Kate Summerscale – De geheime liefde van Mrs. Robinson

Hoe we samen de andere kant op kijken.

“The film is associated with an urban legend well known in the world of cinema. The story goes that when the film was first shown, the audience was so overwhelmed by the moving image of a life-sized train coming directly at them that people screamed and ran to the back of the room” – Wikipedia, L’Arrivée d’un train en gare de La Ciotat

“Er reed een trein. Hij naderde. (..) Ik wilde een stap terug doen zoals je dat onwillekeurig doet wanneer op je perron een intercity langs komt razen, liet nog tot me doordringen dat dat onzinnig was, dat het niet kon en ook niet hoefde, dat ik in een kamer op een stoel zat en dat er dus helemaal geen trein was, maar de trein reed door, recht op me af, en het gedreun werd een gebrul dat alles om zich heen verscheurde” – Hans Goedkoop, ‘Ik leg mijn pen neer en…’, in Een verhaal dat het leven moet veranderen, p.278

“We vinden in de mens twee aandriften, een verlangen te zijn, maar daarnaast ook een verlangen naar zin, dat daar soms haaks op staat. Het streven naar zin kan ontaarden in een hang naar orde, in het verlangen een boek te zijn. Don Quichot is voor die verleiding bezweken en Emma Bovary” – Theo de Boer, Pleidooi voor interpretatie, p.100

samen komen we er wel uit

Uitwerking van mijn tweets op #Twitlit, een experiment van de NRC/Bas Heijne met een leesclub via Twitter. De tweets volgen mijn directe leeservaring. De uitgeschreven tweets zijn te herkennen aan het opsommingsteken/bullet, commentaar aan de streep in de linkermarge.

Samenvatting van het boek voor de zich oriënterende lezer

Gewetensvolle, terughoudende reconstructie van een van de eerste civiele echtscheidingszaken in Groot-Brittannië. Al snel blijkt de zaak verstrekkender dan het verhaal van een ongelukkig echtpaar. Een beeld van het Victoriaanse Engeland rijst op, inclusief de hypocrisie en malheden in onze ogen. Isabella Robinson blijkt verrassend sterke vrouw, ondanks haar aandoenlijk smachten, daarbij overigens niet verstoken van een forse dosis hitsigheid.

Thema van deze posting, in concreto

Masturberen voelt fijn, dat ontkennen bestrijders van deze verfoeilijke praktijk niet. Doe je het in afzondering, thuis, met de juiste voorzorg, dan berokken je geen derde persoon fysieke of psychische schade. Je wordt zelfs door niemand opgemerkt.

Is het mogelijk dat de hand van een vrouw van in de veertig in 1857, in een slecht huwelijk, met sterke seksuele verlangens, die met haar man seks heeft gehad (ik bedoel: die, al was het in het voorbijgaan, iets weet van de plezierige prikkelbaarheid van die regio daar beneden), verliefd op een arts en in de gelegenheid thuis in afzondering te masturberen, niet godsdienstig daarbij, niet de weg naar haar clitoris vindt? Maar slechts naar een pen om in een dagboek in bedekte termen dagdromerige seksuele handelingen met de arts in kwestie te noteren?

Bovenstaande vraagt naar de reikwijdte van ‘de macht van de ander’. Kan zelfs het getuigenis van de zintuigen onder invloed van praatjes uitgewist? Spiegelbeeldige vraag is die naar de mogelijkheid van zelfkennis. Laat de ‘werkelijkheid’ weleens van zich horen of krijgen we, als in een echoput, vooral terug wat we erin gestopt hebben?

De tweets  


Verwante over George Combe: “man van bijzondere integriteit, (..) grote rechtvaardigheid en onpartijdigheid in zijn oordeel; (..) een van de redelijkste mensen die ik ooit heb ontmoet” (p.45)

8 september 2012

  • Tot dusver (p.85) boeit vooral ‘de historiciteit van onze zelfbeleving’ me, zoals getoond via Isabella. Soms zelfinzicht, dan weer niet. Meer dan wij zichzelf bestraffend toespreken voor gevoelens, niet de conclusie: kennelijk wil ik geliefd/gewaardeerd.
    Die frenologie neemt niemand meer serieus. Subtieler net zo historisch zijn de termen waarin we over onszelf nadenken.

Het gaat me minder om de afzonderlijke termen waarin we over onszelf nadenken dan om het perspectief: de dingen die zich als vraag opdringen, de vanzelfsprekendheden. Hoeveel mensen vragen zich heden ten dage nog af of ze een Oedipuscomplex hebben? En als ze de invloed van hun ouders op wie ze zijn nagaan, is dat nog wel vergelijkbaar met hoe dat in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw gebeurde?

Lust en verbondenheid: van Freud naar Bowlby, van psychoanalyse naar EFT

Hoofdpersoon Isabella laat haar hoofd frenologisch bevoelen en heeft als onderscheidende kenmerken: een sterke geslachtsdrift/zinnelijkheid, een beperkt vermogen tot geheimhouding en voorzichtigheid (indiscretie en impulsiviteit), een gebrekkig respect voor gezag en de gevestigde moraal, haken naar de goedkeuring van anderen en grote aanhankelijkheid (p.46-47)

De meest bekende frenologische zone was het cerebellum, de seksplek, onder aan de nek. Een medisch handboek uit 1853 beweerde dat, wanneer geprikkeld maar niet bevredigd, het vergroten kon en andere functies verstoren, leidend tot stuipen of zelfs krankzinnigheid. Zo had Gall, de voorloper van Combe, de zone ook ontdekt. Eens bracht hij per ongeluk een weduwe tot een orgasme door haar in de nek te ondersteunen (p.46).

Isabella probeert zichzelf te verbeteren, of althans haar frenologische constitutie te hanteren, met adviezen vanuit de frenologie, in het bijzonder van George Combe. Ook past zij een type advies toe dat dan al millennia meegaat:  ‘lagere’ aandriften in toom houden door de inzet van ‘hogere’ vermogens (intellectuele en morele gevoelens).

Als Isabella Combe haar nood klaagt, met vage zinspelingen op haar liefdesleven (“scheidingen”, “beproevingen”) maar ook verwijzend naar existentiële vragen (“ouderdom & de dood zelf”, “louter bestaan in stilte, die kinderen grootbrengen (..), in de doelloze voetsporen treden van degenen die hun voorgingen”), relativeert Combe: “Een neerslachtig organisme beschouwt de ganse schepping als duister en weinig troostrijk” en adviseert niet teveel na te denken (dat helpt niet tegen onvervuld verlangen) en werken van liefdadigheid te oefenen: “Om gelukkig te zijn moeten wij belangeloos liefhebben” (p.106-107).

Voor Isabella is Combe half praktisch-filosofisch raadsman (hoe te leven), half dominee / strenge vader: “Alleen van u vraag ik lering, of verwijten”. Het is goed te weten dat beiden deel uitmaakten van een kleine groep vooruitstrevende Britten die het gevaarlijke pad van de secularisering waren ingeslagen. Men trof elkaar bij sociale gelegenheden.

Tegelijk neemt ze Combe niet volledig serieus. Ze geeft toe dat haar achting voor hem “tamelijk kinderlijk van aard” is (p.45). Daarmee krijgt haar eerbiedige omgang met hem iets van een toneelstuk, met Combe in de rol van ‘wijze vader’. Summerscale vindt dit niet dubbelzinnig en oordeelt onproblematisch dat Combe een “plaatsvervangende vader” was.

Ook zichzelf neemt Isabella niet volledig serieus. Ze spreekt over haar “ziekte” alsof haar somberheid niets over haar en haar levenssituatie zegt, bijvoorbeeld dat ze met reden somber is. Anderen kunnen gezaghebbender over haar leven en beleven oordelen dan zijzelf: “Beste mijnheer Combe, ik vraag u om vergeving voor dit alles. Ik denk dat u me zult zeggen dat ik ziek ben – & dat ik deze kwesties daardoor niet goed kan beoordelen; of dat andere geesten, die beter zijn toegerust, er anders over denken dan ik” (p.107) (het is mogelijk dat dit deels beleefdheidsformule is of manier om zich in te dekken voor haar ongepaste openhartigheid).

Combe’s advies roept negentiende eeuwse aanbevelingen tegen masturbatie in gedachten. Summerscale voert een arts op die tegen seksuele ‘monomanie’ bij vrouwen koude lavementen en onthouding van seks, literaire bezigheden, vlees en brandewijn aanbeveelt, en slapen op een kussen gevuld met haar (p.179). Bij Gay vinden we een arts met vergelijkbare voorschriften, toegespitst op vrouwelijke masturbatie:

“His prescriptions characteristically stressed a regimen that avoided, or counteracted, excessive stimulation: he counseled work to combat idleness – that fertile soil in which wicked sensual thoughts flourished – a spare diet, habits of early rising and healthful exercise, the cultivation of the intellect, and an avoidance of tight lacing, licentious novels, featherbeds, and similar luxuries” (The bourgeois experience, Victoria to Freud, deel 1, Education of the senses, p.301).

Overheersend nadeel van de frenologie voor onze hedendaagse sensibiliteit is dat aanvechtingen niet toegeëigend worden, in twee betekenissen:

  • een psychologiserende insteek ontbreekt, het verkennen van de mogelijkheid dat bepaalde handelingen of gevoelens betekenisvol zijn, iets over jezelf zeggen (wat die boodschap ook moge zijn).
  • verantwoordelijkheid nemen voor je gevoelens en handelingen, al heb je  een karakterkwetsbaarheid. De aanvechtingen blijven onpersoonlijke en onveranderlijke natuur.

Over het laatste is de frenologie onduidelijk. Aan de ene kant wordt gesuggereerd dat ieder mens zijn of haar ‘ik’ kan aansturen, aan de andere kant is men overgeleverd aan de fysiologie (p.48).

Dezelfde dubbelzinnigheid zien we bij beroemde contemporaine vrouwelijke romanciers. Marian Evans (George Eliot) en Anne en Charlotte Brontë achtten George Combe hoog, meldt Summerscale, of hechtten waarde aan de frenologie. Hun romans getuigen van hun vermogen zich in mensen en hun beweegredenen te verplaatsen. De frenologie reserveren zij voor gedrag dat te zeer buiten de orde valt.

Zo verklaart de frenologie in de romans van de zussen Brontë de drankzucht en promiscuïteit van een personage, en hartstochtelijkheid. Maar bij het laatste keert de dubbelzinnigheid terug: enerzijds is de hartstocht een karakterologisch gegeven, anderzijds ontslaat dit de draagster niet van de plicht haar ‘vermogens’ te ‘oefenen’ (p.49).

De drogreden: een verschrikkelijke daad moet wel door een gestoorde gepleegd zijn. Eliot viel eenzelfde behandeling ten deel toen ze, maatschappelijke conventies trotserend, met haar grote liefde George Lewes, officieel nog getrouwd, door België en Duitsland reisde.* “Haar gedrag, met háár hersenen, komt me voor als een ziekelijke, geestelijke afwijking”, aldus Combe, die gekte in de familielijn vermoedde, in een brief aan een bekende (Summerscale, p.108). Het onderstreept nog eens hoe gekte ook cultureel gedefinieerd is.

[*: Volgens Mead genoot Eliot met volle teugen, in tegenspraak met haar imago: “Unlike some celebrated diarists and letter writers Eliot rarely describes sensual experience, and the general absence of such accounts emphasizes her braininess, as if she were divorced from the lower instincts. But in Brussels she tells of drinking chocolate, of taking “rambles in the morning, lying melting on our beds through the middle of the day” – moments suggestive of the wondrous and exhausting pleasures of the honeymoon” (Rebecca Mead, The Road to Middlemarch, 2014, p.183)]

Op het eerste gezicht misbruikt Isabella de frenologie niet om lichtzinnig gedrag te verontschuldigen. Ik kom maar één voorbeeld tegen: gevraagd waarom ze haar dagboek bewaarde (wat werd gezien als uiterst riskant), antwoordt ze, in de beste traditie van Molière’s vis dormitiva, “dat ik vrijwel geen Voorzichtigheid heb” (p.186).

Ze zag mogelijkheden tot bijsturing van zichzelf. Ze streefde naar gematigdheid. ‘Eigenliefde’ was zelfverklaard werkpunt, helaas een moeilijk te duiden ondeugd.

Ze zag de frenologie ook enigszins spiritueel, als “een helderder & spiritueler geloof dan er ooit onder de mensheid werd gepredikt” (p.45). Hierbij moet bedacht dat Isabella op enig moment van haar leven van haar geloof was gevallen. Het maakte zingevingsvragen dringender: “Het lijkt me beter om helemaal nooit te hebben geleefd, dan om in onwetendheid en verwarring de weg naar het land van vernietiging af te leggen” (p.107, brief aan Combe). De frenologie bood kennelijk soelaas.

Mogelijk gebruikte Isabella de frenologie om voor zichzelf haar amoureuze vasthoudendheid te verklaren, die haar misschien voorkwam als iets buiten haar greep. Maar ze kan hem, afgezien van de eventuele onmatigheid, net zo goed rationeel gerechtvaardigd hebben – slecht huwelijk, overspelige man, ik leef ook. Summerscale vermeldt een getrouwde man die beweert dat Isabella hem bestookte met brieven waarin zij hem probeerde te verleiden. Hij voelde zich genoodzaakt zijn echtgenote te vragen haar de toegang tot het huis te ontzeggen (p.44).

Isabella doet, zonder succes, pogingen haar ‘verkeerde’ liefde te bedwingen. Ze is zichzelf een raadsel: “Waarom leidt alles wat ik me voorneem of waar ik naar verlang tot verbittering? Het zal wel weer mijn eigen schuld zijn. Ik verlang naar dingen die ik niet zou moeten waarderen. Ik merk dat het onmogelijk is om lief te hebben als het gepast is, of mezelf ervan te weerhouden als het ongepast is” en “In mijn hoofd is het een rommeltje, een verward mengsel van goed en kwaad. Ik word zo moe van mezelf, er komt maar geen eind aan” (p.31).

Men kan dit dagboekfragment lezen als een sentimentele verzuchting of als lippendienst aan de moraal, terwijl Isabella in werkelijkheid met instemming het pad van de ontucht, van het avontuur, verkent. Mijns inziens maken de uitgebreid beschreven gebeurtenissen voorafgaand aan deze verzuchting die interpretatie onjuist. Ze roepen om het even vragen op over de interpreet: wat is er zo bedreigend aan een vrouw die zichzelf niet meester is?

Juist hier lijkt een psychologisch perspectief in een niet-zo-hedendaagse zin iets toe te kunnen voegen. ‘Verlangen’, ‘gemis’ en tegenstrijdige ‘motieven’ vormen daar zo al het vocabulaire en begrijpen is het devies, niet verklaren of veroordelen (‘begrijpen’ kan ‘verklaren’ in zich opnemen).

Zo is goed mogelijk dat Isabella ergens “met instemming” doet wat ze doet. Maar het is niet de simpele ‘bewuste’ daad waarmee gemakkelijke veroordelaars werken noch een causaal proces buiten de persoon van de behepte om (ook de stelligheid waarmee Nelleke Noordervliet Isabella later ‘dieptepsychologisch’ afserveert overtuigt niet en komt voor- en zelfingenomen over, in het ergste geval een zelf behagen van interviewer Heijne/het lezerspubliek als ‘one of the boys’ (het was een ‘publieke’ discussie via twitter), om uit haar vaatje te tappen.

Begrijpen doet Combe niet, verklaren wel. Combe over een overspelige vrouw die geen afstand neemt van haar vergrijp: “De basis van haar hersenen moet in het algemeen groot zijn geweest & het gebied van de kroonnaad gebrekkig” (p.146, overigens ook kenmerken van Isabella’s schedel). Dit is geen begrip maar een onteigenende herschrijving, waarbij het normatieve element verborgen blijft.

In de medische literatuur van die tijd werden masturbatie de nodige kwalijke effecten toegeschreven, waarvan waanzin en overlijden niet de minste waren. Andere theorieën verklaarden masturberen het gevolg van een ziekte. Zo stelde een arts, te hulp geroepen door Isabella’s advocaat, het ook voor in haar echtscheidingszaak. Isabella’s masturbatie werd herleid op een ziekte van haar baarmoeder, ‘nymfomanie’.

De arts vermeed de kwestie of Isabella als gevolg van haar baarmoederziekte aan clitorale masturbatie had gedaan en beperkte zich tot de voor de rechtszaak relevante amoureuze dagboekpassages. Het schrijven daarvan oordeelde hij een vorm van masturbatie, waarmee overspel met Lane onbewezen was.

Combe redeneerde vergelijkbaar, minder om Isabella vrij te pleiten dan om Lane, de gecompromitteerde arts, tegemoet te komen. Eigentijds is Combe’s verkennen van de mogelijkheid van gespleten bewustzijn. In dit opzicht waren zijn publicaties onderdeel van een pre-Freudiaanse ‘dieptepsychologische’ onderstroom in de negentiende-eeuw:

“George Combe geloofde, of deed zijn best om te geloven, dat Isabella van haar zinnen was beroofd door onvervulde verlangens. Zijn eigen boeken hadden het idee vaste voet helpen krijgen dat een gedeelte van de geest in verwarring kon verkeren terwijl alle andere delen gezond bleven: een mens kon zelfs onderdak bieden aan een ‘dubbel’ of ‘verdeeld’ bewustzijn, waarbinnen de ene ik zich onbewust was van de handelingen van de andere” (p.187-188).

Begrijpen / verdiepen van beleving als remedie

De gedachte dat je beleving sleutel tot jezelf is, is aanname van de persoonsgerichte psychotherapie, overkoepelende term voor nu zieltogende vormen van psychotherapie die de continentale erfenis van het existentialisme combineren met de Amerikaanse humanistische psychologie. De term ‘persoonsgericht’ is van Van Kalmthout, die het contrasteert met ‘klachtgericht’.

Van Widdershoven ziet de oudste vorm, de cliëntgerichte therapie, als een variatie op een ouder thema. Ik zou dat thema ‘Bildung in dialoogvorm, toegespitst op de eigen persoon’ noemen. Van Widdershoven verwoordt het vanuit het perspectief van de hulpverlener: “Mensen helpen zichzelf te ontwikkelen op basis van aandacht en wederkerigheid” (‘Hermeneutiek en client-centered psychotherapie’, Van Widdershoven, in: Hermeneutiek en Psychologie, 1992).

De cliëntgerichte therapeut richt zich op het gevoel van de cliënt, breed opgevat als ” ‘beleefde betekenissen’, impliciete, complexe belevingen van de situatie”. Gezamenlijk stilstaan bij het gevoel/beleven van de cliënt is niet snotteren, “meedeinen op de gevoelsgolven van de cliënt”, maar “interpreteren van de betekenis die de wereld voor de cliënt heeft” (idem).

Begrepen daarin is dat “niet vermijding van pijn, angst en verdriet, maar juist de confrontatie daarmee uiteindelijk de cliënt verder helpt. (..) De waarheid bevrijdt: is dat de laatste illusie? Het vraagt in elk geval veel ‘geloof’, dat overigens steeds weer aan de werkelijkheid getoetst kan worden” (Van Kalmthout, Persoonsgerichte psychotherapie, 1997, p.77, 93).

Dijkstra meent dat cliëntgerichte therapie in de zin van grondlegger Carl Rogers alleen voor mensen met licht tot matig neurotische klachten geschikt is. Ze moeten verder aan enkele vereisten voldoen. Verder is het bevorderlijk als in hun eigen ideeën over wat gedaan moet worden ‘zelfreflectie’ ook voorkomt (Rogeriaanse therapie. Thema en variaties, H.5, 1989).

Bij Van Kalmthout komt men er niet achter voor welk type problemen hij zijn persoonsgerichte therapie wel en niet aangeraden vindt. Enerzijds suggereert hij grondige verbouwing van de persoonlijkheid – een ambitie waarin persoonsgerichte therapie zich onderscheidt van klachtgerichte benaderingen – als doelstelling, anderzijds noemt hij weinig man en paard.

Ofschoon cliëntgerichte therapie geen onbewuste conflicten á là Freud veronderstelt – hoewel een wijd en zijd erkend dieptepsychologisch thema van de strijd tussen autonomie en het verlangen erbij te horen herkenbaar is in Rogers’ beschouwingen over het zelf – en hoopvoller dan Freud gestemd is over wat mensen vermogen in hun eindig bestaan, met inbegrip van de kwaliteit bereikbaar in interpersoonlijke contacten, heeft deze therapie alleen zin als in de ‘beleving’ van de cliënt waardevolle aspecten sluimeren die miskend worden en in therapie ‘tot spreken gebracht’ kunnen worden.

In de 1970s flirten sommige cliëntgerichte therapeuten met de dan net opkomende cognitieve psychologie. Bij sommigen blijft er vervolgens weinig over van wat Rogers beoogde – zo beoordeelt Dijkstra althans het werk van Wexler, de derde grote theoreticus, na Rogers en Gendlin, van de Amerikaanse cliëntgerichte beweging. Anderen benutten de nieuwe stroming meer in de geest van Rogers maar ook hun gebruik van cognitieve terminologie roept vragen op.

Zo veronderstelt Rice dat genoemde belevingsrijkdom huist in autobiografische/episodische geheugensporen. De verarmde belevingen die de cliënt toont bij de therapeut zijn het gevolg van het ‘processen’ (werkwoord) van nieuwe belevings- of autobiografische geheugeninformatie via een ‘schema’.

Over die autobiografische geheugensporen schrijft Rice: “It [de eerste ‘reactie’/verwerking door de cliënt van een gebeurtenis] contains a wealth of information about the total situation (..). The parts that are left out may be aspects of the external stimulus situation, or they may be internal stimuli such as affects or kinesthetic cues. All of these things may be part of the memory traces of the experience, and yet not encompassed by the way in which the situation is construed”.

Rice vertaalt Rogers’ ambivalente theoretiseren over een ‘zelf’, dat dezelfde beperkende effecten heeft als ‘schema’s’, in kleinschaliger overkomende ‘informatieverwerkings’-terminologie. Men kan betwijfelen of het hier om hypothetische ‘verklaringen’ van standen van zaken gaat. Het is meer een herschrijving in ‘technische taal’ van hoe een cliënt vermeend verandert, een klinische reconstructie van het ‘werkingsmechanisme’ van de therapie.

‘Schema’ heeft bij Rice overigens minder de betekenis van ‘afbeelding’ – d.w.z: iets dat losse data samenvoegt tot een samenhangende voorstelling, na in die data al dan niet correct een ‘patroon’ te hebben herkend – dan van ‘actieplan’. Schema’s leiden tot selectief interpreteren van situaties, met daarop aansluitende handelingsneigingen.

Het is een opvatting verwant aan de betekenis van ‘schema’ in de veel latere schematherapie van Young (die op zijn beurt het ‘spel’-begrip van Eric Berne benutte. Berne is een jaren zestig-popcultuur-psycholoog en Freud-verbasteraar, die in vereenvoudigde vorm bij het grote publiek bekend werd via de bestseller Ik ben oke, jij bent okay van Thomas Harris).

Het keert anno 2016 terug, in een veel serieuzer jas gestoken, maar met een vergelijkbaar gemonkel met ‘homunculi’ (mensjes in de mens), in modieuze boeken afgestemd op de huidige tijdgeest. Rogers’ optimisme is vervangen door de ‘positieve psychologie’, zijn empathie gebleven, en onvoorwaardelijke acceptatie vervangen door compassie. En mindfulness…is voor even onze Haarlemmerolie, beantwoordend aan de niet aflatende roep om ‘spiritualiteit’, ‘iets meer dan alleen dit’. Die roep is zo sterk dat het beperkte gebruiksdoel waarvoor de interventie MBCT (Mindfulnes Based Cognitive Therapy) is ontwikkeld – bestrijding / voorkoming van terugkerende depressieklachten –  geheel uit het zicht verdwenen is. Niet ten onrechte, zo is gebleken, schrokken de ontwikkelaars van MBCT aanvankelijk terug voor hun zich associëren met wat riekte naar boeddhisme.

Dijkstra waarschuwt in 1989 al voor een dergelijk syncretisme. En dan beperkt hij zich nog tot ontwikkelingen binnen de cliëntgerichte therapie: “Andere scholen hebben nu eenmaal niet alleen andere technieken, maar ook, en vooral, andere normen en waarden. Het is onverstandig deze door elkaar te husselen” (o.c, p.135). Ik zou ‘normen en waarden’ vervangen door ‘modellen van het ontstaan en de instandhouding van klachten en theorieën over hoe bepaalde interventies op bepaalde instandhoudende factoren inwerken’.

Schematherapie Berne
Egoposities

De uitgever over Schematherapie en de Gezonde Volwassene (2015), waar ik op doel: “In dit boek worden vanuit verschillende disciplines interventies beschreven, die specifiek ontwikkeld zijn voor het vergroten en versterken van de Gezonde Volwassene. Deze interventies komen zowel uit de Schematherapie zelf als uit de Positieve Psychologie en Mindfulness. Deze laatste stromingen winnen gestaag aan populariteit en maken gebruik van inspirerende technieken en begrippen als welbevinden en compassie. “

Terug naar Rice en haar verrijken van ‘ervaring’ in therapie. Dat gebeurt door ‘reprocessen’ van schema’s door de cliënt nadat de therapeut succesvol de aanwezige maar onbenutte informatierijkdom van een actuele of herinnerde gebeurtenis-met-een-haakje heeft aangesproken. Over hoe dat gebeurt is Rice rijkelijk vaag. Aanname/ claim is:

If the client can fully explore his reactions to one such situation and become aware of the elements in a more accurate and balanced form, that is, can reprocess the situation, the effect will be to force reorganization of all the relevant schemes. This in turn should lead to different responses in many different situations, generalizing in ways quite unpredictable from outside.”

en

Little mention has been made about the way in which the client uses these new data to reorganize his schemes. Often this seems to happen spontaneously (..). The client simply finds himself reacting differently in a variety of situations. (..) The reorganization almost always leads to schemes superior to the old ones. They will be more adequate just because they are based on more complete information, and because reorganization takes place under optimal conditions for processing, when threat is low and concentration is high.”

(Laura North Rice, ‘The evocative function of the therapist’ in: Innovations in client-centered therapy, 1974, p.297, p.294 en p.302 respectievelijk).

Het veilige klimaat dat de therapeut biedt staat de cliënt volgens Rice toe de schaarse ‘centrale verwerkingsruimte’ optimaal te benutten voor reprocessen van geheugeninformatie, in plaats van een gedeelte te verliezen aan waakzaamheid. Daarnaast heeft verandering van een schema verondersteld een sneeuwbaleffect en worden verwante schema’s in een moeite door mee aangepast.

Verondersteld in Rice’s verhaal is een fotografisch geheugen, een ‘objectieve’ opslag van hoe gebeurtenissen cliënten ooit die eerste keer ‘werkelijk’ raakten. Adequate zogenaamde ‘evocatieve interpretaties’ door de therapeut rakelen die onbenutte herinneringsinformatie op, waarmee meer ‘authentieke informatie’ ter beschikking van de cliënt komt, waarna hij/zij of groeikrachten in hem/haar er opbouwend mee aan de slag gaan en schema’s aanpassen in de richting van de waarheid van toen.

Een exacte fotokopie lijkt niet mogelijk – een in taal omgezette herinnering is nu eenmaal niet hetzelfde als de impact van het oorspronkelijk gebeuren – maar een benadering ervan wel:

The client’s memory of the experience is fuller than his construction of it. As a client talks about an experience, his account will be a mixture of levels, including both his construction of the experience and also some material much closer to the original experience that is not encompassed by the construction. (..)

If the therapist listens with a fresh and attentive surface to the client’s description, and not simply to his conceptualization of it, he can receive a variety of sensory impressions and synthesize them into a whole that more closely approximates the client’s original experience than does the client’s own construction. (..)

Often it evokes in the client a fuller awareness of the experience, from which he can expand or correct the picture, or become aware of a new facet of it. (..) [But] the client is the only one who can fully know what is was like to be in that situation” (o.c, p.300-301)

De bewering dat alleen de cliënt in staat is de waarheid vast te stellen, omdat hij in de unieke gelegenheid verkeerd navertelde belevingen te kunnen toetsen aan objectieve geheugensporen (let op het woord ‘fully’) maakt dit een ons inziens wat naïeve theorie.

Herinneringen worden niet in reinstaat opgeslagen. Latere  verhalen vertekenen het verleden, lichten bepaalde elementen uit ten koste van andere. Latere gebeurtenissen plaatsen eerdere met terugwerkende kracht in een ander perspectief, zoals eerdere gebeurtenissen op hun beurt de impact van ‘nieuwe’gebeurtenissen mede bepalen, nieuwe gebeurtenissen ‘inkleuren’. Het verleden resoneert mee in het heden.

De vraag naar wat een gebeurtenis betekend heeft is een andere dan die naar wat de gebeurtenis destijds teweegbracht (thema van Rice). Fotografische nauwkeurigheid is niet het hoogste doel en de therapeutische effectiviteit ervan lijkt me twijfelachtig. 

Ook zien we een variant van de valkuil van Dilthey’s Verstehen. Dilthey zag de taak van de historicus een tijd lang als het zich dermate verplaatsen in historische actoren dat hun handelen – als men eenmaal alles wist en de situatie zag zoals zij hem zagen – ‘begrijpelijk’ werd.

De valkuil is een variant van symbiose. De interpreet miskent dat hij altijd met bepaalde veronderstellingen, preoccupaties de ander benadert. Men kan zichzelf niet wegcijferen. Beter is het er zich van bewust te zijn en het verschil vruchtbaar te maken.

Zou Isabella baat hebben gehad bij zo’n vriendelijke, belangstellende en niet veroordelende cliëntgerichte benadering – even afgezien van onze theoretische omzwerving hierboven? Zou iets in beweging zijn gekomen als een Combe, in een setting waarin het beroepsgeheim voor hem gelden zou en de moraal voor de duur van de sessie in een kast zou zijn opgeborgen, met de deur op slot, met Isabella in gesprek zou zijn gegaan over haar wrok tegen haar man, de dubbele moraal, de geringe rechten van de vrouw in het huwelijk; over haar langdurige verliefdheid op Lane, tegen beter weten in; haar zeker gevoel van stuurloosheid in het leven en haar soms sterk jagen op mannen, op zoek naar erotisch contact of wat zoekt ze daar precies?

Van Kalmthouts advies de confrontatie aan te gaan met negatieve gevoelens veronderstelt betekenisvolheid. De Boer onderschrijft een vergelijkbare stelling: “Voelen is beter dan niet voelen”, voor hem een psychologische of ontologische uitspraak, een uitspraak over hoe mensen in elkaar zitten. Het is geen moreel oordeel over de waarde van wegduwen dan wel toelaten/uitdrukken van gevoel. (‘Waarheid in de psychotherapie’, in: Pleidooi voor interpretatie, 1997, p.93). Beiden achten de vraag zinvol: wat zeggen je gevoelens?

Authenticiteit als doel van psychotherapie

Psychische klachten zijn soms een boodschap van jezelf aan jezelf, daar heeft de persoonsgerichte benadering zeker een punt. Van Dantzig memoreert hoe in de marge van een vergadering een hem onbekende vrouw hem eens bedankte. Als studente had ze zich ooit tot de studentenpsycholoog gewend en deze legde al zijn gevallen voor aan Van Dantzig:

“Ik was naar de studentenpsycholoog gegaan omdat ik vreselijke werkstoornissen had. Ik studeerde rechten, had met veel moeite en veel te laat kandidaats gedaan, zat voor mijn doctoraal, maar kon niets opnemen, en voelde me afschuwelijk. Dat werd u allemaal verteld, en het enige wat u zei was: “U moet er toch eens over nadenken of u wel jurist wilt worden.” Ik dacht er thuis over na, en wist opeens: die man heeft gelijk. Ik ben meteen omgezwaaid naar medicijnen” (Is alles geoorloofd als God niet bestaat?, 1995, p.62).

Ook therapeuten uit de CGT-hoek staan open voor de opvatting dat psychische klachten soms wijzen op een ‘breuk’ in het levensverhaal. Zo vertelde een gedragstherapeut me eens het verhaal van een vrachtwagenchauffeur die zich de beste chauffeur ter wereld waande. Op een dag reed de vrachtwagenchauffeur iemand dood. Dit kon hij geen plaats geven. Het ongeluk achtervolgde hem, hij verloor zijn baan en raakte aan de grond.

De gedragstherapeutische behandeling richtte zich bij de vrachtwagenchauffeur onder andere op het in kaart brengen van zijn normen (cognities, overtuigingen), voor zover ter zake, en die te veranderen, voor zover nadelig. Bijvoorbeeld om bij hem de gedachte te doen postvatten: “Ook de beste chauffeur ter wereld maakt weleens een fout”.

Wanneer de chauffeur niet langer probeert de herinnering aan het ongeluk uit de aandacht te houden – een wegduwen dat de herinnering doet terugkeren in de vorm van ‘intrusies’, in het bewustzijn brekende herinneringen in de slaap of op ongelegen momenten – kan hij het gebeurde mogelijk een plaats geven in zijn autobiografisch geheugen.

Men kan erover twisten of dit ‘slechts symptoombestrijding’ of ‘aanpakken van het onderliggende probleem’ is. Wellicht ging de therapeut te weinig met de cliënt in gesprek over de weidsere vertakkingen van ‘Hoe raakt iemand doodrijden je bestaan’? Want ongetwijfeld schuilt er een verhaal achter dat zich de beste chauffeur wanen. Maar wellicht is dit niet nodig, niet waar de chauffeur voor komt of niet iets voor schaarse verzekerde zorg.

Het zeuren van een niet-uitgedrukt ‘zijn’, in de vorm van onbestemde gevoelens, overreacties, beladen herinneringen, is een interessant fenomeen. Maar als, zoals we Stinckens boven zagen doen, klachten indelen bij een stoornis of syndroom kwalijk wordt gevonden – het gaat om de unieke betekenisverlening door de unieke persoon – is consequentie dat doel en einde van de therapie wat onbestemd worden. De klachten zijn het begin van een conversatie.

Ook De Boers filosofische weergave van het doel van psychotherapie loopt dit risico van ‘oeverloosheid’, in een niet veroordelende zin. Doel van psychotherapie bij hem is namelijk zelfkennis en eindpunt/wijkend ideaal ‘authenticiteit’.

De Boer wijdt er enkele opmerkingen aan.  Bij hem ontbreekt een ingebouwde norm – genetische blauwdruk of iets vergelijkbaars. Dit is overigens (impliciete) aanname van menig ‘zelfontplooiings’- of ‘groei’-therapie. Ook Rogers flirtte er mee, gezien door hem gebruikte begrippen als “organismische zelf” en “zelfactualisatie”.

Ondanks het ontbreken van een meetlat binnen of buiten de persoon meent De Boer dat het mogelijk is zinvol te spreken van ‘authenticiteit’:

Authenticiteit is aanwezigheid. (..) Het is een voortreffelijkheid of volmaaktheid (perfectio) van het zijn – om het nogmaals ouderwets uit te drukken – die we nog niet bezitten door het pure feit dat we bestaan. (..) De analyticus probeert een verhaal te reconstrueren, waarbij hypothesen voortdurend worden bijgesteld. Het verhaal is waar als het de werkelijkheid ‘laat spreken’. Hoe meer zijn, hoe meer waarheid” (o.c, p.98, 99)

De psychoanalyse doet voor De Boer dienst als voorbeeld/model van pogingen kennis te verwerven ‘van het individuele’.

Negatieve bepalingen halen de realiteit waarnaar De Boer verwijst iets dichterbij:

  • Het verlangen te bestaan is niet als het groeien van een zaadje tot eik.
  • Er is geen origineel zelf, waarvan men de ‘authenticiteit’ kan vaststellen, zoals deskundigen zich soms over een aan Rembrandt toegeschreven werk buigen en een uitspraak doen.
  • Mensen verlangen evenmin naar hun oorspronkelijke zelf terug, op de wijze dat Aristofanes in Plato’s Symposion over Eros verhaalt.

Hoewel ‘bestaan’ geen immanente norm bevat hoe te ‘moeten’ bestaan, en ‘zijn’ niet samenvalt met ‘bewustzijn’/zin, veronderstelt De Boer een aan ‘bestaan’ inherente neiging om tot ‘expressie’ te willen komen (“De menselijke onrust bestaat in het streven naar articulatie, expressie, ‘rekenschap‘”, Grondslagen van een kritische psychologie, De Boer, 1980, p.89). Binnen dat verlangen heeft zelfkennis een plek (“Zelfkennis moet geïnterpreteerd worden binnen existentiële categorieën”):

Vanuit dit kader moet dan ook (..) het veranderingsproces begrepen worden, waar de zelfkennis op zo intrinsieke en intrigerende wijze in betrokken is. (..) De ware werkelijkheid wordt niet in één blik geschouwd maar geleidelijk aan door interpretatie ontdekt, door het blootleggen van een wijdere dimensie van een zelfde gebeurtenis” (De Boer, Pleidooi voor interpretatie, p.99).

De Boer geeft een voorbeeld ontleend aan een gedicht. Een moeder vertelt haar kind op straat dat het beter was geweest als het nooit geboren was (het betreft de dichter Ida Gerhardt, in wier oeuvre een liefdeloze moeder veelvuldig terugkeert, dichterlijk getransponeerd, waardoor het weer te makkelijk wordt om te zeggen dat het om een onbehandeld persoonlijk trauma gaat). Het kind vervolgt zijn pad met hangende schouders en slepende tred. Als volwassene voelt het, veel later, onder invloed van bepaalde gebeurtenissen (het is bijvoorbeeld inmiddels zelf vader of moeder), alsnog woede en haat jegens de moeder. In een psychotherapie wint het vervolgens zowel vrijheid ten opzichte van de vroege gebeurtenissen als tegenover de moeder.

In termen van authenticiteit als aanwezigheid:

  • Met dat de betekenis van de traumatische gebeurtenis verandert, verandert het als historisch ‘feit’. De latere woede zegt met terugwerkende kracht iets over de (betekenis van de) oorspronkelijke schuldbewuste reactie.
  • Je kunt zeggen dat de reactie van woede ‘passender’ is, meer zaakadequaat, dan het zich ‘schuldbewust’ terugtrekken.
  • Dienovereenkomstig kun je van het kind zeggen dat het op ‘tekortschietende’ wijze is, ‘zo min mogelijk’  probeert te bestaan. Geredeneerd vanuit de mens als ‘verlangen te zijn’ is de latere reactie meer ‘waar’.
  • De latere woede, zelf gevolg van een andere interpretatie van het gebeurde, welke zich weinig bewust kan voltrekken, leidt niet alleen tot een omvattender begrip van het gebeurde, men wordt er tevens ‘authentieker’ door, bestaat ‘meer’. In termen van de cliëntgerichte psychotherapie: men heeft een rijkere ervaring, is opener.

De interpretatie van gebeurtenissen wordt opgenomen in een groter verhaal van het eigen leven. Interpretaties van andere mensen kunnen hierbij behulpzaam zijn. Tot slot gaat ‘een ontspoord verlangen te bestaan’ gepaard met onlust; vandaar de zinvolheid van ‘voel wat er te voelen valt’.

Voor De Boer is het ‘woelen om expressie’ inherent aan het mens zijn maar tegelijk iets dat om inspanning vraagt. De Boer gebruikt daarvoor de term ‘contrafactisch’: authenticiteit is zowel feit als opdracht (Grondslagen van een kritische psychologie, p.108). Zo raar zitten mensen / de werkelijkheid nu eenmaal in elkaar.

De Boer illustreert dit dubbelzinnig karakter aan de ‘postulaten van de dialoog’, aan wat allemaal verondersteld is bij het voeren van een gesprek. Onder andere:

  • dat de ander niet zinloze klanken uitstoot (intentionaliteit)
  • bewogen wordt door ‘redenen’ (ruim opgevat: argumenten die hun gewicht laten voelen, gevoelens die pleiten) en daarom toerekeningsvatbaar is (rationaliteit)
  • meent wat hij/zij zegt (integriteit, authenticiteit): aannemen dat iemand een belofte na zal komen, of meent wat hij zegt (niet louter belangenbehartiger is, ‘spreekbuis van de tabaksindustrie’, of gehersenspoeld, ‘dhimmi’).

Authenticiteit is het lastigst waar te maken postulaat, ideaal dat men moet willen waar maken. De Boer veronderstelt hierbij de noodzaak van een metafysische aansporing ‘van buiten’ – bij hem het appel van ‘het gelaat van de ander’ van Levinas (o.c, p.112-113).

De Boers weidse beschrijving van de mens als een precair verlangen te bestaan, dat zichzelf kan vergeten, kan ontsporen en soms steun behoeft, heeft zijn waarde in een niet-psychopathologische context. Maar is dit weidse uitgangspunt nu het meest aanbevelenswaardige in de aanpak van de meest frequente klachten waarmee mensen zich aanmelden bij de geestelijke gezondheidszorg – depressie, angst, dwang, verslaving?

Hmm hmm

Carl Rogers aan het werk in 1965, in een clip die 100.000 psychologiestudenten gezien zullen hebben

Boven zagen we Stinckens het woord ‘eenheidsworst’ gebruiken voor CGT. Cliëntgerichte therapie vertegenwoordigt hier het positieve uiteinde van een schaal: het is superindividueel, op maat van deze ene unieke persoon.

Karikaturen komen ook omgekeerd voor. Zo is de karikatuur van de cliëntgerichte therapeut die van een therapeut op een stoel, die de cliënt in alles aanmoedigt. Valt de cliënt onverhoopt stil, dan herhaalt de therapeut diens laatste woorden voorzien van een vraagteken.  Een andere techniek van aanmoedigen is hummen.

Een kern van waarheid heeft de karikatuur wel, zoals we boven aangaven toen we verwezen naar de ontstaansgeschiedenis van de cliëntgerchte therapie, Rogers’ verzet tegen het agressieve interpreteren door de psychoanalyse, de non-directieve’ opstelling als alternatief.

Voor een gemiddelde hedendaagse cognitief gedragstherapeut is dit een laakbare vorm van zich niet voorzien van een gereedschapskist gevuld met voor diverse stoornissen aanbevolen interventies. Zo jammer!

Het is echter niet het hele verhaal. Interpreten van Rogers’ werk kwamen terug op diens afkerigheid van interpreteren en deskundigheid. Rogers haalde in zijn werk twee opvattingen door elkaar. Nauwlettende studie van zijn werk leerde dat hij met begrippen als “organismische zelf” en “zelfactualisatie” niet bedoelde dat het doel van het helpende gesprek was om een ‘natuurlijk zelf’ van de cliënt zich te laten ‘ontplooien’. Noch verkeerde de cliënt in een geprivilegieerde positie om verschijnselen/belevingen ‘correct’ te kunnen interpreteren.

Het ging Rogers, in een tweede betekenis die ook in zijn werk te vinden is, om het loslaten van beperkende opvattingen door, en grotere openheid van, de cliënt. Ook interpretatie door derden, zoals een hulpverlener, kan daarin behulpzaam zijn. Het resultaat in alle succesvolle gevallen: een rijkere ervaring (inclusief verdamping of relativering van de aanmeldingsklachten).

Psychotherapeuten uit de persoonsgerichte hoek hanteren dus ook theorieën en zelfs protocollen (ze doen niet maar wat aan, er zit een logica achter). Ze zijn weliswaar huiverig voor hokjes (niet zo maar een ‘depressie’, maar een unieke individuele depressie) maar interpreteren zelf ook de klachten en belevingen van de cliënt. Ze hanteren ‘zoekschema’s’, ontleend aan theorievorming, waarmee ze orde proberen te scheppen in gepresenteerde klachten, emoties, herinneringen of de opstelling van de cliënt in het contact.

Een sigaar is soms een sigaar

Hoe uniek en individueel is een depressie? Sommigen zullen cynisch reageren op zelfs de suggestie van ‘individualiteit’? Als zelfhaat en leegheid definiërende kenmerken van de beleving van sommigen met de classificatie ‘depressie’ zijn is die suggestie op zijn minst komisch.

Onderliggend meningsverschil  is of psychische klachten zijn zoals een blindedarmontsteking. Nee, zeggen persoonsgerichte therapeuten. Het gaat om lijden met altijd ook existentiële trekken. zijn Men meldt zich aan met angstklachten en eindigt met twijfels over ‘hoe moet ik leven’, en met schuldgevoelens over aanvechtingen in de eigen borst.

Zelfkennis zoals De Boer bedoelt is kennis van het individuele. Tegelijk is het begrip ‘zoekschema’ bedoeld als ‘structuur om aan te kleden met unieke gegevens van het unieke individuele geval’. De klachten van de cliënt krijgen er, als de schoen past, samenhang door.

In de oude psychoanalyse was het ‘oplossen’ van het Oedipuscomplex een structurele taak waarvoor ieder mensenkind werd gesteld, jongens in een andere variant dan meisjes.  Weidser heeft Van Dantzig uit Freuds werk de basisnotie gelicht dat in ieder mens een strijd woedt tussen enerzijds het verlangen autonoom te zijn, te doen wat men wil, en anderzijds het verlangen erbij te horen. Biologisch is de mens een groepsdier. Ook die basisnotie levert een, zoals gezegd: nogal weids, zoekschema op. Individuele klachten krijgen soms samenhang wanneer men ze bekijkt als variant van dit universele conflict.

Net zo is er in de academische psychologie, anders dan sommige persoonsgerichte therapeuten gemakzuchtig denken, veel aandacht voor de vele wegen waarlangs mensen klachten kunnen ontwikkelen die ‘depressie’ heten. Evenzo voor de vele manieren waarop die klachten bij mensen in stand kunnen worden gehouden en voor specifieke interventies ter bestrijding van elk van die instandhoudende factoren.

Op maat, zogezegd.

Omgekeerd is het nogal dogmatisch om vanuit persoonsgerichte hoek te veronderstellen dat aan depressie geen neurofysiologische of genetische aspecten kunnen zitten en bijvoorbeeld farmacologische oplossingen bij voorbaat uit te sluiten, of hoogstens als paardenmiddel te gedogen.

Anders dan persoonsgerichte therapeuten soms denken is de classificatie van klachten met de DSM, het hedendaagse classificatiesysteem van psychische klachten, slechts een vertrekpunt, ook voor CGT-ers. Menig behandelaar laat er een diagnostische ronde op volgen, een betekenis- en functieanalyse, zoals dat in de gedragstherapie heet.

De DSM-indeling is slechts een taxonomie, een manier van klachten indelen, vergelijkbaar met hoe Linnaeus plant- en diersoorten opdeelde. De DSM-classificatie zegt niets over het ontstaan of de betekenis dan wel functie van klachten.

De geschiedenis van de doorontwikkeling van de DSM is bekend. Psychiaters hielden er allerlei nationale tradities op na. Schizofrenie in het ene land was wat anders dan in het andere. Ook onthulde sociologisch onderzoek dat de betrouwbaarheid van diagnostiek tegenviel. De ene psychiater kwam tot andere diagnoses dan de andere, bij dezelfde patiënt. Mensen die niet gek waren kregen diagnoses opgedrukt, als ze bij aanmelding een klacht veinsden – en werden niet ‘ontmaskerd’ als ze zich vervolgens in het psychiatrisch ziekenhuis doodnormaal gedroegen.

De DSM-3 werd ontwikkeld om aan deze onbetrouwbaarheid en spraakverwarring een einde te maken. Pretentie was een beschrijvende classificatie mogelijk te maken. Men wilde afzien van theoretische begrippen, die naar de ene of andere therapeutische school verwezen.

Maar de kennisleer had al aangetoond dat ‘kijken zonder theorie’ niet mogelijk is. De huidige DSM lijdt aan het samenbundelen van een soms bonte verscheidenheid van symptomen (en de menselijke dragers ervan) onder één classificatie. Dat gebeurt wanneer de omschrijving van de classificatie eist dat betrokkene bijvoorbeeld ‘minstens 4 van de volgende 7 symptomen bezit’.

Ook de keuze van juist deze en geen andere lijst van symptomen/kenmerken is niet neutraal. Er zit een theoretische vooringenomenheid achter, hoe ongrijpbaar de inhoud ook mag zijn. Neem de volgende denkbeeldige DSM-classificatie ‘roodbroek’:

Bevat twee of meer van de volgende kenmerken:

  • draagt een rode korte broek of kilt
  • is roodharig
  • heeft een rode dopneus op

Aanwijzing voor de beperkte waarde van de DSM is het gegeven dat classificaties overlappen en op menig client twee classificaties van toepassing zijn, zogenaamde ‘comorbiditeit’. Als depressie en angststoornis vaak samen voorkomen, is het classificatiesysteem dan misschien minder geschikt.

Soms echter is de DSM-classificatie inzichtelijk. Met DSM-classificatie ‘straatfobie’ kan menig therapeut goed uit de voeten en weet wat hem of haar te doen staat.

Persoonlijkheidsstoornissen – ook onderdeel van de DSM – vormen een geval apart. Het zijn in elk geval geen enkelvoudige, simpele klachten.

Onafhankelijk van het DSM-classificatiesysteem vindt veel onderzoek plaats naar hoe diverse psychische klachten ontstaan en in stand worden gehouden. Spinfobie heeft een heel andere ontstaanswijze en dynamiek dan depressie.

Deze voorstelling van zaken veronderstelt dat de mogelijke combinaties van verschijnselen die leiden tot de DSM-classificaties zinnig samenhangen. Is dat niet het geval, dan heeft het immers geen zin psychopathologische theorieën te ontwikkelen over het ontstaan van een bepaalde DSM-classificatie, en in onderzoek mensen te selecteren met die bepaalde DSM-classificatie. Twijfelt men aan de waarde van de DSM-classificatie, dan is de vervolgvraag: hoe mensen dan in te Iedere indeling veronderstelt een theorie over wat relevante verschijnselen zijn, en relevante samenhangen.

Omgekeerd: zodra er een prachtige theorie ontwikkeld is, waarvoor veel empirische evidentie is, waarom dan nog langer werken met de DSM-classificatie?

Laten we dit probleem voor wat het is, dan lijkt het er toch op dat bij mensen met DSM-classificatie ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’ (BPS), een groep waarvoor weinig werkzame behandelingen beschikbaar zijn, en die zich – ook onderling – betrekkelijk goed herkennen in dit label, zogenaamde schematherapie – een vorm van CGT – meer succes boekt dan een variant van cliëntgerichte therapie.

Verhaeghe en anderen kunnen nu alleen nog schimpen op de manier waarop ‘vooruitgang’ gemeten wordt en eventueel op het botte samenvoegen van mensen in hokjes als BPS (Verhaeghe niet, die diagnosticeert, in de beste tradities van psychoanalytisch angehauchte cultuursociologen als Christopher Lasch, hele geledingen van de hedendaagse maatschappij).

Eenvoudig is schematherapie bij BPS ook al niet – supervisie van de therapeut is verplicht, om opbranden door de cliënt te voorkomen.

Als nu ook de cliënten zeggen – gemiddeld genomen, akkoord – meer baat te hebben bij schematherapie dan bij de variant van cliëntgerichte therapie, wie zijn de persoonsgerichte therapeuten dan om hun verlies niet te erkennen en zich vast te klampen aan ‘principiële’ kritiek?

En welke inzichten over het ontstaan van BPS stellen zij tegenover het traag vorderende onderzoek door anderen?

En hoe bruikbaar zijn de weidse uitgangspunten van cliënt- of persoonsgerichte therapie hier? Schreeuwt de problematiek niet juist om een behulpzaam hokje?

BPS-onderzoekers erkennen dat ellende in de levensloop het huidige reageren en beleven van de BPS-cliënt mede kan hebben veroorzaakt. Emotionele verwaarlozing en fysiek misbruik, inclusief seksueel misbruik, komen daarin relatief vaak voor.

De achterliggende theorie van het ontstaan en zeker de instandhouding van de klachten is, hoewel discutabel, prettig toegespitst. Young laat schadelijke ervaringen zich vastzetten in bepaalde manieren van informatieverwerking en haast automatisch reageren. Doel van schematherapie bij BPS is vervanging van dergelijke schema’s of ‘modi’ van zien-schieten-en-dan-pas-denken.

In de menswetenschappelijke psychologie zoals filosoof de Boer, toch een medestander van de  persoonsgerichten, die voor zich ziet, is alle ruimte voor schematherapiebegrippen als ‘schema’ en ‘schemamodi’, zoals ook het bredere domein van  ‘gewoontes’ bij hem bestaansrecht heeft.

‘Gewoonte’ staat voor alle ‘domme’ vormen van ontsporing, dingen die een eigen bestaan zijn gaan leiden zonder diepere betekenis, zoals een tic of een denkgewoonte. Ook tussenvormen komen voor – half automatisme, half automatisme met een betekenisvolle oorsprong – zoals automatische associaties, ongemerkt selectief richten van de aandacht, ongemerkte selectieve interpretatie van een prikkel/situatie.

Zoals niemand er moeite mee heeft te erkennen dat we een bloedsomloop hebben, zouden ook bespelers van de ziel die “de rijkdom van de persoon” eren en zeker recht willen doen aan diens “veelkleurigheid (..) ook (..) de dimensie van zingeving en spiritualiteit” (Krikilion, o.c, p.111), kunnen proberen daarvan af te zien als goede hulp daar om vraag; kunnen proberen zich open te stellen voor de mogelijkheid van mechanismen onder de bewustzijns- of spirituele drempel, die de reacties, gevoelens of herinneringen van cliënten mee bepalen.

Bidden doet men maar in de kerk.

Hoe rookt men een sigaar of: de religie van het intieme contact

Hoewel emotioneel en lichamelijk misbruik in de voorgeschiedenis van mensen met classificatie BPS relatief vaak voorkomt,  richt schematherapie zich niet op ‘verwerking van’ of ‘stilstaan bij’ pijn uit het verleden. Of men doet het wel – maar verstaat er alleen iets anders onder dan wat-Van-Kalmthout-ook-maar-bedoelt-met “confrontatie” met pijn, angst en verdriet, en wat ook wij misschien gewend zijn geraakt – beïnvloed door wat wij denken dat juiste manieren van daarmee omgaan zijn – eronder te verstaan.

Zo maakt schematherapie weliswaar gebruik van ervaringsgerichte technieken maar doel is niet om uitgebreid en ‘ongestructureerd’ stil te staan bij wat het voor de cliënt betekend heeft destijds zus of zo behandeld te zijn, en hoe wat toen gebeurd is de verdere levensloop beïnvloed heeft. Noch slaat de cliënt zijn of haar huidige boosheid over ‘toen’ eruit op een kussen.

Men haalt een beladen herinnering op en de therapeut speelt de rol van een ouder van de cliënt die hem of haar te hulp schiet.

Theoretisch begrijpen sommige onderzoekers wat in deze experientiële, ervaringsgerichte ‘techniek’ gebeurt als het opslaan, in net iets veranderde vorm, van een beladen autobiografische herinnering, nu – door de denkbeeldige ouderhulp – met minder lading.

Het klinkt wat koel – maar wie zei dat psychotherapie romantisch in plaats van probaat moest zijn?

Ook Isabella raadpleegde Combe omdat ze leed, gekweld werd (hier beginnen de meningsverschillen: Noordervliet relativeert Isabella’s lijden met een variant van “Die vrouw heeft een goede beurt nodig”, zie 20 september).

We hebben gezien dat Isabella in brieven aan Combe ook existentiële vragen opwerpt, maar de relatie met haar klachten is onduidelijk, zoals ook de aard van die klachten dat blijft: was Isabella meer dan ongelukkig verliefd en gevangen in een ongelukkig huwelijk? Het is veronderstelling van Van Kalmthout en anderen dat sommige of veel psychische klachten óók ‘symptoom’ zijn van ontlopen van algemene existentiële problematiek.

Gewetensvol van De Boer en anderen is, dat zij het ‘probleem’ van de historiciteit van (zelf)kennis erkennen. Zij verstaan zich met het gegeven dat psychotherapeut en cliënt, George Combe en Isabella Robinson, Van Kalmthout, u en ik, delen: we zijn gesitueerd in tijd en plaats. Maar het is de vraag of dat relevante kennis is bij het mensen afhelpen van hun psychische klachten.

Noot: alle opmerkingen over Rogers en cliëntgerichte psychotherapie zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan ‘Hermeneutiek en clientcentered psychotherapie’, Van Widdershoven, in: Hermeneutiek en Psychologie, 1992.

De religie van het intieme contact

De cognitief gedragstherapeut stelt sneller een bewezen werkzame interventie voor. De relatie met de cliënt doet er zeker toe leidt dat tot het voorstellen van een interventie die, naar de mening van de therapeut, het best het probleem van de cliënt verhelpen zal; tot het toelichten van hoe en waarom het meewerken aan die interventie leidt tot verlichting of wegneming van de klachten  / het probleem; en tot inspanningen om de cliënt te motiveren voor behandeling, de cliënt moet immers de inspanningen plegen en voorwaarde is dat hij of zij er heil in ziet.

Motiveren voor verandering is een apart onderdeel. De vroege gedragstherapie was impliciet op het expert-model. Later is bij sommige gedragstherapeuten veel meer sensitiviteit ontstaan voor dit element. Echter, niet, zoals bij persoonsgerichte therapeuten, in de zin van de gevoelde noodzaak authentiek te zijn. Uit het handboek van stofzuigerverkopers meent men ook geschikte tips te kunnen ontlenen.

Persoonsgerichte therapeuten vinden de relatie heilzaam, cognitief gedragstherapeuten zien de relatie doorgaans meer in functionele termen. Persoonsgerichte therapeuten zijn meer filosofen, cognitief gedragstherapeuten meer retorici, overtuigingskunstenaars.

Is de patiënt een narcist, dan heeft een cognitief gedragstherapeut er geen moeite mee stroop te smeren. Heeft de cliënt een onaangename omgangsstijl, vol verachting voor wat ‘die therapeuten’doen, allemaal trucjes, dan buigt de sensitieve gedragstherapeut mee  en zal betrokkene zeker niet weerspreken, mogelijk complimenteren met diens eerlijkheid.

Persoonsgerichte therapeuten menen dat zij iets heel anders doen dan cognitief gedragstherapeuten: niet de ervaring van de cliënt onderbrengen in een abstracte verklaring, waarmee diens uniciteit opgaat in de eenheidsworst van een ‘stoornis’ – alsof lijden een ziekte is! – maar deze verdiepen. Vandaar het voorleggen van de interpretaties aan de cliënt.

Rogers deed geen uitspraken over wie of wat een mens eigenlijk is. Wel meende hij te kunnen zien wanneer iemand niet ‘zichzelf’ was. Je zou kunnen zeggen dat hij deskundigheid claimde in het herkennen van oneigenlijkheid/inauthenticiteit. Door zelf authentiek te zijn – inclusief soms confronteren – kan de cliëntgerichte therapeut de patiënt een andere manier van zijn voorleven. Waarna de door De Boer veronderstelde ‘natuurlijke’ krachten, die authenticiteit nastreven, aanslaan op dit aanbod en iets in beweging zetten in de cliënt. Echt contact.

Van Widdershoven geeft een vooral filosofische uitleg van wat gebeurt bij interpreteren en hoe de juistheid van een interpretatie soortement vast te stellen. De psychotherapeutische context is illustratie van een algemeen punt, geldig voor ieder menselijk begrijpen van een ander. De ter- minologie (‘horizonversmelting’) ontleent Van Widdershoven aan de filosoof Gadamer:

De geldigheid van de interpretatie is afhankelijk van de vraag of de cliënt er iets mee kan doen. (..) Een verklaring is pas geslaagd, wanneer er een horizonversmelting tot stand komt, zodat het perspectief van de therapeut toegankelijk wordt voor de cliënt. Zolang dat niet het geval is, mag de therapeut niet veronderstellen de ervaring van de cliënt te hebben begrepen. De cliënt blijft degene die in het therapeutisch proces de leiding heeft” (o.c, p.95-96).

Van Widdershoven blijft buiten vragen als: (a) hebben psychische klachten altijd wel een existentiële dimensie? (b) is bij sommige/veel klachten of stoornissen een andere dan praataanpak niet meer aangewezen, effectiever (sneller en doeltreffender)?

Een onvolledig begrip van zijn werk speelt ook Rogers’ adept Van Kalmthout parten. Hij raakt verstrikt in zijn ‘waarheid bevrijdt’-geloofsartikel. Daarin begrepen lijkt dat de juistheid van een interpretatie blijkt doordat de cliënt vooruitgaat. Waarheid en werkzaamheid (“bevrijding”) lijken onderling verbonden. Een interpretatie bevrijdt dan en alleen dan als, en in de mate dat, zij ‘waar’ is.

Men kan lastige vragen bedenken, zoals: en wat als die vooruitgang pas na een tijd zichtbaar wordt? Welke van de vele in de tussentijd gepleegde interpretaties bevatten bevrijdende waar- heid? Of doelt Van Kalmthout op onmiddellijk effect (dit is onwaarschijnlijk)? Bevestigt de cli- ent de juistheid van een interpretatie met krachtige emotie (de interpretatie ‘raakt’ iets) of ver- bale instemming (‘Ik kon er nooit de woorden voor vinden maar u zegt precies hoe ik me voelde/ hoe het zit!’)?

Het belang van ‘waarheid’ in zijn therapie is ook de oorzaak van Van Kalmthout’s moeite met Jerome Frank, door Van Kalmthout zelf gebruikt om zijn persoonsgerichte therapie tegen te profileren.

Frank verklaart, in zijn invloedrijke Persuasion and Healing (1961, 1983, 1991), het effect van psychotherapie sociologisch. De waarheid van een interpretatie, theorie of behandeltechniek doet er niet toe. Werkzaam is, onder andere, dat patiënt en genezer/behandelaar geloven dat de methode waar/werkzaam is. Psychotherapie is een vorm van sociale beïnvloeding en herstel een ‘placebo-effect’, in een niet veroordelende zin.

Frank’s theorie heeft iets spottends. Een wonderkuur is even werkzaam als het integer stilstaan bij ellendige gebeurtenissen en pijnlijke relaties door Van Kalmthout en zijn cliënten, en beide werken om een andere reden dan zij zelf denken.

Is dit waar, dan gaat de voorkeur uit naar de quick fix. In dat geval gaat ook de stelling op: goedgelovigheid is bevorderlijk voor de geestelijke volksgezondheid. Wie wil waarheid als het niet nodig is?

Dat de waarheid altijd bevrijdt durft Van Kalmthout niet beweren maar onverdraaglijk voor hem is dat zij er niet toe zou doen, dat niet de kwaliteit van het contact en de via gesprek ver- diepte beleving werkzaam zijn maar andere dingen.

De alternatieve verklaring van de werking van psychotherapie door Frank is niet de enig moge- lijke. De experimentele psychopathologie komt met een reeks kleine interventies die aangrijpen op onderdelen van de causale keten die een bepaalde psychische stoornis in stand houdt. De cognitieve gedragstherapie probeert onder andere disfunctionele gedachten te vervangen door functionele. In deze discussie moet men onderscheid maken tussen:

  • Verklaringen van het ontstaan en blijven bestaan van psychische klachten
  • Verklaringen hoe bepaalde interventies (zoals de therapie van Van Kalmthout) ingrijpen op bepaalde in standhoudende factoren
  • Onderzoek naar de werkzaamheid en effectiviteit van bepaalde behandelingen (als samen- stel van interventies). Welke behandeling is het meest doelmatig, heeft de optimale combi- natie van werkzaamheid, duur, kosten?

Van Kalmthout bindt zijn ‘geloof’ in de bevrijdende werking van de waarheid, in waarheid als werkingsmechanisme, aan de aarde/empirie door toe te voegen dat het “[geloof] overigens steeds weer aan de werkelijkheid getoetst kan worden”. Hierbij onderscheidt hij echter niet tussen:

  • Toetsing of iemand vooruit gaat, d.w.z: klachten verdwijnen, de stemming verbetert, be- trokkene heeft liefdevoller contacten, de actieradius breidt zich uit, etcetera. Dit is de werk- zaamheid van de behandeling. Twistpunt hier is: hoe ‘vooruitgang’ te meten? Wat telt als vooruitgang en hoe meet je dat?
  • Onderzoek hoe ‘beleving interpreteren’, de ‘confrontatie aangaan met angst, pijn en ver- driet’, de dingen doet die Van Kalmthout weinig precies “bevrijden” noemt.
  • Toetsing of bepaalde interpretaties correct zijn (ongeacht of ze ‘bevrijden’). Dit is de vraag naar de waarheid. Probleem hier is dat de toetsing van interpretaties een zachte wetenschap is. Nooit kan daar de stelligheid bereikt worden die voor sommigen waarmerk van ‘echte’ wetenschap is.

In zijn poging Frank te weerleggen en interpretatie als ‘werkingsmechanisme’ te behouden, sluit Van Kalmthout aan bij de Rogers van ‘interpreteer niet’. Het bevrijdende interpreteren komt van de cliënt, geholpen door een hulpverlener die maximaal machtsvrij opereert, zich identifice- rend wegcijfert.

Oftewel: dat waarheid therapeutisch werkzaam is (en onwaarheid minder), betwijfelt Van Kalmthout niet. Zijn zorg gaat uit naar borgen van de waarheid van de interpretaties die in zijn psychotherapie worden gemaakt. En hij doet dat door te benadrukken hoe ‘onbevooroordeeld’, ‘niet-manipulatief’ ze tot stand komen. Hun maagdelijke (‘natuurlijke’ of ‘heilige’ maar in elk ge- val niet ‘culturele’, d.w.z. tijd- en plaatsgebonden) totstandkoming is argument voor hun juist- heid. Van Kalmthout beweert in omtrekkende bewegingen dat:

  • de therapeut soms, in de intensiteit van het intiem contact, met interpretaties komt die als het ware buiten hem om ontstaan – alsof dat bijzondere gebeuren tevens garantie voor hun waarheid is:

        “Als de betrokkenheid er echt is dan is het waarschijnlijk dat er op bepaalde momenten een
        man of vrouw van wijsheid, inzicht, en, niet te vergeten, compassie aanwezig is. (..) Het gek
        ke is dat de goede therapeut daar niet naar streeft: het is er of het is er niet, het kan niet wor-
        den afgedwongen. (..) Het [gaat] hier om kwaliteiten die de persoon te boven en te buiten
        gaan: ze zijn er, ze gebeuren, in plaats van ‘ik heb ze’ of ‘ik doe het’ (Psychotherapie. Het bos
        en de bomen, 1991, p.124)

  • de therapeut door die aanvaardende intimiteit de cliënt ertoe brengt te voelen wat er te voe- len valt, om taboes of angst te doorbreken. In die veiligheid en dat toelaten zou de cliënt vanzelf juiste/ware woorden vinden voor zijn/haar beleving.

Het is duidelijk dat Van Kalmthout zich maximaal distantieert van het type betweterige thera- peut waar ook Rogers zich tegen verzette.  Zo relativeert hij met nadruk het belang van theorie (maar vindt tegelijk dat een psychotherapeut goed op de hoogte moet blijven). Geen dogmatiek. Bescheidenheid. Luisteren. Authentiek aanwezig zijn, niet boven maar naast de cliënt, soms vroedvrouw, dan weer zelf lerend van hem of haar.

In zijn metafoor van de therapeut als ‘vroedvrouw’ is besloten dat de therapeut het kindje van de genezende waarheid, niet zelf  ‘maakt’. Dat is ‘puur natuur’. Tegelijk blijkt Van Kalmthout psychodynamisch onderlegd en alert op bedekken van tekorten, pijn uit het verleden of existen- tiële angst door een bepaald type relatie met de hulpverlener aan te gaan. Daar is van alles ‘cultureel’ aan.

Verkerend aan het andere uiteinde van het spectrum bemoeienis – non-interventie zien we bij Van Kalmthout soms de contouren van een vervloeiïngsfantasie, de droom van onbemiddeld contact, waarbij de eigen ervaring aan de cliënt transparant is en de omzetting ervan in taal geen probleem; of waarin de therapeut, vanuit dezelfde intimiteit, uit bijzondere regionen juiste interpretaties aangeleverd krijgt die de cliënt meteen overtuigen.

Dat interpreteren, naast empathie en overige bagage, ook creativiteit van de therapeut vereist en daarmee deelt in de wonderbaarlijkheid daar soms van  (‘Hoe kom ik hier op?’) zal niemand ontkennen. Ook kan ik me goed voorstellen dat een intiem contact waarin beknelde gevoelens, zowel agressieve als afhankelijke, geuit kunnen worden heilzaam voor een cliënt is (Frank zal hiervan een geabstraheerde versie beamen: hedendaagse psychotherapeutische benaderingen zullen het snel te ongericht vinden). En tot slot is het raadzaam dat een hulpverlener zich niet te sterk door eigen vooroordelen laat leiden maar zich in de persoon tegenover hem of haar wil verdiepen (mits functioneel – roepen psychotherapeuten van hedendaagse stromingen en zorgverzekeraars).

Maar dit streven naar objectiviteit is geen garantie voor juiste interpretaties. Van Kalmthout lijkt het intieme contact te mythologiseren.

Is alles wat werkt van waarde?

Een van de redenen waarom Van Kalmthout moeite met Frank heeft, is dat deze ‘waarheid’ tussen haakjes zet. Frank’s positie lijkt op die van sceptici in de filosofie. Die verkondigen een meta-waarheid, van de soort: je weet niets met zekerheid.

Frank relativeert een ‘etnocentrisch’ schijnend gelijk van de door hem bestudeerde vormen van ‘sociale beïnvloeding’, terwijl hij zelf cultuuroverstijgende grootste gemene delers (waar en werkzaam) zou hebben ontdekt. Nader beschouwd is dat echter geen meta-perspectief maar ‘gelijkvloers’ concurreren.

Equivalent van de positie waarin Van Kalmthout zich gebracht voelt, is wanneer iemand Frank zou zeggen: “Blijf jij maar braaf geloven dat je theorie waar is. Zo lang gaat hij namelijk op!”.

Binnen de door Frank bestudeerde wereld van sociale beïnvloeding verkeert iedereen in de posi- tie van de regressietherapeut die samen met zijn cliënt ontdekt dat in een vorig leven van de cli- ent bepaalde niet al te frisse dingen gebeurd zijn die hem of haar in dit leven tot dusver parten hebben gespeeld – tot het heilzame graafwerk in de regressietherapie verlichting bracht.

Menigeen zal vinden dat regressietherapeut en cliënt samen onaangename waarheden niet onder ogen willen zien. Voor Frank is dat niet relevant. Wat telt, is wat werkt.

Van Kalmthout heeft moeite met zulk relativeren van waarheid. Hij meent dat hij en zijn cli- enten doorgaans integer zijn en hij streeft er in elk geval naar dat als therapeut te zijn. Authen- tiek reageren als therapeut is in zijn therapie van wezenlijk belang. Het belichaamt een belang- rijke waarde en wordt tevens heilzaam geacht. Hij deelt geen ongemeende complimentjes uit, verkoopt geen zalvende praatjes.

Therapeutisch uitnutten van een geloof in meerdere levens of van conversaties met overleden dierbaren…al zou het werken, wat Van Kalmthout, denk ik, niet gelooft, dan nog zou hij erop tegen zijn.

Maar wie is de een om de ander zijn of haar levensbeschouwing op te leggen? Als het werkt, dan werkt het toch?

Dat het niet hóórt te werken, volgens Van Kalmthout’s theorie, is een feit. Niet op het diepere niveau waarop persoonsgerichte psychotherapie vermeend werkzaam is. Want daarin is de sterfelijkheid van de mens verondersteld existentieel thema onder veel psychische klachten. E- ventueel succes van de regressietherapeut zou Van Kalmthout in een existentiële crisis storten.

Maar het is geen probleem beperkt tot de psychotherapie. Heerma van Voss, eindredacteur van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid, zette de kwestie van waarheid in psychotherapie, waarheid ongeacht werkzaamheid, ooit op scherp.

Destijds ontving de redactie van zijn blad met enige regelmaat inzendingen van een psycholoog. Deze mat de voordelen van het communiceren met overleden mensen uit. Zijn bijdragen werden steeds afgewezen met een beleefd briefje. Tot men, misschien uit verlegenheid met de situatie, de psycholoog vroeg de voor- en nadelen van het praten met overleden mensen eens bondig op papier te zetten.

Dat deed de psycholoog. “Al na enige dagen kunnen wij met ze praten en wordt hun heengaan getransformeerd in een zinvolle ervaring”, schreef hij onder andere. De bijdrage werd ge- plaatst, met een (retorische) vraag van Heerma van Voss als inleiding: zou er niet ook een na- deel zijn dat alle voordelen overschaduwde?

Slechts één lezer reageerde, de cultuurpsycholoog Peeters. Deze boog empathisch mee met de psycholoog maar bracht de geesten niettemin onder in diens emotionele huishouding, wat de psycholoog (in een repliek) ergerde.

Heerma van Voss beantwoordde jaren later zijn eigen vraag: “Ik bedoelde dus, (..) dat je met overleden mensen best kunt praten, maar dat het niet wáár is dat ze ooit nog iets terug zullen zeggen. Wie gestorven is, is namelijk dood – niet omdat het een voordeel oplevert of een ver- zinsel is, maar omdat het leven is geweken en de begrafenis heeft plaatsgevonden. (..) De tast- bare bevestiging van de dood – dat is een zekerheid die niemand misgund mag worden. Ieder- een probeert, op zijn eigen manier, de werkelijkheid af te schaffen, maar je moet erop kunnen rekenen dat het nooit echt lukt. Anders word je gek” (De haas en de jager, p.198-200).

In de bijdrage waarin Heerma van Voss deze ervaring beschrijft, gaat hij ook, op een journalis- tieke manier, in discussie met het postmodernisme. De ‘zekerheid’ van de dood fungeert als een ‘waarheidsfundament’. Niet alles is ‘sociale constructie’ (in een doorgeslagen zin). De dood biedt de vastigheid van contact met ‘werkelijkheid’.

Het is een bekend verlangen dat intern gekoppeld is aan een tweede: dat naar verbondenheid, een gedeelde wereld. Heerma van Voss ziet de psycholoog als voorbeeld van een trend: een- zelvigheid als ideaal, iedereen zijn eigen waarheid, welke respectvol dient bejegend. En dat in 1992.

Net zo verlangt Bas Heijne in De werkelijkheid (2004) dat de kunst weer contact maakt met de werkelijkheid en benadrukt hij in recente essays de noodzaak maar opgave van betrokkenheid bij wereld en andere mensen.

Van Kalmthout, tot slot, wil in het gesprek met zijn cliënten ‘rock-bottom’ raken, met de echte emotionele werkelijkheid in aanraking komen en er voor zijn cliënt ‘zijn’ – ook verbondenheid. En spreekt de hoop uit dat aan de cliëntenzijde dan heling (“bevrijding”) optreedt. Het zou zo mooi in elkaar passen – misschien al te mooi – maar dat is een andere kwestie.

De vraag is of we in een werkelijkheid willen leven waarin objectiviteit als streven wordt opge- geven. Word je dan ‘gek’ zoals Heerma van Voss beweert? Stel u, als gedachte-experiment, voor dat er een pil uitgevonden wordt die alle psychische klachten wegneemt. De vrachtwagen- chauffeur slaapt goed, ondanks zijn verkeersongeval. De seksueel misbruikte vrouw met bor- derlineproblematiek functioneert sociaal wonderbaarlijk evenwichtig na het trouw slikken van haar pillen. Zou u invoering bevorderen? Of is ‘werkzaamheid’ niet genoeg?

Isabella tussen placebo, echte revelaties en moraline

Lezing van het boek van Summerscale liet mij achter met een neerdrukkend besef van hoe men- sen elkaar het leven zuur kunnen maken. Verruiming van ervaring is dan een proces van deta- boeïsering, ‘psychotherapie’ verzamelterm voor omgevingen of praktijken waarin morele en andere dwingende zingevingskaders tussen haakjes kunnen worden gezet en aandacht is voor wat is; een “waardevrije schuilplaats” (De Boer, o.c, p.95), kuuroord of sorts.

                                    

Aan onderzoek van haar gevoelens en ambivalent gedrag komt Isabella niet toe. Ze heeft geen niet-moraliserende gesprekspartner en ontloopt ook zelf haar gevoelens, in de mate dat ze de frenologische onteigening en de moraal van haar tijd overneemt.

Isabella vertoont mijns inziens wisselend zelfinzicht. Wellicht winnen wensvoorstellingen het in haar geval telkens van nuchterder analyses van haar situatie. Evident snakt ze naar liefde en passie, een inhoudsvol leven, en kwijnt ze weg, in het besef dat de jaren vorderen.

Isabella probeert geregeld liefde te kopen. Ze stuurt de mannen naar wie ze haakt veel brieven en kattebelletjes of cadeaus, in de hoop iets terug te krijgen. Gebeurt dat niet, herkent ze haar achterliggende motivatie maar geeft er een zelfverwijtende draai aan in plaats van haar be- hoeften te erkennen.

Misschien is het niet echt zelfverwijt maar omweg om, na verwerking van de teleurstelling, opnieuw hoop te vatten, de man in kwestie niet op te geven.

Voorbeelden:

  • Isabella wandelt met tweede vlam Thom, hun conversatie is minder maar “niettemin maakte de wetenschap dat ik werd begrepen en dat hij mijn gezelschap werkelijk plezierig vond de wandeling de moeite waard” (p.80).
  • Een tijdelijke vlam in Frankrijk, die ze niet eens bijzonder knap vindt, geeft ze een piano. Ook hier teleurstelling over zijn koelte maar dan: “Ze zei tegen zichzelf dat de koelte van de leraar goed uitkwam: ‘Karakters kunnen nogal uiteenlopen,’ schreef ze, ‘en per slot is het maar goed ook dat hij over gematigdheid beschikt.’ ” (p.114). Dit lijkt op wonden likken en de moed erin houden.
  • Zichzelf kapittelen: “Geen woord over brieven van mij aan hem, geen woord van erkente- lijkheid voor wat dan ook. (..) Het was wel goed zo. Ik moest er maar aan wennen dat ook hij straks deel uitmaakt van degenen die het zonder mij kunnen stellen” (p.83). Ik lees dit als voor maar een klein gedeelte zelfmedelijden en misschien is ook dit reculer pour mieux sau- ter.
  • Een andere keer lijkt het zichzelf kapittelen bedoeld om een positief beeld van de geliefde in stand te houden: “Zo zou ik een lelijk of onaantrekkelijk persoon ook behandelen, zelfs als die van me hield. Dat ligt in de menselijke aard” (p.115).

Dinsdag 25 september stelde ik Kate Summerscale hierover een vraag. Uit haar opvatting spreekt een positiever beeld van Isabella dan Nelleke Noordervliet huldigt maar mijn vraag be- antwoorden doet ze niet. Jezelf ‘vergeven’ en ‘bemoedigen’ kun je zonder te begrijpen. ‘Verge- ven’ suggereert een morele fout, ‘bemoediging’ kan de voortgezette strijd tegen een vermeende fout betreffen:

   

9 september 2012

  • p.82 Als Isabella opgewonden in bed draait en de slaap niet vat…zal ze toch gemasturbeerd hebben en besef hebben van wat bij haar speelt? Summerscale geeft Isabella twee keuzes: eerst volgt ze in dag- boek de kuise etiquette, dan wijkt ze ervan af naar “[dagdroom]sferen”. Vind ik vreemd. Als Isabella toch de code doorbreekt, waarom dan niet haar hartstochtelijk verlangen voor Lane rechtstreeks besproken? Zouden bepaalde belevingen verhinderd zijn tot bewustzijn te komen, omdat taboe? Haar “draaien” en “opwinding” Isabella een raadsel?

Dit kan niet waar zijn. Uit latere dagboekaantekeningen komt naar voren dat Isabella al die tijd weet ongelukkig verliefd op Lane te zijn (wat haar niet belet soms hitsig op andere mannen te worden). Ook geeft ze hem allerlei stille hinten en zoekt geregeld in conversatie de gevarenzone op.

De regels op p.82 kijken terug op de eerste dag van haar bezoek aan Lane in zijn pas geopend kuuroord. Na een koel begin kwam “de oude betovering weer over me”. Lane en echtgenote leiden Isabella naar haar kamer. Wat dan gebeurt, is mogelijk pas de volgende dag of enkele dagen later aan het dagboek toevertrouwd (p.171):

“Toen lieten ze me alleen, maar van slapen kwam niet veel; het bed was hard en ik was veel te opgewonden om te kunnen slapen. Ik lag te draaien tot het licht werd en toen was het al laat.”

Isabella’s gedraai suggereert dat iets om uitdrukking woelt. Nadat ze later ’s middags (waar- schijnlijk) seks met Lane heeft gehad en ze elkaar ’s avonds kussen in zijn studeerkamer en an- derszins ongedwongen samen zijn, volgt een nieuwe slapeloze nacht: “Eilaas! Ik sliep niet veel meer die nacht, werd wakker, stond op, droomde – langzaam brak de dag aan.” (p.100). Ik be- doel, ik kan me hier ook een ontspannen nagloeien of euforisch inslapen voorstellen.

Ook na wat hun laatste erotisch samenzijn zal blijken, een kwartier lang, wederom in zijn stu- deerkamer, met nog meer waarschijnlijkheid een echte coïtus, ligt Isabella te woelen: “De slaap was die nacht ver van mij, ik lag te draaien en te dromen en te hunkeren tot de morgen en was te moe en te slap om op te staan” (p.118). Mocht Isabella hoop hebben opgevat een geheime ver- houding met Lane te kunnen beginnen, zou dat gepaard hebben kunnen gaan met een goede nachtrust, vanuit een vertrouwen in de toekomst. Maar nee. Enige wat ik kan bedenken: mis- schien activeerde de fijne middag alle onderdrukt verlangen; het gemis tot dan schrijnde dan ook. Of Isabella was hoopvol maar zat te prakkizeren hoe zo’n geheime verhouding praktisch vorm te geven.

  • Krijg plaatje Isabella’s psyche niet rond. “Vertel niet wat er daarna gebeurde” (p.100). Volgens Sum- merscale  adoptie van contemporain literair cliché. Maar waarom haar dream come true volledig weggelaten? Uit vrees voor het openbaar worden van het dagboek? Maar de latere koetsscène (p.102) beschrijft Isabella incriminerend. Summerscale stelt (p.103) dat die beschrijving voor Isa- bella lustvol is. Dit veronderstelt een veilig gewaand privédagboek en roept op: waarom beschrijft Isabella dan niet ook dat eerste, vast nog overrompelender hoogtepunt?

Ook de beschrijving van ander gevrij met Lane in haar dagboek (“Hij was…even gretig als ik”, p.98) is juridisch belastend, mocht het dagboek in verkeerde handen vallen. Dus zal ze met die mogelijkheid geen rekening hebben gehouden (tenzij men onbewuste motieven veronderstelt).

Nadat haar dagboek door haar echtgenoot in beslag is genomen, voelt Isabella zich verant- woordelijk voor het niet uitsluiten van deze mogelijkheid. Tenminste, dat veronderstel ik geïm- pliceerd in de volgende zinnen uit een brief aan Combe: “Ik ben alles kwijtgeraakt, maar ik was zorgeloos & onnadenkend & verdiende daarom te lijden” (p.143). Op p.144 stelt Summerscale dat Isabella aanvaardt op de blaren te moeten zitten, maar het is onduidelijk waarop ze dit ba- seert. Eerder is Summerscale voorzichtiger: “Misschien had ze in haar koortsige verwarring het bureau niet afgesloten” (p.122). Ook konden de dagboeken in die tijd worden voorzien van veer- sloten (p.169) maar dit lijkt me niet bestand tegen een argwanende echtgenoot.

   

Triptiek genoemd door Summerscale (p.140-141). Hoewel de verschrikkelijke gevolgen van vrouwelijk overspel worden geschetst, namen sommige tijdgenoten aanstoot aan de zekere tragiek die de verder- felijke vrouw om zich heen had hangen. En in het algemeen wilde men deze verschijnselen onuitgedrukt laten in de publieke ruimte.

Vraag tijdens Twitlit-interview met Kate Summerscale, niet beantwoord.

   

12 september 2012

  • p.118-119, over het effect van ‘echt gebeurd’ (Lane neemt Isabella en breekt daarna) – ‘Voordeel’ van werkelijkheid: hij hoeft niet aannemelijk gemaakt. Literair minder sterk gebracht maar dan dat vreemde tegenwicht, in het hoofd van de lezer nog wel: “Dit is echt gebeurd”. Nou en? Ik leef anders/ meer mee met het emotioneel gesukkel van Isabella, hopeloos in haar tijd gevangen, dan wanneer zij Emma Bovary zou zijn. Zowel (lezen van) fictie als non-fictie is inbeelding/verbeelding. “Echt gebeurd” lijkt gradatie van verbeelding. Maar nee, “werkelijkheid” bestaat en maakt verschil.
  • Aansluitend: twee tegengestelde interpretaties: (1) gebrekkig inlevingsvermogen, heeft grof effect van ‘echt gebeurd’ nodig (2) het verschil tussen je opsluiten in je hoofd (geïsoleerde verbeelding) en naar buiten gericht zijn, aangedaan door de ander.

Om met laatste te beginnen: het is nog gecompliceerder. Je kunt met Isabella of Emma meeleven omdat je zelf ongelukkige liefde hebt gekend of er middenin zit. Het doet er dan minder toe of Emma of Isabella “echt” geleden heeft. De kwaliteit van je empathie kan in beide gevallen bedenkelijk zijn, misschien vooral zelfmedelijden. En ook een ‘naar buiten gericht’ sensitief iemand kan ontsporen. Dat gebeurt wanneer leed hem alleen nog raakt wanneer esthetisch acceptabel opgediend.

Overigens schrijf ik 17 september precies het tegenovergestelde. Daar benadruk ik het element “Once you write it’s down, it’s fiction”, hier juist dat, hoe belabberd iets waar gebeurds ook opgeschreven is, het toch anders is, andere reacties oproept, dan verzonnen leed. Hoezeer iemands larmoyante toon of aan de haal gaan met de gebeurtenissen empathie bemoeilijken kan, het is wel een echt persoon. Noordervliet en Heijne maken me 20 september iets te bot grapjes over Isabella.

De passage, literair niet zeer bijzonder, de eerste alinea zelfs een commentaar op een even tevoren ingevoegd dagboekfragment:
Isabella’s vernederende overgave aan Edward, haar uitzinnige opwinding in zijn armen en de uitgeputte melancholie die erop volgde, doen vermoeden dat er iets nieuws tussen hen was voorgevallen – misschien hadden ze hun verhouding voor het eerst geconsummeerd. (..) De volgende dag, alsof hij zich plotseling bewust was geworden van de gevaren van hun verhouding, zei Edward tegen Isabella dat hun seksuele relatie voorbij was“.

Nu ik het zo lees, merk ik dat van Summerscale’s zorg om wat er gebeurd is ook een balsemend effect uitgaat, alsof ze geeft om arme Isabella. Het is een variant van ‘gezien en niet onopgemerkt gebleven’.

Over Isabella “gevangen in haar tijd”: nu niet het eerdere ‘ons denken is gevangen in de tradities waarin we opgroeien’ maar maatschappelijker. Isabella weet dat als haar verhouding uitkomt maatschappelijke teloorgang volgen kan. Isabella is juridisch afhankelijk van haar man. Ze kan er (haast) niet vandoor, al zou ze willen. Ook lijdt ze onder haar ledig bestaan, met afgeknotte carrière-/ontplooiingsmogelijkheden, hoe ze het ook zelf in die tijd verwoord zou hebben (wat ons terugbrengt bij de vraag: hoeveel ‘onbehagen’ bestond uit ongearticuleerde onvrede, wat was bewust).

   

14 september 2012

  • Over achterlijke eerculturen gesproken, mooie omkering: “Verscheidene van de eerste aanvragers [van scheiding] bij het hof waren advocaten. Als juristen zagen ze al snel de mogelijkheden van de nieuwe wet; en evenals Henry Robinson [de man van Isabella] waren ze moderne mannen uit de middenklasse, die meer geïnteresseerd waren in wraak dan in een goede reputatie en die liever hun vrijheid veiligstelden dan dat ze de eer van hun familie bewaarden. Het bewijs was noodgedwongen van laag allooi” (p.155).
  • p167–172: Boeiend, die wederzijdse beïnvloeding van kunst en leven (brief/dagboek/roman). Maar overkoepelend thema voor mij is: de strijd van de zachte krachten (waarachtigheid) tegen wraak- zuchtige benepenheid (foei, mag niet, weg ermee). Idealiter is het dagboek een wijkplaats voor al het maatschappelijk geweerde. Het dagboek als genre heeft gevaar van poseren. Wel een dagboek, geen vrienden: stagneert.
  • Rake typering Summerscale: “a journalist playing historian, and then trying to convert what I’ve found into something that approximates a novel”

Het citaat komt uit een interview in The Guardian. Ik heb me afgevraagd hoe mijn beleving van dit boek (tot dusver) te duiden. Twitlit-lezen leidt deels tot artefact-ervaring; ik maak er meer werk van dan anders (passages terugzoeken, vergelijken en dergelijke), neem alleen al het schrijven van deze posting. Verder heb ik misschien een zwak voor ‘ongelukkig verliefden’.

Dat laatste verklaart misschien deels opmerkelijke karakteristiek van mijn lectuur: het gebrek aan afstand in de tijd tot Isabella. Isabella is meer dan een ‘gevalsstudie’, zoals Freud ze schreef. Haar maatschappelijk lastige situatie wordt goed opgeroepen. Ik leefde mee met haar, vond de te verwachten shit die ze over zich heen zou krijgen tijdens de rechtszaak vervelend voor haar.

Deel van mijn verklaring voor de gevoelde nabijheid is de koesterende, discrete aanwezigheid van de vertelstem. Summerscale’s contextuele informatie is zo beperkt als nodig en helpt be- grijpen wat je leest. Ook is ze terughoudend met interpretaties. Verder helpt het dat je dagboek- passages te lezen krijgt, al zijn ze gereconstrueerd. Zo wordt Isabella vanzelf personage (zie verder de tweets op 12 september, het ‘buitenliterair’ effect van ‘waar gebeurd’).

Subthema van het boek is de mate waarin de dagboekpassages van Isabella gemodelleerd zijn naar romantische lectuur, alsof meer fictie dan feit. Summerscale citeert economisch en waar- schijnlijk niet de meest larmoyante passages (daar zinspeelt ze een keer op). Hoe dan ook, ik heb niet de indruk gehad een keukenmeidenroman te lezen. Ik noemde al een opvallende karakte- ristiek van sommige dagboekpassages: Isabella’s kapittelen van zichzelf. Dat past niet bij een zelfmodellering als romantisch zuchtende heldin.

   

16 september 2012

  • Mijn beleving is gaandeweg verschoven van ‘hoe we samen de werkelijkheid maken’ naar ‘de samen- zwering tegen de werkelijkheid’.

Eerst was het een neutrale verwondering op de wijze van: iedereen deelt in de blindheid van zijn tijd. Nu hindert meer het actief uit de wereld houden (‘om zeep helpen’) van ervaring die op de deur van het bewustzijn klopt en erom vraagt gearticuleerd te worden. De benepenheid.

  • “Veel verslaggeving over het dagboek werd gebracht op een opgewonden toon die die van Isabella (..) oversteeg”, p.203  #blindspot

Later blijken sommige massamedia net zo geheugenloos en opportunistisch als sommige nu:
“De meeste kranten die in de zomer nog geneigd waren Lane vrij te spreken, deden er nu het zwijgen toe. De Daily Telegraph, die het dagboek eerder dat jaar had beschreven als ‘onzin in een opschrijfboekje’, publiceerde zelfs een artikel dat suggereerde dat de dokter schuldig kon zijn: ‘Niemand die haar journaal leest, waarin de dagelijkse gebeurtenissen tot in detail zijn vastgelegd, kan ook maar enigszins twijfelen aan de waarheid van wat daar is opgetekend’ ” (p.218).

  • Over de gevaren van de wetenschap – “Op 15 augustus scheidden de begrafenisondernemers – Messrs Sloman en Workman – Combes hoofd van zijn lichaam, zodat de schedel aan een frenolo- gische analyse kon worden onderworpen” (p.208).
  • Dit verbaast me wel, Summerscale over haar inzet: “If they succeed or fail, it is at the level of whether they work as narratives, not whether they are important, not whether they reveal something signifi- cant – all that is extra. It is just about the story.”  Gewoon Jan de Hartog en dan zien we verder wel? Wel erg Rosenbomig, http://www.guardian.co.uk/books/2012/may/04/kate-summerscale-life-in-writing

Wellicht is het zo te plaatsen: Summerscale is allereerst door de zaak gegrepen. Het was geen keuze van ‘Doe mij maar een Victoriaanse kwestie’. Maar nu ze hem heeft omhelsd en heeft ge- kozen voor haar factionvorm is haar eerste zorg methodisch: hoe breng ik het vele uiteenlo- pende materiaal onder in een soepel lopend verhaal? Wat mij betreft is ze daar uitstekend in geslaagd.

Het interview geeft aan beide elementen voeding:

  • Summerscale vertelt met hoeveel plezier ze voor de Daily Telegraph necrologieën schreef en dat ze aanvankelijk romanschrijfster wilde worden. Schrijven lijkt bron van plezier in zich- zelf.
  • “For a long time I felt unsure as to whether there would be enough to say. It was such an obscure case; it was a big sensation for a few days, but the people involved are not well known, and there were no obvious repercussions”. Summerscale spreekt hier mijns inziens meer als verhalenverteller (‘Is er voldoende materiaal om de botten van het verhaal van vlees te voorzien?’ en ‘Is het verhaal voldoende prikkelend (bekende namen, sensationele afloop)?’). Met als onbesliste vraag waarop ze doelt met ‘repercussies’: grote maatschap- pelijke gevolgen of een spectaculaire rechtszaak. Het klinkt meer als het eerste.
  • “But she was hooked enough to look up the original newspaper articles” aldus de inter- viewster, die daar een zeker punt heeft, alleen: om welke reden(en) vond Summerscale de Robinsonzaak waard om verder te verkennen?

Elk betoog is gestructureerd. Dat Summerscale een verhaal vertelt, wil niet zeggen dat ze een ‘verhalenverteller’ is, op de manier van Johan Fabricius  (nooit gelezen, net zomin als Jan de Hartog – ‘rasverteller’ zegt Wikipedia). Een verhalenverteller (in deze betekenis) is iemand die niet iets ontdekken wil, maar een vorm beheerst, zoals een moppentapper.

Ik meen dat Summerscale zich met hartstocht op de zaak van Isabella gestort heeft en hem van veel context voorziet. Daaruit spreken bepaalde interesses en een bewogenheid. Zo lijkt Sum- merscale onmiskenbaar begaan met de positie van vrouwen in de beschreven periode. Maar overwegend laat zij de feiten voor zichzelf spreken. Zo heeft de lezer veel om zich een oordeel over te vormen.

Dat laatste gebeurt op de manier die ik al aangaf voor mijzelf: het verleden werkt als een spie- gel, in het contrast licht je eigen tijd op, hoewel soms ook de nabijheid verrassen kan.

Niettemin is Summerscale geen romancière. ‘Iets op het spel zetten’ is demarcatiecriterium voor grote literatuur. Goedkoop gebruikt het in Een verhaal dat het leven moet veranderen, zijn boei- end verslag van zijn ontwikkeling als literair recensent. Summerscale is gehouden aan zekere criteria van bewijsvoering – het ‘feiten’-element in faction.

Vat je geschiedschrijving op als een vorm van hermeneutiek, dan is belangrijkste beoordelings- criterium de kracht van de interpretatie. Het boek van Summerscale is, door wie wil, om te zet- ten in een argumenterend betoog. De verhaalvorm maakt zo’n toetsing lastiger maar biedt als voordeel dat de persoon Isabella meer tot leven komt dan in waarschijnlijk menig historische monografie.

 

17 september 2012

  • Het vonnis van rechter Cockburn is een beter pleidooi voor de waarde van de humaniora dan het corpus collectum van de frenologie!
  • Interessant onderliggend thema is dat van de film Storytelling, door Heijne behandeld in ‘Sterke verhalen’ in De werkelijkheid.  Plot: studente van een schrijfcursus zet haar verkrachting door de docent om in eerstvolgende schrijfopdracht. Niemand gelooft haar. Het verhaal wordt door mede- cursisten consequent als fictie opgevat. Haar verkrachter: “Once you write it down, it’s fiction”.

        Het dagboek was een jong genre, Isabella spiegelt zich aan de recente literatuur en laadt zo verden-
        king op zich. Waarom begint ze haar eerste hete verslag met de onschuld van de morgen? Dat is niet
        waar gebeurd maar oefening in romankunst! (p.217).

       Heijne troost de heldin van Storytelling dat ze als fictief karakter voor ons morele betekenis heeft. In
       de werkelijkheid.

samen komen we er wel uit II

  • Zo kan deze faction ons aanspreken door de fictie-elementen in haarzelf en die in Isabella’s dag- boek. Did she have sex with that man? Voor de faction als fictie niet relevant maar in de werke- lijkheid buiten het boek wel. Cockburn.
  • Faction heeft daarmee een dubbelzinnig ‘zijnskarakter’. Gelieve uw oordeel te voorzien van ‘Dit zeg ik, beoordeeld als fictie’ en omgekeerd. Feitelijk heb je m.i. geen keus: een bijeen verzonnen biografie is laster, goedgelovigheid ondeugd, ervan genieten als fictie…apart

Bij een boek als De geheime liefde van Mrs. Robinson moet waarheidsgetrouwheid beoorde- lingscriterium zijn. Pas als Summerscale op de omslag zet ‘naar een waargebeurd verhaal’ is zij hiervan ontheven. Je vraagt je dan wel af of ze niet met minder moeite – al die frenologische studies, dat doorspitten van archieven – de roman had kunnen schrijven. Oftewel: wat wil ze met die roman?

Het effect van het boek op mij is gebaseerd op de aanname dat het naar de historische werke- lijkheid haakt. Stel dat bekend zou worden – vraag niet hoe – dat het dagboek van A tot Z de dagdromen van Isabella bevat, niets is werkelijk voorgevallen.

Dan werd het boek meer een gevalsverslag – nog steeds ‘waar gebeurd’ overigens. Ik zou meer willen weten over de jeugd van Isabella, alles wat helpt verklaren ‘Hoe is ze zo geworden’. Maar waarschijnlijk zou ik er niet aan beginnen, tenzij de waanzin van één vrouw overtuigend werd geplaatst binnen de context van haar Victoriaanse omgeving (zeggen de fantasieën, waanzin van Isabella iets over die tijd? Zegt dat dan weer iets over de onze?) of werd aangevoerd om te betogen – met kracht van argument – dat waanzin in zijn verschijningsvormen zeer cultureel veranderlijk is. Er is steeds een actueel ‘kennisbelang’.

Tijdens het lezen heb ik niet als een speurneus elk feitje gewogen. Ik gaf Isabella het voordeel van de twijfel. Dat vertrouwen werd niet op de proef gesteld. Of het tot een coïtus kwam is voor mij minder terzake. Wel doet het ertoe, dat Isabella werkelijk gekust is, dat enige werkelijke voeding aan haar hoop gegeven is. Het onderscheid waan / werkelijkheid is niet geheel zinledig. Summerscale en rechter Cockburn overtuigen mij voldoende.

Was het boek geheel fictie, in de zin dat alle personages en ook de frenologie verzonnen waren, mist het boek een overtuigende pointe. Waarom een historische reconstructie nabootsen, waar- om ons willen overtuigen dat iets zus en niet zo gebeurd is, terwijl het allemaal verzonnen is?

Fictie werkt met ‘suspension of disbelief’, faction ook maar op een andere manier. Omdat het, naar verluidt, allemaal echt gebeurd is, blijf je je voor ogen houden, hoe belabberd het materi- aal ook wordt gebracht, dat er wel dingen echt gebeurd zijn. ‘Ongeloofwaardig’ bij faction kun- nen bepaalde veronderstelde samenhangen, motieven of verklaringen zijn.

Fictie behoeft, tenzij genoten als ‘louter’ tijdverdrijf, iets anders dan ‘echt gebeurd’ om je door te laten lezen. Waarschijnlijk volstaat ‘zou echt gebeurd kunnen zijn’ al. Doorslaggevend is dat die mogelijke wereld boeiend moet zijn om je  voor te stellen – omdat hij erg op de huidige lijkt, of juist niet, die huidige in een ander licht stelt, enzovoort.

En ook van de taal van een boek valt te genieten. Maar ook kan een roman via talige aspecten betekenis communiceren. Hans Goedkoop viel bij zijn derde lezing van Mystiek Lichaam, de laatste roman van Frans Kellendonk, die veelal als ideeënroman wordt gezien, plots een “vitale spanning” op:

“Ik bleef er een levensbeschouwing van verwachten en zocht de betekenis ervan daardoor zoals de man die naar een bril zoekt die intussen op zijn neus staat. Ik keek overal behalve in de taal. Ik lette weinig op de werking van de stijl, die niet alleen bij machte is iets te beschrijven of verbeel- den maar ook om zelf iets te scheppen. Letterlijk, iets aan de wereld toe te voegen. Iets wat je er- in mist, bijvoorbeeld” (Een verhaal dat het leven moet veranderen, p.59).

Ook dat element weegt Goedkoop vervolgens mee in zijn bepaling van de waarde van de roman voor hem, het doorgronden van de betekenis. Het blijkt een energie (van Kellendonk) die geen bestemming kan vinden. Een beetje zoals Isabella.

samen komen we er wel uit III

    

20 september 2012

Twtlit-interview Bas Heijne met Nelleke Noordervliet

Interpretatie in de praktijk. Beide gesprekspartners nemen het niet zo nauw met bewijsvoering, op de wijze van ‘Je moet een mooi dieptepsychologisch verhaal niet kapot willen checken’. Verder lijkt Noordervliet bevangen door de gedachte ‘Iedereen is op de hand van Isabella’, waarvoor zij tegenwicht meent te moeten bieden.

Goedenavond, Nelleke Noordervliet. Heb je het boek op tijd uitgekregen? Hoe las het? Kende je Kate Summerscale?
Ja, op tijd. Las het met gemengde gevoelens.

O ja? waarom gemengd?
Ben niet totaal op de hand van Isabella. Het is zo opgelegd pandoer haar zielig te vinden.

Ah juist – is dat ook de houding van Summercale ten opzichte van haar – dat ze een slachtoffer is?
Ja. Natuurlijk is ze ook slachtoffer. Maar evenzeer ‘dader’. Ze heeft alles van een fantaste en een stalker.

Ja, ze lijkt volledig in haar fantasieën op te gaan.
Voor vrouwen in die tijd is een dagboek het equivalent van goede seks, een vorm van masturbatie.

Ik: Ja, dat vroeg ik me af: zou Isabella gemasturbeerd hebben, al hunkerend? Ze was er atheïstisch genoeg voor.

Geen reactie.

Vind je haar onuitstaanbaar dweperig? Denk je dat ze inderdaad het meeste verzonnen heeft?
Haar verzinsels worden werkelijkheid voor haar. De enige manier om het leven draaglijk te houden.

Interessant. Denk je dat ze de seks met dr. Lane verzonnen heeft? Kristien Hemmerechts was ervan overtuigd dat het gebeurd was.
Het is niet essentieel of het echt is gebeurd. De Umwelt is interessant. Lees ook Peter Gay’s Bourgeois Experience. Interessant is de verbinding die wordt gelegd tussen haar verboden fantasie en haar ge- loofstwijfel.

Mij is ontgaan dat Summerscale deze relatie legt. Is het wel zo?

Maar hoe zie je het drama van Isabella en haar dagboek in die context?
Mannen hebben dubbele moraal, zij daagt die uit door haar dagboek te laten slingeren. Dat is dapper. Maar ook zelfdestructief.

Dat is een mooie observatie – die achteloosheid van Isabella is een manier van de zaak op de spits drijven
Ik:  Een interpretatie is wat anders dan een observatie
Ik:  Leuke poging tot diepteduiden maar er is geen informatie over hoe slordig Isabella met haar dagboek omging.

Opnieuw geen reactie.

Summerscale houdt zich veelal op de vlakte maar lijkt Isabella toch te zien als een slachtoffer van haar tijd. Deel jij dat?
Ja, de opvatting over ziekten was lachwekkend en om te huilen. Ook de verbinding tussen geloofstwijfel en te vrije seks.

Wellicht wel verband tussen geloofstwijfel + vrije seks alle morele zekerheden gingen door Darwin cs op de schop.
Ik vraag me bij lezen over zulke foute wetenschap af wat van waar wij nu in geloven later belachelijk zal blijken te zijn.

Ja, onze automatische verdediging van Isabella is ook erg tijdbepaald.

Mijn thema, ‘de historiciteit van onze zelfbeleving’; zie begin van deze posting.

Bevestigt Mrs Robinsons Disgrace jouw beeld van de 19e eeuw of zet het een en ander in nieuw licht?
Mijn beeld van de 19e eeuw is een stuk ruimer en genuanceerder, dank u. Als case-study is het boek interessant.

Maar wil de schrijfster niet dat het meer is dan een case-study? Staat Isabella echt zo ver van ons af?
[Tweet aan aandacht Noordervliet ontglipt]

Hoe vind je dat Summerscale met haar materiaal omgaat en haar verhaal vertelt?
Wel goed gedaan. De geschiedenis van George nog interessanter dan van Isabella. Had graag iets meer dieptekennis gezien.

Ha George, die oude rukker – of ex-rukker. Hij lijkt een spiegelbeeld van Isabella in zijn ongeluk. Maar hij is man.
Georgie. Door een dal gegaan en herboren bovengekomen. Maar vrouwen, tja, daar hadden we the happy hooker voor nodig.

Haha, Xaviera ja. Maar je zegt dat je je ergert aan Isabella – of is het aan onze neiging haar in alles te verontschuldigen?
Ze speelt. Ze is onecht.  Ze dramatiseert. Ze is een type waar ik in het heden met een boog omheen loop.

Haha, ja, maar het type is vandaag de dag springlevend, niet?
Type is heel erg springlevender dan ooit. Ik moet veel omlopen.

En jij bent niet eens een man. Heb je sympathie voor gestalkte dr. Lane? Of is hij een hypocriet?
Lane is sowieso een nuffige hypocriet. Geen medelijden!

Maar wel knap, scheen het. Vind je het boek alleen historisch interessant? Gaat voor mij verder. Smachten en stalken kennen wij ook.
Jawel, maar daarin is Isabella juist zo onvolwassen/meisjesachtig. Ze is veertig! Kom op. Neem dan echt een minnaar.

24 september reageer ik met de volgende tweet:

  • Beoordeelt Noordervliet Isabella niet zelf met hedendaagse standaard wanneer ze haar dagboekgekwezel verwijt (Veertig! Neem dan echt een minnaar!)?

Hoe zie je verloop van de rechtzaak. Isabella: ik was gek. Dr Lane: ze is hysterisch. Rechter Cockburn: niet bewezen.
Cockburn (what’s in a name) was een verademing. Heel modern. Heel onpartijdig.

Wat vond je het meest geslaagd aan het boek? En wat het minst?
De beschrijving van de opvattingen over vrouwenziekten was goed. Het minst was het smalle kader (Peter Gay lezen!)

Summerscale wil duidelijk pathos oproepen voor Isabella’s lot – geslaagd?
Ten dele. Lane was knap, maar van Isabella zegt men ‘she was not attractive’. Dat ook nog. Dus: geen sex gehad met Lane.

24 september reageer ik met de volgende tweets:

  • Noordervliet, vrouw van de wereld, weet waarom Isabella fantaseert: lelijk, dus geen seks met Lane. Precies Combe (p184). Vinnie (ugly) in Foreign Affairs (Lurie, idem): “It is a mis- take to believe that plain women are more or less celibate. The error is common, since in the popular mind (..) the idea of sex is linked with the idea of beauty. Partly as a result men are not eager to boast of their liaisons with unattractive women, or to display such liaisons in public” (p.9-10). Escape Noordervliet: ‘Ook was Isabella ouder dan veertig, te oud – in die tijd”. Met uitzondering van lelijke minnaars, kennelijk.

Noordervliet verwijst naar de volgende opmerking van Combe, in  een brief: “De vrouw was niet gek in de gebruikelijke betekenis” maar “ze moet gebukt zijn gegaan onder de spanningen van seksuele neigingen & omdat ze daar de facto geen uitlaatklep voor vond, daar ze niet aan- trekkelijk was…” (p.184). Voor Noordervliet’s rekening is het zich achter de redenering scharen.

Ja, anders dan Kristien Hemmerechts betwijfel ik of ze het echt gedaan hebben. Antwoord op vraag geeft aan hoe je t.o.v. persoon staat.
Kristien heeft meer mededogen en wil geen vrouw afvallen. Isabella was oudere vrouw. Nu is dat geen punt. Toen wel.

Ja dat lijkt me ook. Hoewel sommige details rondom de seks dan wel weer overtuigend zijn. We gaan afsluiten, zo. Wat mij meest aan het boek bevalt is intimiteit van personages en die hele wereld van (pseudo)wetenschap eromheen.
Ja, de pseudo-wetenschap is top. Er verandert niet veel in de wereld wat dat betreft.
Isabella had sex met haar man, daar borduurde ze op voort. Ja, goed, afsluiten maar. Leuk was het.

Noordervliet’s antwoord op mijn “Did she have autosex with that woman?” is dus: nee, ze had seks met haar echtgenoot en schreef in haar dagboek, “een vorm van masturbatie”. Net zoals Combe en de artsen in 1858 zeiden.

Grappig dat we nu toch twee behoorlijk verschillende interpretaties van zelfde ‘feiten’ hebben.
Zo hoort het ook. Het raadsel vergroten.

In de mate dat Noordervliet het raadsel om het raadsel wil, is zij romantica. Summerscale heeft een ‘normale’ hermeneutische belangstelling, ze wil de geschiedenis begrijpen. Heijne lijkt, in zijn tweet hieronder, vast te houden aan zijn vooroordeel dat kunst dieper dan wat ook in de werkelijkheid doordringt. Zakelijk gelezen, lijkt me de koppeling ‘romanschrijver’ en ‘huldigen van het standpunt dat waarheid relatief is’ twijfelachtig. Onuitgesproken tegenstander lijkt ‘de wetenschap’, maar dat is dan een beperkt opgevatte wetenschap.

21 september reageerde ik met de volgende tweets op het interview:

  • Stalking, je ergeren aan Isabella of juist je vereenzelvigen: het is niet bedoeld als Ror- schachtest. Hoewel dood heeft ze echt bestaan. Zonder argumenten en besef van het schaarse materiaal waarop we ons baseren is het vrijblijvend roddelen. Enige prudentie graag!

24 september volgde:

  • In het bestek van dit Twitlit-interview lukt het Noordervliet mijns inziens niet haar onder- buikgevoel over Isabella – “alles van een fantaste en een stalker”, “onecht, dramatiseert, type waar ik in het heden met een boog omheen loop” – handen en voeten te geven.

Noordervliet vertrekt vanuit hedendaagse, misschien zelfs gedateerde psychologische aanna- mes, als een literair frenoloog, Hildebrand en Potgieter van onze dagen. Marita Mathijsen wijst erop, dat de bekende Pieter Stastok en de minder bekende Jan Salie van hun scheppers alle ken- merken kregen van de bij hun negentiende eeuwse lezerspubliek bekende onanist (De gemasker- de eeuw, p45-52). Net zo appelleert Noordervliet aan het gezonken cultuurgoed van de psycho- analyse.

Noordervliet past dieptepsychologie van de koude grond toe met haar suggestie dat Isabella haar dagboek onbewust laat slingeren (a) om de dubbele moraal van haar tijd uit te dagen – mannen mochten wel ongestraft seksuele affaires hebben, haar eigen man had er een; (b) uit een drang tot zelfvernietiging. Heijne stemt ermee in (“mooie observatie”).

Met meer context over het leven in Victoriaans Engeland ten tijde van de periode van het boek zou een bepaalde interpretatie van Isabella’s handelen aan aannemelijkheid kunnen winnen. Voor mij nog onopgehelderd:

  • Was het nu wel of niet makkelijk voor Isabella een minnaar te nemen? Overigens meldt Summerscale dat Isabella na de rechtszaak enkele malen (geregistreerde) daadwerkelijke seks lijkt te hebben gehad, op vijftigjarige leeftijd, met een oude vlam (p.238-239).
  • Dat artsen, dominees en opvoeders een kruistocht tegen masturbatie ondernamen is één, maar had het effect? Gay meldt artsen die, in een tijd dat de statistiek nog niet bloeide, tot hun spijt vaststelden dat driekwart tot honderd procent van de jeugd masturbeerde (Edu- cation of the senses, p.302). Dat lijkt me trouwens krachtige empirische ondersteuning voor de gedachte dat Isabella daadwerkelijk gemasturbeerd zal hebben en zich niet beperkt tot zuchtende dagboekaantekeningen.

Onbeantwoorde vraag tijdens Twitlit-interview. Bas Heijne stelde later min of meer dezelfde vraag, ontsierd door het woordje ‘true’, dat een valse tegenstelling creëert:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s