Tim Parks – The server / Sex is forbidden

Over het nut van zichzelf uitleggen.

onthullen/verhullen

We mustn’t play the drama queen. (..) We mustn’t disturb others with our suffering, our specialness, our angst” (The server, p.118).  

“Mi Nu is a pale candle burning with darkness. These strange words, never spoken, help me (..)” (idem, p.119).

It’s weird how easily you can slip from meditation to washing floors, as if it was the same thing” (idem, p.7)

Wat zou er gebeuren als je zweeg
What do stories do but glamorize pain?” leest een vrouw in het dagboek van een deelnemer aan een tiendaagse meditatie met zwijgplicht en schrijfverbod. Leest het tijdens die retraite. Een ander verbod dat ze trotseert is het betreden van de mannenafdeling. Daar, in een kamer, bevindt zich het dagboek. Bij een eerder bezoek schreef ze zelfs een zin in de kantlijn: “You love your pain too much“.

Lees je zoiets in een roman, dan weet je dat ‘verhalen vertellen’, de heilzaamheid van meditatie en met beide samenhangende vragen thema zullen zijn. Zoals:

  • Het zelf / wat doe ik met mijn leven: moet je het uithakken, alsof het marmer het beeld al bevat, of is er geen model en moet de begrenzing van elders komen?
  • Hoe mensen te beoordelen die de arbeid niet ter hand nemen, bijvoorbeeld omdat ze niet in het zelf geloven? Is dat kiezen door niet te kiezen, met een voorspelbaar rommelig resultaat, of is dit juist maximaal flexibel (‘Ik ben alle namen van de geschiedenis’)?
  • De waarde van uniciteit: is het niet veelal ruis bij een eenvormig signaal, de ijdelheid van het uitvergrote detail of de overschreeuwde angst voor de altijd ergens wel vermoede werkelijkheid van zelfloosheid (zoals we onze sterfelijkheid beseffen én verdringen)? Of is dat laatste zelf drogreden, om niet gehoor te hoeven geven aan de opdracht tot zelfwording, het slap excuus: ‘In het graf zijn we allen gelijk’ of ‘Wij werden voor ons komen niet gemist; na ons vertrek zal het niet anders zijn’?
  • Is goede manier van omgaan met levensproblemen stil te staan bij wat je raakt, bij wat je emoties en daarachter ‘belangen’ of ‘wensen’ zijn, en hierbij mensen te betrekken die je na staan – of bestendigt dat problemen juist? De hel, zijn dat de anderen – en is meditatieve onthechting daarom de aangeraden aanpak?
  • Is de stoïcijnse notie dat begrip tot beheersing leidt, en inzicht loont, wel juist?
  • In het geval dat zowel meditatie als zelfzorg geschikte manieren om (bepaalde) levensproblemen op te lossen zijn: hoe verhouden beide zich tot elkaar?
  • Als er geen zelf is, zoals de boeddhisten zeggen, hoe beeld je (glimpen van) die werkelijkheid dan uit? Hoe, als voorfase daarvan, te beschrijven wat met iemand gebeurt tijdens een ‘geslaagde’ meditatiesessie?
  • Zijn goeroes / ervaren mediteerders heiligen of net zo menselijk als wij? Waaruit bestaat hun eventuele extra?
  • Hoe een westerse vorming te rijmen met uitheemse opvattingen, zoals het geloof in reïncarnatie, of met uitheemse begrippen en ‘theorieën’, die niet aansluiten bij hoe het denken zich hier ontwikkeld heeft?

Van deze vragen behandelt The server de meest prozaïsche het meest uitvoerig: de waarde van meditatie voor het oplossen van levensproblemen en het eventuele extra van ervaren mediteerders. Dat is een beperkte interesse, die aan de buitenkant blijft.

Geoffrey, de illegale dagboekschrijver, vindt Harper, de leider van het retraitecentrum, die op afspraak beschikbaar is voor tien minutengesprekken, burgerlijk, type personeelschef van een commerciële boekenwinkelketen. Beth, zijn illegale lezeres, is het met hem eens. Harper ziet eruit als een accountant of consulent van UWV Werkbedrijf. Maar zij heeft ontdekt – anders dan Geoffrey verblijft zij al acht maanden op het meditatiecentrum – “a deep calm behind the nerdishnes” (p.168).

Over taal gesproken: van de roulerende boeddhistische begrippen – beperkt in aantal, veel herhaald – proeft Beth meer de esthetische kwaliteit dan dat ze hun inhoud onderzoekt: “Ahneechaaa, ahneechaaa, ahneechaaa. I love the way Mi Nu says that word in her singsong Asian voice” (p.3), “An endless jhana. I like that word” (p.3) of “Buddham saranam gacchami. Dhammam saranam gacchami. Sangham saranam gacchami. It was a pleasure just to say those words” (p.11). Wie wil kan zich hier verliezen in een uitweiding over het genot van taal en jouïssance. De boeddhistische reactie zal zijn Beth te wijzen op haar ‘craving’. Sprekend als psycholoog van de koude grond komt Beth in dit gedrag wat infantiel over, als in “zij kende van liefde enkel de bewegingen”.

De vertrouwde klanken zijn voor Beth een gewaardeerde routine geworden, net zoals de zang die iedere ochtend om 6 uur door de geluidsinstallatie klinkt: “I like to hum along. I’ve learned whole sections now, even if I’ve no idea what it means”.

Allemaal uitdagingen van Parks aan de westerse lezer, gehecht aan begrip, lijkt het. Geoffrey, minder geïnteresseerd in zingzang dan Beth, maakt in zijn dagboek korte metten met de boeddhistische theorie waarmee hij in het centrum in aanraking komt, tot Beth’s genoegen. En, laatste uitdaging van de lezer, Beth schiet te binnen hoe zij tijdens een optreden in Japan met haar rockband als geste naar het publiek een nummer in fonetisch Japans zong: “People told me I was pretty convincing in Japanese” (p.23).

Al dat gelul, waar is het goed voor?

Hyperbewustzijn

De helden van The server verschillen niet van die van de eraan voorafgaande, latere romans van Parks. Ze hebben problemen in hun relatie(s) en rond zingeving. Aan het begin van de roman raken ze in een crisis en trekken zich terug of de crisis is acuut en we volgen de hoofdpersoon tijdens die eerste periode van ontregeling.

Het verschil met de eerdere romans is dat de helden in The server in meditatie gaan. Ook hun beroep staat wat minder hoog aangeschreven: Beth is rockzangeres en Geoffrey leidt een kleine uitgeverij op het punt van faillissement, vanaf het begin gefinancierd door zijn echtgenote, zestien jaar ouder dan hij.

Parks voorziet Beth aan het begin van de roman van een crisis, mogelijk om zo de winst van acht maanden verblijf in het meditatiecentrum te kunnen wegen. Even voor haar wending naar het centrum hadden ook al dramatische gebeurtenissen in haar leven plaatsgevonden. Op romantechnisch beproefde wijze worden deze ons beetje bij beetje onthuld. De tweede crisis wordt ingeleid en uitgelokt door het lezen in het dagboek van Geoffrey.

Parks’ eerdere hoofdpersonen malen in hun crisis, zoals Bas Heijne benadrukt in Echt Zien, waarbij hij zich stilzwijgend aansluit bij Parks’ toenmalige conclusie dat ze wanhopig zijn:

De kolkende gedachtestroom in de hoofden van hun personages (..) verhindert hen houvast te krijgen. (..) Hun woordenstroom draagt, naast alle humor, naakte wanhoop in zich; de autobiografische personages van Bernhard en Parks leren na hun vergeefse stormloop op de werkelijkheid (voor zover dat mogelijk is) berusten in hun radeloosheid. (..) Er is niets opgelost, slechts heel weinig helder geworden, maar er is wel sprake van berusting – uit pure vermoeidheid (Echt Zien, p.11, 12).

Toch sluit Heijne een alternatief niet uit (‘verhindert’). Als de personages minder zouden malen… Het lijkt een oplossing in dezelfde richting als Parks voorstaat, alleen geeft Heijne geen hint van hoe dat te bewerkstelligen. Malen is wat anders dan piekeren, dat over te behappen kwesties gaat en naar definitie al niet existentieel serieus genomen wordt.

Parks verklaart in 2010 dit type hoofdpersoon wat moe te zijn:

In romans als Europa, Destiny en Cleaver raakt de hoofdpersoon steeds in een crisis over zijn eigen leven. Dat dreigde voorspelbaar te worden, ik wilde verder gaan dan dat. (Interview met Bas Heijne, NRC, 27 augustus 2010)

Parks ontwaarde in zijn romans een culturele problematiek: prikkelhonger. Zijn personages kampten ermee, het was aanwijsbaar in zijn eigen schrijfstijl en ook bij het lezerspubliek. ‘Intellectuele emoties’ zoals malen waren slechts een verfijnde variant van kicks:

Op een vulgaire manier wordt dat idee uitgedragen door de reclame. In Italië wordt ijs aangeprezen met slogans als Prove nuove emozioni (Probeer nieuwe emoties) en Emozione senza fine (Emoties zonder einde). Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat ik met mijn schrijven niet veel anders deed, het aanhoudend stimuleren van intellectuele emoties.

Ik wil een stap terugdoen. Ik wil kijken of het mogelijk is op een andere manier een verhaal te vertellen, of de lezer in ieder geval zijn voortdurende honger naar emoties te laten beseffen.
(Interview met Bas Heijne, NRC, 27 augustus 2010)

‘Emotie’ krijgt zo bij Parks trekken van gebrek aan gevoel, zoals het ‘worstelen met de vragen des levens’ zelfstilering voor de bühne wordt in plaats van uitdrukking van waarachtigheid. Een van de eerste zinnen die Beth leest in een oud dagboekschrift van Geoffrey luidt: “Why do I always write as if this were for somebody else?” (dit betekent niet dwingend dat Geoffrey met ijdel vertoon bezig is; een denkbaar vervolg is dat die ‘ander’ meer in het bijzonder een welomschreven persoon is, bijvoorbeeld de ouder in wiens ogen hij, in zijn beleving, niet voldeed).

Parks compliceert de materie doordat niet alleen of zelfs niet per se een personage behept hoeft te zijn met prikkelhonger, maar (ook) de auteur of lezer. Parks’ ‘intellectuele emoties’ doen denken aan wat Zadie Smith schrijft over sommige lezers en schrijvers:

We kennen allemaal die ‘literaire’ fictie die maar blijft herhalen dat wij allemaal steeds minder en minder menselijk zijn (..) en we kopen allemaal de boeken en roepen dan: ‘Gossie, wat een bijtend doeltreffend commentaar op het tegenwoordige materialisme!’.

Die auteurs en lezers zitten gevangen in een andere variant van onwaarachtige crisis. Ze zijn minder uit op ‘emotie’ of ‘prikkels’ dan op herbevestiging van idées reçues met een zelfgenoegzaam kantje.

Parks suggestie van de romancier als entertainer/pleaser is een waarschuwing aan de lezer die aan de ziekte van prikkelhonger ontsnappen wil. ‘Deze roman spreekt je aan – is dit misschien een probleem?’. Vertrouw niet ieder zielengeworstel in fictie. Soms heeft het onderzoek smetten van wat het onderzoeken wil. Sue Ellen in Dallas dronk dus had het moeilijk, de intellectueel maalt – voor ons. Hypocrite lecteur, – mon semblable, – mon frère!

                     Sue Ellen heeft het moeilijkWoody Allen

Veralgemeent men Parks’ opmerkingen over reclame, dan hekelt hij ook het estheticisme van de romankunst. Interviewer Heijne keek mogelijk verbaasd op. Zelf legde hij in De werkelijkheid (2004) een verband tussen het estheticisme van de massacultuur en dat van l’art pour l’art. Nu verklaart Parks zijn eigen, ogenschijnlijk niet-estheticistische romans, door Heijne als puur en naakt beleefd, besmet met hetzelfde virus.

Parks’ stelling is niet dat elk denken in romans en elke manier van ‘een verhaal vertellen’ door prikkelhonger is besmet. Maar voor zover prikkelhonger een boek parten speelt, lijkt verstilling Parks een remedie.

De sterkere literaire reactie op een kennelijk door Smith onderschreven culturele malaise, waarvan Henry James volgens haar de aartsvader is, verkent de vraag naar de mogelijkheid van het goede en waardevolle (waartoe ook authenticiteit gerekend wordt (‘oprechte verhoudingen’)) in zulke tijden:

Hoe [is] het dan mogelijk dat wij als menselijke wezens nog altijd in staat zijn tot blijdschap, naastenliefde, oprechte verhoudingen, kortom dingen die geen prijs hebben? En kunnen we die capaciteiten inzetten?

Dat sterkere literair verzet krijgt onder andere gestalte in personages met een ‘fijnzinnig bewustzijn’, voor James voorwaarde voor een interessante roman. Ze zijn veelal intellectueel, academicus, “gevoelige zielen, bekwaam genoeg om hun eigen emotionele diepte te peilen, in staat tot belangwekkende gedachten ondanks de afstompende tijden” (Zadie Smith, Ik heb mij bedacht, p.345-346).

Juist dit type verbaal personage is Parks moe. Het stemt enigszins overeen met de contactgestoorde, depressieve personages van David Foster Wallace, door hun auteur gewantrouwd, over wie Smith schrijft in het aangehaald essay. Een staaltje hyperbewustzijn uit het dagboek van Geoffrey, door Beth herkend (“one of the bits I could have written myself”):

Meantime, I would like to learn not to feel superior to everyone, though I don’t suppose I ever will. Actually, I’m allready thinking how superior I am, wanting not to feel superior. And how superior of me to have recognized this paradox. And to have admitted this stalemate. And so on and on. Seems there is no escape from my superiority. (p.165)

Merk op dat Geoffrey minder met ‘het leven’ worstelt dan met zichzelf bezig is. Wallace eiste van zijn lezers, ondanks zijn wantrouwen jegens sommige van zijn personages, een geloof in zijn goede trouw, aldus Smith. Een zwak, buitenliterair appel.

Overprikkeld of verfijnd bewustzijn? Egotistische of naar buiten gerichte opmerkzaamheid?

 

Parks’ prikkelhonger-hypothese bemoeilijkt de beoordeling van de crises in The Server. Het stelt de conventies van de psychologische roman onder verdenking. Daarin is de crisis authentiek, en werpt materiaal op dat kan worden onderzocht en altijd iets zegt over het personage, en wellicht over menselijke beweegredenen in het algemeen. Maar om het even is de crisis wat hij is omdat Park’s onze prikkelhonger of de zijne tegemoet wil komen. Emotie!

In de psychologische roman wordt vaak een psychologische dynamiek gesuggereerd die tot de crisis leidt. Conflicten in de persoon hopen zich op en komen tot een uitbarsting. En dat kan positief worden geduid: de natuur laat weten dat het zo niet langer kon.

De prikkelhonger-hypothese belemmert ook de interpretatie van de terugval van Beth aan het begin van de roman. In de psychologische dynamiek-conventie kan men interpreteren: die terugval van Beth zat eraan te komen want dat snuffelen zelf was al merkwaardig.

En wie wil kan de meer theoretische en zich van de roman verwijderende kwestie aankaarten van de mate waarin iemand als Beth verantwoordelijk is voor haar impulsiviteit?

Ook is mogelijk dat Parks een prikkelhonger-verklaring voor de crisis wil geven. Voltrekken zich in de meditatie mysterieuze processen waarvoor het boeddhisme passende verklaringen biedt en die in de verte aan een christelijke loutering doen denken? Of is een combinatie van beide verklaringen denkbaar, psychologiserend en ont-overprikkeld-zelvend?

Zelfzorg en het zelf als zorg

De dagboekaantekening “What do stories do but glamorize pain?” gaat in tegen een populaire westerse notie, te onzent bijvoorbeeld recent uitgedragen door Joep Dohmen in zijn pleidooien voor een laatmoderne levenskunst: een bewust leven is te verkiezen boven een onnadenkend.

In die opvatting is het onderhouden van een waarachtig verhaal over ‘jezelf’ nastrevenswaardig – en niet te ontlopen. Als jij niet het verhaal van je leven schrijft, doet een ander het. Het is sowieso een meeschrijven – veel dramatische ontwikkelingen komen ongevraagd op je pad.

Maar het is een verhaal, met een ‘ik’, dat op een bepaalde wijze gevormd is, dus een verleden heeft, en naar iets op weg is of juist naar helemaal niets. Gegeven de existentiële onbepaaldheid, het ontbreken van een objectieve zin aan een mensenleven, is het ‘zelf’ altijd een ontwerp.

Geen aandacht besteden aan het verhaal van  je leven of de held, het ‘ik’,  schrappen, zoals in meditatie lijkt worden nagestreefd, geldt in de dominante westerse traditie als vlucht:

De oosterse levenskunst (..) houdt geen rekening met het belang van het individu, de dynamiek van het waardenpluralisme en de systeemdwang binnen onze westerse cultuur. (..) De meeste oosterse vormen van levenskunst zijn bovendien ingevuld vanuit een door ons als achterhaald beschouwde algemeen geldige waarheid en metafysica. De oosterse normatieve moraal die uit deze levensbeschouwing volgt, is onthechting en zelfs quasi-uitdoving van het zelf. Mensen moeten zich onthechten van hun normen en waarden.

Vanuit een modern standpunt moet echter met klem tegen een dergelijk nihilisme worden geageerd. (..) We hoeven het lijden niet te verheerlijken maar we moeten wel erkennen dat het goede leven altijd pijn zal doen. (Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid, 2007, p.51)

Overigens is Dohmen in het latere Het leven als kunstwerk (2008) neutraal over zenboeddhisme, met uitzondering van de typering van bepaalde belevingen als ‘oceanisch gevoel’. Die beleving wordt, via de onderbrenging in de Freudiaanse categorie ‘oceanisch gevoel’, gepsychologiseerd en tot illusie bestempeld. Maar de mogelijkheid van mystieke ervaringen, van verticale transcendentie, wijst Dohmen in dit essay niet categorisch af, dat wil zeggen, hij onthoudt zich van opmerkingen over hun realiteitswaarde (p.90-104).

Ook kan men tegen Dohmen inbrengen dat juist aandachtigheid definiërend kenmerk van meditatie is. Stilstaan bij wat zich aandient is eerder het tegenovergestelde van verdringen. Wat ontbreekt is verbanden leggen en anderszins ‘actief in de weer gaan met’. Gedachten worden opgevat als bubbels die vanaf de bodem van de oceaan omhoog rijzen.

Kan dat van waarde zijn?

Is deze man een vermijder?

Het probleem van het zelf als verhaal is present op de eerste bladzijde van The server. Beth stelt vast dat de meeste mensen die, zoals zijzelf, gratis helpen bij de tiendaagse meditatieretraites “in between things” zijn. Dan beweert ze dat de meeste mensen zich weliswaar zorgen maken over hun toekomst, maar betrekkelijk correct menen aan te kunnen geven wat ze naar het retraitecentrum bracht. Hun verleden is geen probleem voor ze. Zelf weet ze dat zo net niet meer.

In het begin van haar verblijf maalde tijdens meditaties het verleden door haar hoofd. Haar volhouden leverde echter mogelijk iets op: “Perhaps, churning over and over, the old thoughts have worn themselves out” (p.1). Net zo doofde haar rookverslaving op een gegeven moment uit. Dat neemt ze in elk geval mee, of ze nu de rest van haar leven blijven zal of op een gegeven moment het centrum zal verlaten, “the Dasgupta will live with me” (p.2).

Is dat zo? Wat is het soortelijk gewicht van zo’n opmerking, gedaan in het niemandsland van het meditatiecentrum, waar Beth incommunicado verblijft, op de van Parks’ helden bekende wijze, alleen wat langer?

Server

Parks: meditatie en roman zijn elkaars antithese (klik op de afbeelding)

De roman toont Beth als sardonische plaaggeest en/of in enige mate zelfdestructief. Hoewel jong en wild, zeer lichamelijk – het woord ‘pig’ neemt ze vaak goedkeurend in de mond – wilde ze, even voor aanvang van de roman, een eind aan haar leven maken. Omdat ze niet tevreden was met zichzelf – behoorlijk wat ‘intellectuele emotie’ voor een rockchick.

Parks frustreert deze van hem bekende ‘emotionalisering’ ook enigszins. De dramatische verwikkelingen vonden in het verleden plaats. In eerdere romans zou het verhaal direct na de dramatische gebeurtenissen begonnen zijn. Nu is Beth al een tijd in het meditatiecentrum en zijn we bij aanvang zoveel maanden meditatie verder. Niettemin krijgen we die oude dramatische verwikkelingen wel nog te horen.

Parks’ eerdere romans, inclusief dramatische crisis, zijn ongeschikt om de waarde van ‘bewust leven’ te testen. Doorgaans heeft de hoofdpersoon de dingen voorafgaand aan de eerste bladzijde behoorlijk uit de hand laten lopen. In de roman komt alles tegelijk naar buiten maar op de laatste pagina is te weinig tijd verstreken om iets zinnigs te kunnen zeggen over het resultaat van het geprakkiseer in de roman, hoewel, zoals ‘malen’ al aangeeft, de oogst op korte termijn bescheiden lijkt.

Om het wat braaf te zeggen, alsof het leven een aan te harken tuintje is: er was bij zijn helden sprake van achterstallig onderhoud.

Parks verwoordt de inzet van The server niet in termen van de waarde van zelfreflectie. In plaats daarvan wisselt hij een hedendaags neuropsychologisch perspectief (“hersenen”) af met een eerder literair dan psychologisch ogende interesse voor ‘verhalen vertellen’:

This is a “companion novel” to Teach Us to Sit Still. For years I had meditation retreats on the brain. They were very new to me and had proved therapeutic. But as a novelist it was impossible not to see that this was a world quite alien to narrative, a place where the story-telling ego was silenced. In a Vipassana retreat there is only a here and now that unfolds without incident as the mind stills itself in the steady rhythms of pulse and breath. And yet…

“The story-telling ego” wordt gecontrasteerd met een omvattender “mind”. Elders neemt het “lichaam” de plaats van “mind” in:

‘In Leer ons stil te zitten schreef ik dat woorden een mens verwijderen van zijn of haar lichaam. Daarom is het ook zo moeilijk om over meditatie te schrijven. Het is alsof de woorden afbreuk doen aan de ervaring. Tijdens een tiendaagse meditatie beleef je de meest eenvoudige dingen op een intense manier. Volgens mij krijg je op die momenten een vermoeden van hoe dieren leven, in het nu, zonder plan, iets waar de mens zelden in slaagt. ‘ (..)

‘Voor De dienares ging ik op zoek naar het spanningsveld tussen ‘een verhaal hebben’ en ‘je ontdoen van je verhaal’. Ik was geïnteresseerd in de vraag hoe je je leven ervaart wanneer je het niet ziet als een chronologische vertelling. Ik wou geen lange innerlijke monoloog schrijven en ik wou evenmin een esoterisch boek. Daarom heb ik beslist om de keuken als uitgangspunt te gebruiken. Ik heb zelf als dienaar in een keuken gewerkt. De minidrama’s in de keuken – meestal gaat het om de tijdige bereiding van het eten – waren fascinerend. Het contrast tussen mijn uren in de keuken en de vijf uur dagelijkse meditatie was enorm groot. Wanneer je, na een meditatie, de keuken binnenloopt, ben je gedachteloos. Je contact met de omgeving wordt haast dierlijk, onintellectueel en het zicht van een kom tomaten blaast je op zo een moment omver. Ik weet dat ik nu klink als een Californische hippie. Hoe kan ik over dit alles praten zonder ironisch te klinken? Dat is een grote uitdaging voor mij.’

Lees je Parks’ citaat goed, dan zie je dat hij twee werelden tegenover elkaar plaatst maar niet weet te verzoenen: die van meditatie en van de keuken. Als literaire uitdaging kan men de weergave van het beleven na meditatie opvatten (“Het zicht van een kom tomaten blaast je op zo een moment omver”) en, meer nog, die van lichamelijkheid (“woorden verwijderen een mens van zijn of haar lichaam”).

Zoals Parks de ‘traditionele’ Westerse manier van omgaan met levensproblemen in zijn eerdere romans niet echt onderzocht, onderzoekt hij in The Server evenmin het zelfloos alternatief werkelijk. De roman gebruikt het elementaire dramatische romanmotief ‘man meets woman’ als traditioneel staketsel om daarbinnen over de waarde van meditatie te reflecteren:

I wondered about these modern day monks and nuns [collega-‘servers’ van Parks tijdens een retraite, die, anders dan hij, er soms maanden aan een stuk verbleven]. I thought about the desire to leave all narrative and self behind in the quiet emptiness of Vipassana. I tried to imagine for myself the narrative of the end of narrative. I couldn’t, just couldn’t do it. What came out instead was a novel that would pit that desire for silence and liberation from history against the budding of the oldest and most obvious story of all, when man meets woman.

Het ideaal van zelfloosheid wordt in de roman gerepresenteerd door Mi Nu, die we echter vooral door de ogen van Beth zien en tijdens de gereglementeerde meditatieweek, niet in haar dagelijks leven.

Hoe oninteressant het relatiegedoe van Geoffrey en Beth ook is, je kunt het onderbrengen in hun bredere ‘strijd’ – want iets lijkt er toch te woelen – om niet aan andermans verwachtingen te voldoen, met als open vraag wat zich toont als het lukt je aan hun (ingebeelde) verwachtingen te ontworstelen.

Daarop geeft de roman geen antwoord maar wel suggereert hij dat via neutraal observeren en aanvaarden van wat in je omgaat, via een in je sop gaarkoken (het eerder aangehaalde “churning” betekent koken, karnen, zieden van golven), mensen ten goede kunnen veranderen – hoewel hun oude zelven aanwezig blijven. Harper blijft nerdish.

Op het eind van de roman lijkt Beth het minder nodig te hebben zich in oppositie tegen haar gezin van herkomst te definiëren – mijn interpretatie. Parks beschrijft haar veranderde beleving zo:

Something has changed, I thought. I felt calm. I had no idea what I was going to do, even in the next few hours (..). But I was calm. The past was here too. Right here in the dining hall. Jonathan and Carl and Zoë and Mum and Dad, they were all here, in the noise in my head, they hadn’t been removed, or buried, or forgotten. I could imagine them sitting at the table behind me, talking together. (..) But I wasn’t upset. I didn’t need to chase them away. I was calm. (p.253)

Hoewel geen non hoofdpersoon is, worden de meditatie-die-hards in het retraitecentrum wel beproefd. Beth test ze op schijnheiligheid. Ze houden stand. Ze zijn misschien saai of onthecht maar ook op een prettige manier amoreel. Mi Nu wordt vergeleken met de maan. Ze moet er zelf om lachen en zwakt het af (“Is the moon perfect? (..) You are craving, Beth”, p.240).

Sterkste staaltje onaangedaanheid is haar gelijkmatige reactie wanneer Beth ’s nachts naakt bij haar in het eenpersoonsbed glipt en haar vastpakt. Het bewijs is onweerlegbaar, Beth voelt het met haar lichaam: “She hadn’t tensed” (p.238). Uit Beth zich gekweld, dan zwijgt Mi Nu, maar wijst Beth haar op haar aparte snurk, voor Beth als idealiseerder vast even schrikken, glimlacht ze en reageert: “Is that so?”.

Zoals ze altijd glimlacht:

The smile didn’t fade. I couldn’t tell whether she thought she knew me through and through and was being indulgent, or whether she couldn’t make me out at all. Or it just didn’t matter to her whether she knew me or not. (p.244)

Mi Nu blijft ‘in functie’ gedurende de roman, kun je zeggen. Ze kan zeer goed mediteren (schiet er meteen in) en straalt een zelfloze compassie uit, vernemen wij. Pas op het eind heeft ze haar gewone kloffie aan:

She was wearing jeans and a loose black cotton sweater. Hair in a ponytail. She was any ordinary Asian woman. That was another day-ten thing. When the silence is broken, the leaders suddenly seem very ordinary (p.259).

Toegespitst op het thema ‘een verhaal vertellen over jezelf of niet’ biedt de roman geen duidelijke winnaar, meer een theorisch exposé van de alternatieve positie, woorden:

‘I want to know all about you, where you were born, what your family are like, whether you ever had boyfriends. Or a husband. Or even children. You know? The whole story.’ She smiled. ‘Is that all?’ ‘It’ll be enough to be getting along with.’ I laughed. Maybe I was making progress. She liked me. ‘Please tell me.’ ‘There is no story,’ Mi Nu said. (..) ‘I’ve put all that behind me, Beth. (..) We soon stop thinking about most of the things that happen to us. They don’t leave much impression. And this can be true of the memories that torment you too. You can look to the light beyond them. Let anicca do its work, enter the flow and let yourself change.’ (..) ‘I don’t want to forget everything,’ I said. ‘It would be like not knowing who I am.’ She smiled. ‘So, who are you, Beth?’ (p.243)

Beth koppelt seks weinig aan intimiteit. Ze bewijst er soms iets mee of gebruikt het om de ‘boeddhisten’ in het meditatiecentrum op hun onthechtheid te testen. Soms lijkt ze een Lulu, in dit geval dan een mannelijke schrijverfantasie. Iedereen vindt haar aantrekkelijk, behalve Mi Nu, op wie ze geen vat krijgt: “I was touching her, but it didn’t feel as if she were touching me. (..) I was holding her, but she wasn’t there. Or she was, but not really in my arms” (p.239, 240). In dit voorbeeld lijkt Beth seks te gebruiken om te bevestigen dat ze bestaat, variant van eten om een emotioneel gat te vullen, hier de angst voor de illusie van het ik. Ik vind het, zoals gezegd, wat sjabloonachtig.

Lulu

‘Narrative of the end of narrative’ schreef Parks. The server onderzoekt via de verwante romanvorm ons huidig verhaal over onszelf. Voor zover dit verhaal of de romanvorm is besmet door een oneigenlijk geoordeelde behoefte aan ‘intellectuele emoties’, tart Parks ons verondersteld verlangen ernaar, bijvoorbeeld via de personages Mi Nu en het echtpaar Harper. Een echt alternatief voor ons verhaal heb ik niet opgemerkt of het moest zijn een andere beschrijving van hoe in mensen iets verandert (voorheen: tot zelfkennis komen), alternatief voor het bij ons gebruikelijke / noodzakelijk geachte pad van reflectie (waarin overigens passiviteit, ‘openbaring’, op hun plaats vallen van voorheen onverbonden elementen een rol mag spelen).

Parks neemt aan dat het doel van de boeddhisten is bevrijd te raken van ‘de geschiedenis’, alsof  geen zelf hebben hetzelfde is als niet langer proberen je ervaringen onder te brengen in een verhaal. Eerder zagen we dat Beth, aan het eind van haar meditatie, eerdere ervaringen toege-eigend lijkt te hebben. De selectiviteit die met ieder verhaal gepaard gaat, is opgeheven:

The past was here too. Right here in the dining hall. Jonathan and Carl and Zoë and Mum and Dad (..) But I wasn’t upset. I didn’t need to chase them away.

Maar dat staat er niet. Het fragment beschrijft een moment van aanvaarding van wat eerst geweerd werd. Daarmee is de stof waaruit Beth voor haar verhaal van zichzelf kan putten uitgebreid. Maar of ze stopt verhalen van zichzelf te vertellen weten we niet. Het lijkt er niet op – de roman eindigt prozaïsch, met een Beth die gesetteld lijkt.

In een ander interview bevestigt Parks nog eens de achterliggende vragen:

‘Ik heb momenteel ernstige twijfels bij de traditie van de roman, waarin draait alles om het zelf, om het ego van de personages. Tijdens mijn bezoeken aan meditatiecentra kom ik in contact met een heel ander mensbeeld, waarin het ego onbelangrijk is. Natuurlijk zijn er voordelen verbonden aan de Westerse traditie, gevoelens van verbondenheid met de ander, van verantwoordelijkheid. Toch zie ik de therapeutische waarde van het Oosterse mensbeeld.’

Origineel is Parks’ omkering van de gebruikelijke waardering. Doorgaans wordt westers individualisme, in een betekenis van ‘egoïsme’, uitgespeeld tegen de niet-bezitterige, onthechte liefde van de boeddhist voor al het levende. Ook Mi Nu en het echtpaar Harper beschikken over die kwaliteit, zij het dat Parks hem soms ‘onleefbaar’ onthecht laat zijn, onpeilbaar als de glimlach van Mi Nu. Maar in het interview is het boeddhisme onverschillig, het Westen zorgzaam. Daarmee belicht Parks, anders dan in de roman, een positieve kant van intieme relaties (die overigens ook in boeddhistische contreien schijnen voor te komen).

Het probleem van het Westen is in dit interview meer in het bijzonder weer ons ‘malen’. Het relevante onderscheid is dat tussen activiteit en receptiviteit. Op basis van zijn ervaringen met meditatie wijst Parks op een eerder psychologische dan filosofische/kentheoretische problematiek: hoe ons ‘malen’, de permanente soundtrack van het denken, tussen ons en ‘de dingen’ kan staan.

Meer in het bijzonder gaat het om de geleefde lichamelijkheid. In overeenstemming met onze bijzondere verhouding tot ons lichaam (we hebben en zijn het tegelijk) ontsluit receptieve aandachtigheid zowel de buitenwereld als een onvermoede binnenwereld. De buitenwereld wordt scherper waargenomen, met sterk verminderde ruis van de begeleidende soundtrack, én dringt sterker binnen, tot en met het ‘ik’ van zijn sokkel blazen.

Laten we eindigen met de glimlach van Mi Nu, die iets heeft van de Cheshire-kat. De roman suggereert dat meditatie een ‘natuurlijke’ onthechte liefde doordringen laat. Het zou een uitkomst zijn: de wijsheid van Salomon op een presenteerblad, als natuurlijk vermogen. Maar de historie leert onder andere dat Japanse zenboeddhisten betrokken waren bij de heilloze chauvinistische aanvalsoorlogen van Japan in de vorige eeuw.

het eeuwig gesprek: kritiek op onjuiste vertalingen en daarmee onjuiste toeschrijvingen in kritisch boek over zen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s