewoners). Ook de koopmanie van de kinderen wordt liefdevol gadegeslagen, als onderdeel van het rouwproces of wat ook de goede reden mag zijn.  Vervulde hartenwens van dementerende Cy, jarenlang door geïnternaliseerde culturele verboden onderdrukt: een elektrische trein. Niet veroordelen, inwilligen, als je het je permitteren kunt.

Maar als Ricardo, een pleegzoon, een ‘net echt’ geweer wil kopen, wordt hij daarvan weerhouden. Zo ruimdenkend is Harry nu ook weer niet? Homes laat een vluchtweg: het is omdat de politie onaangenaam kan reageren op dit type niet van echt te onderscheiden schietgerei.

  

7 december 2012

Homes-3a

Homes-3b

‘Natuurleuk’ verwijst naar woordspelige Kees van Kooten, die niettemin een herkenbaar punt maakte. Hij contrasteerde het gezocht leuke van humoristen als Woody Allen met onnadrukkelijke humor, die spontaner uit de situatie voortkomt.

Koos van Zomeren: Het complete Rekelboek, p.17

Homes-3c

Homes-3d

Het essay van Smith:  ‘Brief Interviews with Hideous Men. De moeilijke talenten van David Foster Wallace’, staat in Ik heb mij bedacht. Homes kan natuurlijk ook rechtstreeks op het verhaal van David Foster Wallace, ‘Forever Overhead’, gereageerd hebben.

Het citaat van Wallace: “Your sister plays Marco Polo near you in the shallows with a group of thin girls from her grade. She is being blind now, her Marco’s being Polo’d. She is shut-eyed and twirling to different cries, spinning at the hub of a wheel of shrill girls in bathing caps. Her cap has raised rubber flowers. There are limp old pink petals that shake as she lunges at blind sound“.

Het citaat voluit: “My mother is wearing a latex cap, the same kind she used to wear thirty years ago – white with large rubbery flowers in full bloom bursting off the top. Could it be the same bathing cap she’s had all along?”. Deze interne literaire verwijzing versterkt het gevoel van de roman als sprookje door Homes voor zichzelf geschreven. Onderdeel van dit sprookje is dat dementie trekken aanneemt van een bad in de fontein van de eeuwige jeugd (zwemmende moeder is dementerend en heeft luier aan).

Fontein van de eeuwige jeugd

Homes-3e

Hier moest ik voor het eerst denken aan Salinger, de combinatie van ‘zuivere kinderen’ als personages en de neiging bij de lezer in de smaak te willen vallen. Deze indruk – van een zekere kitscherige ophemeling van de ‘zuiverheid’ van een ‘onbedorven’ jeugd in combinatie met een zich afzetten, samen met de ‘goede’ lezer, tegen een ‘zij’-groep – is lang gebleven.

Pas enkele dagen na lezing van de roman is zij aangevuld met de mogelijkheid dat Homes en/en doet (misschien wil): deze zuiverheid én de nieuwe ‘Amerikaanse traditie’ van vraatzucht. Net zoals Homes in een quote, te lezen op 13 december, ‘ondanks’ haar mediteren, het voortbestaan van vijandigheid in zichzelf benoemt en een geringe lust in contact met de medemens. Misschien is Homes gewoon eerlijk en doet zich niet serener voor dan ze is. Consumentisme is haar ‘unfinished business’.

Mogelijkheid waarmee ik speel: misschien is genoemde vijandigheid de ‘lust’ die ertoe heeft geleid dat deze roman mede wraakfantasie is: geborneerd godvrezend, hypocriet monogaam, op het heteroseksueel kerngezin gefixeerd Amerika moet het ontgelden.

Maar tijdens het Twitlit-interview ontkende Homes een dergelijk verborgen motief.

  

9 december 2012

Homes-4
maupin1Maupin2Maupin3

Deze literaire associaties maken duidelijk dat een gangbare mening over Homes, van wie ik nooit eerder had gehoord, mij ontgaan is – dat ze veel ‘zwarte humor’ in haar romans stopt. Armistead Maupin is namelijk  zachtmoedig. Ik vond de humor voornamelijk vaak niet leuk. John Self, wel bekend met het eerdere werk van Homes, stelt tot zijn verbazing ook sentimentaliteit vast:

“It did make me wonder if the sentimentality in the Africa section [de bar mitswa] was present all along. Perhaps my experience of the book as pleasingly balanced in its sharpness/softness, was determined by my expectations, my knowledge that Homes was an author not known for niceness, and whose most famous book for a time was about a paedophile’s plot to seduce a child. Perhaps the darkness I saw under the happiness was just my own shadow”.  

10 december 2012

Homes-5

Iets durven: na de geweldige bar mitswa in Zuid-Afrika acclimatiseren de reizigers in New York. Ze verkeren enkele dagen “in a zone that is neither here nor there, existing outside of time and geography” – een helende omgeving, of, zoals Harry zegt: “decompressing – readjusting. The children sleep, eat, and watch tv” (p.435). Dan realiseert Harry zich dat een wens koesteren alleen onvoldoende is, je hebt “resolve” nodig of, nee, Harry zegt wat anders:  “I understand that, as much as one might desire change, one has to be willing to take a risk, to free-fall, to fail, and that you’ve got to let go of the past – in other words, I have to finish my book”.

Later blijkt dat boek als een steen op zijn maag gelegen te hebben, althans, zo filosofeert hij: “Then it occurs to me – was the book the foul thing that Londisizwe said I was holding on to, the thing I’d been keeping close like a companion? Is this what lived inside and needed to come out?” (p.453-454).

Religie geprivatiseerd: ik gebruik ‘geprivatiseerd’ dubbelzinnig. Synagoges vragen hoge toegangsprijzen op de dienst op de avond voor Jom Kipoer (ook dit grijpt Homes aan voor een grapje), nodig om de kas te spekken; dit kan je ‘privatisering’ van religie noemen. Maar ik bedoel het meer in de betekenis van  ‘geïndividualiseerd’; men laat Ashley bijvoorbeeld haar eigen idee van Joodse religie bedenken. Het is mogelijk een fase, denkt Harry begripvol.

‘Lichte gemeenschap’ is term die Duyvendak en Hurenkamp in 2004 muntten. Het verwoordt de sociaal-liberale droom van collectieven die hun leden niet beknellen, met flexibele toegang en uitgang. De perversie van dat ideaal is de moeite van intieme relaties ontlopen willen.

Mijns inziens presenteert Homes haar zaak hier niet sterk. De redenatie van Harry – “in other words, I have to finish my book” – is onlogische sprong, net zo willekeurig als zijn gissing dat de niet voleindigde Nixon-biografie hem zwaar op de maag lag. Mogelijk wringen auteurstaal en taal van het personage hier en wil Homes boeddhisme inmengen (“one has to be willing to take a risk, to free-fall, to fail”), zoals mogelijk ook in de al gememoreerde slotzinnen van de roman, terwijl Harry slechts contacten met de medicijnman en Tuttle heeft en niets van boeddhisme weet, noch mediteert.

  

11 december 2012

Homes-6

   

13 december

Nadat ik googelde op “Homes “May we be forgiven” Salinger” werd mijn Salinger-associatie enigszins bekrachtigd: “At 19, in her first year at university, Homes wrote a play about JD Salinger in which Holden Caulfield accused his creator of stealing his life“.

Niet echt een geweldig resultaat (een dag later leer ik dat Homes Salinger een bron van inspiratie genoemd zou hebben). Wel ontdekte ik dat mijn reserves breder gedeeld worden. Zo oordeelt Tait in The Guardian:

This movement from irony to sincerity is a very characteristic one in young-ish American writers. (..) May We Be Forgiven is a very uneven novel, rickety, meandering and repetitive. There are far too many forgettable sub-plots and similar comic routines. Its recipe for redemption, as in This Book Will Save Your Life, involves an uneasy mixture of truism (be nice to children, animals, strangers) and kitsch (form friendships with immigrants who work at fast food outlets, listen to the wise medicine man). It is, however, often very funny, in a bad-taste way. […] May We Be Forgiven is a semi-serious, semi-effective, semi-brilliant novel which could not be called, overall, an artistic success.

Sutcliffe, opgekomen in dezelfde Google-zoekopdracht, haalt in haar recensie min of meer bovenstaande passage van Tait aan en bracht me op zijn spoor. Sutcliffe voegt eraan toe:

It’s hard not to find your admiration tempered with disappointment at the tweeness of the new life Harry has carved for himself and “his” three children.

Ook quote zij dezelfde passage uit de recensie van Self als ik boven. Haar eigen indrukken:

What to make of a writer critically acclaimed for her literary fiction that delves into dark subjects—whose earlier novels were more likely to show a trajectory from the idyll of the suburban American dream to emotional devastation and mental breakdown rather than the other way around—whose new novel seems wholly sincere, if not sentimental?

Sutcliffe reageert verder, net zoals ik, op de overvloed:

Harry’s new life, and the Silvers’ ostentatious magnanimity that has created their cosy little community, is only possible because George was so financially shrewd. We hear again and again how Harry will have no money worries; how everything he could ever want to do is within his reach. The message is repeated so insistently that we half-expect it all to come crashing down as an important plot pivot: a call from the accountant to say, actually, sorry, there’s been some mistake.

Precies een plotwending die ik voor mogelijk had gehouden, net zoals een snelle moord van Harry door zijn uit het ziekenhuis of de gevangenis ontslagen of ontsnapte broer George.

Maar Sutcliffe checkte haar eigen eerste oordeel vervolgens, tegen haar gewoonte in, aan dat van andere recensenten, “to see if readers were taking the sweetly earnest celebration of domestic contentment at face value”.  Aan het eind van haar recensie oppert ze een alternatieve duiding:

So perhaps Homes hasn’t gone over to the light side after all: perhaps what she’s really trying to get across is exactly how much of a fantasy the American dream really is: it requires oodles of money, money beyond counting. (..)

Sutcliffe sluit niet uit dat Homes eigenlijk een pessimistische boodschap uitdraagt:

that many people, including her readers, still yearn for something like it [de Amerikaanse droom]? Middle-class comforts (..), however urban, tasteful or critical they are, are still just another aspect of late capitalism. Does reading A.M. Homes instead of E.L. James really make us superior? We’ve still plumped for a life in which the daily existential questions are already largely settled and demand no energy. Maybe, just maybe, Homes is telling us that we’re all to blame, and that nobody will be forgiven.

Twitlitlz1

Twitlitlz2

Ik ben niet onder de indruk. Het argument is in de kern dat we verwekelijkt zijn door de welvaart. Zo ook: gedeelde nood brengt  solidariteit terug onder en tussen de mensen; hoe prachtig de blijmoedigheid  in Afrika, ondanks de failed states. Of ook: oorlog cultiveert deugden.

Mijns inziens neemt Homes klein geluk en zorg voor elkaar wel ernstig. Haken naar goederen is een fase, niet onvermijdelijk teleurstellend eindpunt van alle streven. Pleegzoon Ricardo maakt in dit opzicht in de roman de grootste sprong. Komend uit armoede, lijkt hij het meest ten prooi aan de zucht naar goederen. Maar medicijnman Londisizwe heeft ook hier een advies:

Ricardo needs to be trained. He is overflowing with energy,  which he controls by eating heavy foods to slow down. He should do karate or sword-fighting until he becoms himself.” “How do you know all that?’. “Some things  you can just see by looking,” he says. (p.417)

Is Londisizwe soms als grap bedoeld, met als enige ernstige noot het willen neerzetten van een werkelijk geacht probleem?

Dog Whisperer - gewoon kijken

Biografische informatie gevonden in het eerste Google-zoekresultaat bevestigt dat Homes er zelf ook nog niet uit is en verschillende stromingen (on)harmonieus in zich verenigt:

From reading her memoir and other non-fiction, I know that she meditates regularly, prays daily to indeterminate gods, drinks alcohol only occasionally, retains lawyers and therapists, and loves expensive hotels, doughnuts, dogs and dessert. Judging from the range of characters in her fiction – predominantly male, they include teenage hoodlums, dysfunctional suburbanites, emotionally impacted financial gurus and an Indian-American doughnut maker – it seems fair to assume that she has a big, complicated personality.

When I ask her to describe it, she looks taken aback. ‘My personality?’ she exclaims. ‘But I have so many personalities. Which one do you want to know about? I’m a very well prepared person, maybe a little bit hyper-vigilant. If somebody needs a deck of cards or 18 batteries, I have them. I have everything anyone could possibly need. I’m shy, which people would never know, and I’m also hostile. I’m fascinated by human behaviour, but I find it very tiring to have to engage with people. I have a big imagination – no surprises there. Anxieties? Yeah, I have all of them. I’m trying to give them away. Actually, as I get older and tireder, I just don’t have the energy to be anxious in the same way. But when I was young and strong, oh boy, look out.’

Homes-11

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s