Arnon Grunberg – De man zonder ziekte

Hoe boosheid een schrijver in de weg kan zitten.

“I think that fiction writing which does not acknowledge the uncertainty of the narrator himself, is a form of imposture and which I find very, very difficult to take.  Any form of authorial writing where the narrator sets himself up as stagehand and director and judge and executor in a text, I find somehow unacceptable.  I cannot bear to read books of this kind.”
W.G. Sebald aangehaald in James Wood, How fiction works, p.5


De kunstenaar, hier in de gedaante van de schrijvende psychiater, is niet langer een schepper, die zijn publiek opnieuw leert zien. Zijn scheppingskracht staat geheel in het teken van zijn solipsisme“.
Bas Heijne, Echt zien, p.78

“Leo’s woede bedaarde, en maakte plaats voor een wanhoop die hij niet begreep. (..) Hij begon zich te realiseren – met een leegte die hem met zes handen aangreep – (..)”.
Bernard Malamud, De verhalen, ‘Salzman, de huwelijksmakelaar’, p.129

“Passiviteit is soms een groter raadsel dan moord” / “Laat uw boek toch niet het equivalent zijn van een op te lossen cryptogram”.

Uiteindelijk wegen de verwachtingen van de schrijver het zwaarst. (..) Zo verwacht ik van literatuur dat zij over enigszins zieke mensen gaat (..). Waarom? Daar heb ik geen argumenten voor. Dat is persoonlijk”.
Arnon Grunberg, De troost van de slapstick, p.36, p.78, p.114-115

Een uitgewerkte Twitlit-recensie

Uitwerking van mijn tweets op #Twitlit, een experiment van de NRC/Bas Heijne met een leesclub via Twitter. De tweets volgen mijn directe leeservaring. De uitgeschreven tweets zijn te herkennen aan het opsommingsteken/bullet, commentaar aan de streep in de linkermarge.

Mijn bezwaren samengevat:

1. Grunberg haalt zijn gelijk via personages. Kunstgrepen geven een standpunt – hoe mensen in elkaar steken, wat we vermogen – de schijn van aannemelijkheid. Gedachtenuitwisseling ontbreekt, zowel tussen personages als – via hen of over hun rug – tussen hun schepper en andersdenkenden in zijn wereld.

Grunberg bekritiseert personages door een afstandelijk verteller op vooringenomen wijze hun innerlijk leven te laten navertellen. Personages zijn dood als een pier, de verteller prominent aanwezig maar anoniem, uitgezonderd zijn twee, drie eigenschappen.

2.  Metafysische aannames van Grunberg tekenen en beperken de roman. Het gezin is een gevangenis die de leden misvormt, mensen zijn inauthentiek, de mensheid rot, het leven een hardhandige grap.

‘Nietszeggende herhalingen’ bewijzen uit het absurde dat er niets meer over een onderwerp te zeggen of denken valt dan wat Grunberg laat herhalen, of dat mensen niet kunnen nadenken en, als een naald bij een kapotte grammofoonplaat, in dezelfde groef blijven steken, of dat belangrijker dingen aan de orde zijn dan waarheid en onwaarheid enz.

3.  De roman is intern inconsistent: een alwetende verteller bericht over personages gespeend van (zelf)kennis; vage dieptepsychologie, die berust op de aanname van het bestaan van zinvol toepasbare mensenkennis, wordt verbonden met het absurdisme van willekeurige (‘onredelijke’) machtsuitoefening en verplicht dolen en liefdeloosheid.

4.   De zwakte van Grunbergs stijl wordt duidelijk wanneer bezien alsof voorbeeld van de free indirect style. Het ontbreekt aan taal van het personage; taal van de wereld is selectief aanwezig en dient de preoccupaties van Grunberg. Overheersend is een auteurstaal, soms neigend naar jargon (‘identiteit’, ‘transactie’), welke het onderscheid tussen personage en verteller uitwist. (zie hiervoor de appendix)

Behalve dat dit de roman reduceert tot een preek voor eigen parochie belemmert het ook de ‘opschorting van ongeloof’. Is dit laatste de bedoeling, dan is het een nieuw voorbeeld van de ongerijmde manier waarop Grunberg zijn gelijk haalt.

Slotsom:
Mij treft Grunberg als bullshitter, rederijker, iemand die niet zichzelf in het vlees snijdt via zijn personages, niets op het spel zet.

        

1 juni 2012

[Twee tweets n.a.v. recensie Schouten, nog voor ik aan roman begon]:

Er zijn mensen die met Grunberg op denken en na het boven aangehaalde citaat The Night  Porter aandragen, de intimiteit tussen kampbewaker en gevangene, de krochten van de menselijke geest. Schouten is in elk geval overtuigd:

“En dan is er nog Grunbergs mensbeeld. In Kafka’s tijd kon men diens werk nog zien als een onheilspellende toekomstfantasie met satirische kantjes, na de Holocaust en andere vermoorde onschuld is dat niet langer mogelijk. (..)  Een bittere, bijna onmenselijke conclusie (..), eentje die onze ideeën omtrent haat en liefde op de proef stelt. Slachtoffer en dader horen onlosmakelijk bij elkaar, de schuldvraag is niet eenduidig te beantwoorden”.

Ik houd het nog even op edelkitsch🙂.

5 juni schiet me plots “kitsch van de wanhoop” te binnen. Na enig zoeken weet ik het te traceren: Bas Heijne tegen Grunberg in De Werkelijkheid:

“Hoon was er uit New York, van Arnon Grunberg, die scheen te denken dat ik – en daar hebben we het eerste, nogal ernstige misverstand – had beweerd dat de kunst van mij iets moet. De kunst moet weer iets! Alsof ik misschien dacht de lakens in de literatuur te kunnen uitdelen, alsof ik hem persoonlijk een schrijfopdracht had verstrekt. Ook leefde hij in de overtuiging dat ik de existentiële wanhoop van zijn geliefde Kafka gekleineerd had.

De kunst moet niks. Mij ging het erom of de kunst misschien nog iets kon. (..) (En Kafka – ach ja. Wat Grunberg niet lijkt te beseffen, is dat er naast de kitsch van het rooskleurige humanisme ook een kitsch van de wanhoop bestaat. (..) Ik had het over wanhoop als gemakzuchtig stijlmiddel. (..) Polemiek in Nederland begint met verkeerd lezen.)” (p.188-189)

  • “De kern van zijn identiteit: gebrek aan ziekte…heer en meester over zijn lichaam…vooral gezond: geestelijk en lichamelijk” (p.8). Is dit de mening van de verteller of het zelfbeeld van Sam? Ik denk eerste. Vals spel. Verteller bedoelt: Sam is onbeschreven blad, leeg, naïef, “professional”.

        Grunberg-1

Na lezing: dit laatste bewaarheid. Een van de trucs meermalen toegepast door Grunberg in De man zonder ziekte is roman-typetjes zich als robotprofessional laten gedragen. Rose, Ursina Geisendorf, Lankford, de werkster/masseuse en ook Fehmer hebben functionele contacten en emoties. Of neem ‘beveiliger’ Bill over collega: “Beveiliging van niets. Totaal corrupt. Onprofessioneel” (p.32) (humoralert).

Tweede mogelijkheid: Sams positie in het gezin is vanaf het begin negatief gedefinieerd, die van ‘niet-Aida’ (zus die lijdt aan een progressieve spierziekte). De vertellerstem is hier hinderlijk stellig. Hij weet nu al dat, “wat hij [Sam] verder ook is en nog zal worden”, vooral niet-ziek zijn hem kenmerkt (p.8).

Het citaat volgt op de introductie van Aida (“Verder is er nog een gehandicapt zusje“, p.8) en verwijst naar haar: “Hij heeft geen rolstoel nodig, geen permanente verzorging, hij is heer en meester over zijn eigen lichaam“.

Houd je van diepzinnig lezen, dan was het lot van Sam aan dat van Aida gebonden. Miriam Rasch wijst bijvoorbeeld op de uitspraak:

“Hij werpt een blik op zijn zus. Eigenlijk is ze nog geen mens, eerder een constructie die niet ten einde gebouwd is, ze is het vermoeden van een mens, een bouwput, en hij hoopt dat ze nu eindelijk zal worden afgebouwd. … Misschien was dit een transactie: hij zou sterven, zij genezen.”

Rasch suggereert een tragedie gestuurd door onbewuste of onzichtbare krachten. Sams ‘gebrekkeloosheid’ is een vorm van hybris, tarten van de goden. Maar tragedie en Grunberg verdragen elkaar slecht. De jonge Grunberg al vond de tragedie een te serieuze uitleg van de absurditeit van het leven:

Hamlet begreep de absurditeit van dit leven, maar voor hem was het een tragedie (..). Absurditeit met slapstick is ook ondergang, maar een ander soort ondergang. (..) Buster Keaton begreep het absurde net zo goed als Hamlet maar hij maakte er komedie van. (..) Ionesco had veel meer hoop dan Keaton en was daarom, denk ik, uiteindelijk ook serieuzer en zwaarder op de hand. (..)

Nu hebben we het wezen van de slapstick zo ongeveer benaderd. Iemand wil iets en probeert dat iets op allerlei bespottelijke manieren te bereiken, maar wordt daarin op al even bespottelijke wijze gedwarsboomd. (..) De slapstick erkent dat het doel van onze activiteiten, buiten de verstrooiing, belachelijk is, een farce – een absurde komedie. In vergelijking met de slapstick is menige tragedie naïef. (..) Zij toont ons misschien wel een wrede en kapotte wereld, maar toch nog altijd een wereld waarin meer bestaat dan verstrooiing en verdringing” (De troost van de slapstick, p.16, 21).

Onversierd toont onze existentie zich als ellende. Dit weet u ook wel maar wordt er liever niet aan herinnerd. Alleen de allersterksten onder ons verdragen de niet-illusie. Zij ontmaskeren niet aflatend het niet aflatend streven van anderen naar ongepaste verstrooiing en verdringing.

Wij hebben dus vastgesteld dat het enige nut van onze activiteiten de verstrooiing is die zij ons (en anderen) bieden. Dat betekent nog niet dat wij er met onze pet naar kunnen gooien. (..) Wij moeten erin geloven zoals een goed acteur in zijn rol gelooft, (..) omwille van de verstrooiing, het vergeten en de verdringing die wij meer dan wat ook op deze wereld nodig hebben” (p.20).

Het voorgaande schreef Grunberg in 1995 en 1997. Hans Goedkoop ziet in een vergelijkbaar type opmerkingen van de latere Grunberg aanleiding verwantschap te opperen tussen die Grunberg en de Kellendonk van het ‘oprecht veinzen’, Kellendonk in de communitaristische variant, Grunberg als eenling. Maar Goedkoops kritiek op de vroege romans van Grunberg geldt onverminderd voor De man zonder ziekte.

Goedkoop werd destijds geraakt door een opmerking in Figuranten, Grunbergs tweede roman: “Wanhoop is uitermate droog en komisch”. Hij onderzocht of de roman die uitspraak waarmaakt. De bewering wordt gedaan door het personage dat beide zou moeten meemaken, de wanhoop en de humor. Dat speelt het echter alleen klaar door zich rigoureus te distantiëren van zijn zes of zeven jaar jongere zelf (de wanhopige, althans wanhopig verliefde). Nu staat de held, Ewald, zich voor op zijn leegte.

Dat is geen humor in wanhoop, aldus Goedkoop, maar “een lach die zich pas met de wanhoop kan vermaken als ze die elimineert”, “een lach om niks”, een “lachen zonder zelf geraakt te worden”: “Wie verteller Ewald allemaal ook onderwierp aan het regime van het vernietigende niets, zelf bleef hij door zijn leegheid buiten schot”. (Hans Goedkoop, ‘Het komische van wanhoop’, in Een verhaal dat het leven moet veranderen).

In 2006 op weg naar Afghanistan, zich “onder de mensen” begevend en zich spiegelend aan Babel, van wie hij een quote verbastert, waarna hij, quasi in diens voetsporen, meent wellicht in Afghanistan dan eindelijk het geluk te vinden, licht Grunberg het smelten en bevriezen van kaas en de handigheid van een kaasschaaf uit:

Ik voelde genegenheid voor sergeant Jordy [de man van de kaas en schaaf], die Afghanistan niet onvoorbereid zou betreden. Voor het eerst deze reis meende ik dat mijn voorgevoel me niet had bedrogen. Ik ging iets te weten komen over het geluk dat me al die jaren ontglipt was” (Kamermeisjes & soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen, p.14)

Ter plaatse geeft de auteur een nieuwe draai aan het vermeende Babelse oorlogsgeluk: het geluk is daar waar Grunberg niet is. Origineel. Tot slot volgt dan, alsof verheldering, na een nevenschikking van Babels woorden en een quote uit Apocalypse now: “De jungle die roept, de jungle die je niet loslaat” (idem, p.20).

De man zonder ziekte is mijns inziens geen noodlotsdrama, al was het maar bij gebrek aan drama en goden. De hint ontbreekt echter niet: “Alsof de goden niet weten (..). Alsof ze Aida daar niet kunnen vinden” (p.16) ( in 1995, even retorisch: “De vraag is dus: moet je het geluk slaan, of juist niet? (..) De Griekse tragedies vertellen ons dat je maar beter niets kunt doen. Dan roep je tenminste ook niet de woede van de goden over je af en is de kans aanwezig dat ze je nog een handje zullen helpen” (p.13)).

Behalve onzichtbare noodlotskrachten oppert Rasch ook aansturing door onbewuste krachten. Ook hier wijst een enkele hint in die richting:

  • hint dat “liefdeloosheid” schade berokkent: dochter die contact verbreekt met haar vader, cultarchitect Max Fehmer; Puccini-liefhebber Mahmoud die Bagdad zijn operagebouw gunt maar het contact met vier van zijn vijf kinderen verbroken heeft; Sam gebruikt het woord.
  • hint dat Sams esthetisch dienende blik hem blind voor al het overige maakt of uitdrukking is van een niet-aanvaarden van het onvolmaakte (het door Rasch aangehaalde citaat kan, als we de slotzin schrappen, in deze zin worden begrepen).

Rasch:

“Hoewel het dus ontegenzeggelijk een kil boek is, (..) lijkt dat me ook juist de sleutel tot het verhaal. Hoe zijn we zo kil geworden? Hoe verhoudt de emotionele kilheid die beschaving heet, zich tot emotionele kilheid die marteling mogelijk maakt? Afstand nemen van het irrationele, het absurde, het perverse betekent niet dat dat ook afstand neemt van jou. Dat is het moderne noodlot, dat je achtervolgt en waaraan niet te ontsnappen valt”.

Rasch merkt niet op dat deze kilheid mede wordt verbreid door de verteller.

Wat te vinden van deze suggestie? Grunberg heeft behalve van de Griekse mythologie zeker ook van Freudiaanse aandrijving gehoord. Maar ook deze komt in De man zonder ziekte niet uit de verf. Een voorbeeld is de hint van de verteller wanneer vriendin Nina toewerkt naar het vriend Sam beplassen:

‘Het is wel vies.’ Ze spreekt het woord ‘vies’ uit zoals een kleuter dat zou doen, met een walging die niet van opwinding te onderscheiden is” (p.107).

Hoewel de modale kleuter in het hedendaags gezin veel mogelijkheden heeft – meer dan vroeger in elk geval – zijn of haar polymorf perverse seksualiteit te ontplooien, laat de verteller Sam zich toch beschroomd openhartig over zijn perverse genoegen uitlaten:

Veel mensen doen dit. Ik denk dat de meeste mensen dit doen maar ze praten er niet over. Ze doen nog veel meer, maar ze praten er gewoon niet over” (p.106).

Het ontsierende ‘gewoon’ in de laatste quote is een ander voorbeeld van Grunbergs onvermogen geloofwaardig een personage te verbeelden aangedreven door iets anders dan de ijzerdraadjes waarmee een verteller aan zijn ledematen trekt. Staat het er om:

  • het op de mening van een personage te doen lijken?
  • Sams overtuiging weer te geven dat iedereen Freuds theorie van de infantiele seksualiteit behoort te kennen en de eigen bijbehorende seksualiteit aanvaarden?
  • een rationalisatie onder de ogen van de lezer te doen plaatsvinden? Zodra Sam de onhygiënische perversiteit omarmt, verklaart hij hem ‘normaal’?

De verteller geeft ook andere aanwijzingen voor afweermechanismen. Op p.99 lezen wij bijvoorbeeld: “Het woord ‘behoefte’ maakt hem bijna [Sam] misselijk. Alsof ze op hem gekakt hebben. Zo terloops mogelijk verklaart hij: ‘Urine is een medicijn.‘ ”.  Sam verklaart ‘zo terloops mogelijk’ omdat zijn onbewuste iets voor hem verbergen wil. Sam beseft niet dat ‘behoefte’, uit het werkwoord ’zijn behoefte doen’, door zijn afweer heen is gebroken. De bijna-misselijkheid is het voorspelbare gevolg, meent u niet ook? (een rijkere analyse in de bijlage).

                                                

Grunberg: “Ik ben opgegroeid in een continue
stroom van paniek. Zonder dat daar een duidelijke
reden voor was” (De troost van de slapstick, p.192)

Nog een voorbeeld, het al door Rasch aangehaalde citaat over de “transactie”: “Misschien was dit een transactie: hij zou sterven, zij [Aida] genezen“. Naar de letter gelezen overweegt Sam hier een ‘dieptepsychologische’ interpretatie, de mogelijkheid van geleid worden door een verborgen motief dat zijn handelen begrijpelijk maakt. Hij doet er alleen niets mee.

Sam onderzoekt niet of dit inderdaad motief van zijn handelen is en, zo ja, een redelijke voorstelling van zaken. Is hij werkelijk schuldig aan de toestand van zijn zus en verdient straf? Lost hij een gevoelde ereschuld in, de belofte die zijn vader, wegens te geringe financiële armslag, niet heeft kunnen inlossen: Aida in Amerika laten behandelen? (p.11)

Inzichten die niets veranderen zijn niet ongewoon in de literatuur (en het leven). Sommige personages van Tim Parks of Saul Bellow grossieren in verklaringen waarom ze in de situatie zitten waarin ze zijn beland. Het onderstreept hun verlamming. Maar anders dan Sam zijn ze wel druk bezig met ‘redenen geven’.

Serieuze zelfreflectie is taboe in De man zonder ziekte. Dat is omdat Grunberg het niet wil, zich het alleenrecht op spreken toe-eigent en zouteloze wisecracks debiteert, nauwelijks verscholen achter de vertelinstantie. Enkele voorbeelden:

  • Een vlek op een laken kon zijn lust doden” (p.17). Sam staat niet stil bij waarom. Sam heeft ook eigenlijk geen probleem – de verteller en daarachter Grunberg hebben een probleem en zetten de lezer dit matig verstrooiend feit over hun ledenpop voor. Waarom niet Sams favoriete sportclub of borrelnootje vermeld?
  • Tijdens het vrijen schreeuwt Nina wel. Sam vermoedt dat dat komt omdat ze in een damesblad heeft gelezen dat je dat moet doen” (p.17). Vermoedt Sam dit of combineert hier de verteller het neerzetten van een personage met het meteen afvallen?

        Alternatieve lezing is dat Sam een kritische blik op Nina werpt. Hij vindt haar
        onwaarachtig. In dat geval verzwijgt Sam wat er in hem omgaat. Ik vind het geen
        sterk alternatief, omdat Sam even onwaarachtig is – voor zover je dat kunt zeggen
        van een houten personage. Waarom zou een onwaarachtig iemand zich druk
        maken over de waarachtigheid van het kreunen van zijn partner? Hoogstens
        storen hem de decibellen, wat hij verzwijgt, om haar niet te mishagen of om een
        andere, al dan niet door een verteller te prijzen, reden.

  • De kerk heeft hij nooit echt verlaten, hij is de kerk langzaam vergeten en niemand heeft de moeite genomen hem aan het bestaan van dat instituut te herinneren. [Alleen nog op kerstavond gaat hij samen met zijn moeder en zus naar de mis]” (p.7).

        Het is niet mogelijk dat Sam denkt: “Waarom heeft niemand mij aan het bestaan van de
        kerk herinnerd?”. Een alwetende verteller neemt het woord en onthult Sams gedachten.
        Alleen zijn het geen gedachten maar slappe excuses.

        Misschien wil Grunberg op deze onsympathieke/technisch onbeholpen wijze Sam een
        ‘boter noch vis’-personage laten zijn. Het begin van de roman suggereert psychologische,
        niet religieuze of zingevingsproblemen. ‘Cultureel katholiek’ is Sam ongestoord met vele
        andere Zwitsers. Verdraagt de verteller halfheid/schipperen in religie niet, heeft hij een
        probleem en ontpopt zich als absolutist.

Een vertelstem die personages afvalt, met Grunberg als Karremans.

Een derde mogelijke duiding van Sams ‘gebrek aan ziekte’ als kern van zijn identiteit is het samenvoegen van Sams beperkte opvatting van professionaliteit en zijn psychologische afhankelijkheid. Dat maakt samen: ‘onmondigheid’.

Sam hecht, net zoals zijn beveiliger, aan professionaliteit of een professionele uitstraling (“iemand die vrijwel overal is geweest en zich dus ook vrijwel overal thuisvoelt” (p.7, drogreden). Grunberg pakt het beeld later op. Dan staat “professionalisme” bij uitbreiding voor negatieve vrijheid, het niet door externe belemmeringen gehinderd worden te doen wat je wilt.

Sam merkt dat de vrijheid van de professional niet alles is. In Bagdad blijken zijn kleren verwisseld met die van een ander. Het doet hem meer dan hij wil:

Hoewel hij beseft dat de gehechtheid aan zijn kleren iets kleinzieligs heeft, niet bepaald de houding van een man die overal is geweest – een man die niet meer nodig heeft dan zijn ideeën, zijn laptop en een tandenborstel – wil hij slechts een ding: zijn eigen kleren terug” (p.42)

Ook thuis redt Sam het niet met een tandenborstel en ideeën. Zijn verbondenheid met zijn zus oogt onvrij: “Meer dan van wie ook houdt hij van zijn zus” (p.13). Aangekomen in Irak: “Hij gaat op bed liggen. Eerst denkt hij aan zijn zusje, dan aan zijn vriendin” (p.34). Als zijn voet slaapt: “Zijn voet begint te tintelen. Hij denkt aan zijn zus” (p.54).

Qua positieve vrijheid – het vermogen gebruik te maken van de mogelijkheden die ongehinderd tot je beschikking staan – laat Sams leven te wensen over: “Hij wilde zijn vriendin niet teleurstellen“. Die vriendin noemt hem “slakje”.

Sams moeder deelt in deze kluistering door het gezin: “Diverse hulpverleners (..) hadden er bij het gezin op aangedrongen het meisje eindelijk toe te vertrouwen aan een verpleeginrichting, maar de moeder had zich verzet. (..). Meneer Ambani had zijn dochter nooit het huis uit willen doen, en het leek alsof mevrouw Ambani (..) zich verplicht voelde de rest van haar leven bij haar dochter te blijven, om zo de nagedachtenis van haar man te eren” (p.10).

Als tegenhanger van onmondigheid staat ‘ziekte’ in deze interpretatie voor tot wasdom gekomen positieve vrijheid. Maar sinds wanneer is mondigheid een ‘ziekte’?

Een mogelijke verheldering is dat leven bij Grunberg staat voor schuld op zich laden, ‘vuile handen maken’. In 2008 citeert hij Ingeborg Bachmann over ‘ontzetting’. Hij meldt dat hij de tekst in kwestie las nog voor hij aan zijn debuutroman begon, en (destijds of later) heeft ingeprent. Het suggereert dat de tekst mede aan de basis van zijn schrijverschap staat.

Grunberg trekt Bachmann’s ‘ontzetting’ door naar ‘onreinheid’ en dan is het een kleine stap naar ‘ziekte’. Grunberg verklaart deze ‘onreinheid’/’ontzetting’ de humus van zijn schrijverschap, op majesteitelijke toon:

Die ontzetting lijkt mij de grondtoon, de basis, de aarde waaraan wij hopen iets vruchtbaars te onttrekken. Ik zie haar als een vorm van onreinheid, zij is misschien weinig anders dan het besef zelf onrein te zijn” (Het verraad van de tekst, p.34).

Nu is Grunbergs positie verward. Bij Bachmann is de ontzetting een universeel, existentieel gegeven. Zij stelt dat wie haar ontzetting niet voelt, niet te helpen is. Wie wil kan hem voelen – en zou dat, moreel gesproken, ook moeten doen. Grunberg neemt afstand van die positie maar maakt zo de ontzetting tot een particuliere beheptheid, die om verklaring vraagt. Maar omdat behalve Sam ook Grunberg niet nadenkt, ontbreekt besef van een probleemstelling.

Volgt men deze interpretatie, dan culmineert een bloeiend leven in een schuldgevoel (‘ziekte’). Sam, als professional van de smalle blik en afhankelijke man, totaal gespeend van ontzetting, heeft ‘gebrek aan ziekte’.

Een laatste mogelijke betekenislaag van Sams zich ‘heer en meester over zijn lichaam’ wanen is die van een voor vanzelfsprekend aannemen van veiligheid en comfort, zoals ook Schouten opmerkt. Sam generaliseert dan ten onrechte de verinnerlijkte ‘gemoedsrust van de verzorgingsstaat’, en het machtige gevoel van een kapitaalkrachtige deelnemer aan een gesmeerd lopende diensteneconomie, naar Irak:

‘Doet je telefoon het daar?’ vraagt Sams vriendin. ‘Vast wel,’ zegt hij. ‘Ik ga niet naar de rimboe.’ (p.8)

‘Een adapter,’ zegt Sam. ‘Hebben jullie misschien een adapter te leen?’. (..) Hij is opgelucht, de adapter geeft hem weer vertrouwen.’ (p.45)

In deze opvatting verwijst Sams ‘meesterschap over zijn lichaam’ vooruit naar zijn latere gevangenschap en mishandeling, daarvan het spiegelbeeld en voor Sam een hardhandige les, had hij van zijn schepper mogen kunnen leren.

Stel je onze huidige samenleving voor alsof mensen verwekelijkend, dan treed je in de romantische traditie die onder andere de opvatting voortbracht dat oorlog heilzaam is. Inderdaad bekent Grunberg, na grondige zelfreflectie en studie van de Franse psychoanalyse: dit vind ik lekker (Het verraad van de tekst, p.49). Zeg niet dat, als je er een kwartje ingooit, Grunberg geen intellectueel aandoende mening heeft.

Soms lijkt de anonieme, bijna alwetende verteller van De man zonder ziekte niet alleen ethische bezwaren tegen beschaving maar ook tegen gemoedsrust te hebben. Beide kijken weg van ‘de macht’/het kwaad. Een bepaald type kunst verklaart hij tandeloos. En de emigrantendromen van Sams vader – zul je net zien – zijn ‘eigenlijk’ het willen behagen van schoonfamilie en echtgenote.

De verteller bij monde van de personages over beschaving:

  • Hij zocht beschaving in de liefde. Het gecontroleerde. Het betrouwbare” (p.16).
  • Nina houdt van kunst en gelooft in matiging: niet te veel van dit, niet te veel van dat. Daarom houdt ze ook niet van politiek” (p.17).
  • Alleen al dat ze zo beschaafd is, maakt haar tot een ideale echtgenote. Niet verder zoeken, ook dat is beschaving” (p.27).
  • Misschien was gewilligheid gewoon een kwestie van beschaving. De beschaafde man was een gewillige man” (p.96).

Over kunst:

  • “Vooral zijn moeder geloofde in de kunst. Waar eens God zat, zat nu de kunst; een God zonder tanden vermoedde Sam, maar wel met een liefdevolle glimlach. Kunst bijt niet” (p.19). Lijkt Sam hier kritisch, even later huldigt hij dezelfde ‘bovenpolitiek’ esthetische kunstopvatting:
  • “Het is Sam wel duidelijk waarom Hamid Shakir Mahmoud Puccini naar Bagdad wil brengen. De mensen hier hebben behoefte aan iets anders, iets opbeurends. Hij herinnert zich een docent kunstgeschiedenis die had gezegd: ‘Geen ethiek zonder esthetiek. Wie de esthetiek verwaarloost, kan vroeg of laat ook de ethiek begraven’ ” (p.50). Ethiek kan niet zonder esthetiek. Het omgekeerde wel? Daar kom je niet achter. Sam denkt nooit meer dan twee gedachten en vraagt zich al helemaal niet af of wat hij gedacht heeft wel juist is. Het is allemaal toontje, als in: zeurpiet.
  • Net als een boom heeft ook de toekomst een vaste plek nodig. Samarendra’s vader had in Zwitserland het volmaakte land gezien, zoals sommige mannen in een vrouw de volmaakte echtgenote zien. (..) Hij had zich zonder aarzelen de ideale schoonzoon betoond (..). Alles voor de liefde en goedkeuring van zijn Zwitserse vrouw en haar familie” (p.9).

In De troost van de slapstick vond Grunberg Groucho Marx aannemelijke kandidaat voor God (p.16); de verteller van De man zonder ziekte lijkt meer op de traditionele, met baard en vertoornd op zijn schepping. Met Groucho Marx heeft hij gemeen dat hij niet met ze geassocieerd wil worden.

Grunbergs alwetende verteller

  • [“De kern van zijn identiteit: gebrek aan ziekte…heer en meester over zijn lichaam…vooral gezond: geestelijk en lichamelijk” (p.8). Is dit de mening van de verteller of het zelfbeeld van Sam? Ik denk eerste. Vals spel. Verteller bedoelt: Sam is onbeschreven blad, leeg, naïef, “professional”.] Nu het hele boek om Sam een lesje te leren? Het lichaam gemarteld en non-karakter duidelijk gemaakt: je was nooit ergens thuis?

Arjan Peters benadrukt politiek en de politieke naïviteit van Sam maar merkt toch ook iets op over de persoon van Sam. Hij wijst op de reis die Grunberg enkele jaren terug naar Bagdad maakte. Daar ondervond Grunberg chaos en regelloosheid aan den lijve. De politieke boodschap van de roman volgens Peters: “Onze waarden zijn niet universeel. Irak is nog niet toe aan de opera. (..) De chaos regeert, en wel met zo’n ijzeren hand dat niemand er immuun voor kan blijven”.

Dat laatste brengt bij Sam. Op een of andere wijze, mede aangetast door de Irakese chaos (en zijn overgeleverd zijn en de daarop volgende mishandeling, zou ik denken), zou Sam aan zijn identiteit twijfelen. Grunberg communiceert Sams ‘binnenwereld’ hier via symbolen, in dit geval diens gebroken neus. Peters wijst op aannemelijke inspiratie van Grunberg door Pirandello (Van Oostendorp wijst op de overeenkomst met Scarface). Het onopgelost raadsel volgens Peters:

Intussen vraagt Sam zich af waarom Brady niets zegt over zijn gebroken neus. Of is er niets aan Sam te zien?”.

Dat is mijns inziens het nadeel van een binnenleven verbeeld via symbolen in plaats van gevoelens en gedachten. Wie kan het wat schelen of de neus ingebeeld misvormd is? Je wilt weten waarvoor het staat, mocht het zo zijn. Ik lees liever over gevoelens en tweestrijd dan over ‘transacties’ en een Fremdkörperneus als fopartikel. Het lijkt me hogere eisen stellen aan de auteur en lonender voor de lezer (maar ik wil hiervan geen principe-uitspraak maken).

“Transactie” is overigens een voorbeeld van een ongemerkt binnensmokkelen van een metafysisch a priori in zijn tekst. Filosofe Annemarie Mol plaatste enkele jaren terug de logica van het kiezen tegenover die van het zorgen. Het begrippenkader van de eerste, waarvan ‘transactie’ onderdeel uitmaakt, onttrekt kwetsbaarheid, individualiteit en een rijker opgevatte wederkerigheid (vergelijk ‘gift’ en ‘ruil’) aan het zicht. Grunbergs streven buiten beeld te blijven faalt opzichtig.

Voor zover ‘authenticiteit’ – een versmaad begrip waar toch niemand buiten kan – ‘thuis zijn in jezelf’ betekent (wat element van een antwoord is maar de vraag verlegt), kun je stellen dat Sam inderdaad nooit thuis geweest is.

   

       

2 juni 2012

   

  • Storende hebbelijkheid van Grunberg: de apodictische uitsmijter: “Beschaving begint met het controleren van het eigen lichaam” (p.16). Nietes!
  • Een roman van Arnon Grunberg is een betoog met zetstukken, dingetjes die elders wel personages worden genoemd. “Sam voelt geen behoefte schuldigen aan te wijzen, hij wil zich op de vlakte houden, diplomatiek blijven. Dat is geen opportunisme, dat is menslievendheid” (p.59). Verzoek: kan Arnon Grunberg zijn personages andere gedachten dan die van hemzelf geven?
  • De verteller bemoeit zich ermee – Sam is overgeleverd, kruipt naar een hoek voor hij erin wordt getrapt. De verteller neemt het woord: “Hier bestaat geen waardigheid, hier bestaat alleen gedienstigheid” (p.79). Voor discussie over ‘menselijke waardigheid’ verwijs ik Grunberg naar de lopende discussie. Wil hij niet via romanproza zijn slap gelijk proberen te halen – en Sam erbuiten laten?

  

3 juni 2012

  • “Deze Sam is een typisch Grunberg-personage in dat het geen mens is, het is een type”- Arie Storm, na 2.10 min
  • Sam (..) weet hoe artsen kijken, die mengeling van medelijden en walging die uiteindelijk alleen maar professionele onverschilligheid is” (p.85). Een alinea eerder kwezelt Sam nog de schoonheid en het gebruiksgemak te dienen. En nu al een echte Grunbergzekerheid! Hoe overtuigend! “Show, don’t tell” is voor lessen creatief schrijven. Dit gaat daaraan voorbij…dit is…het ware leven!
  • Moeder over tv-optreden gemartelde zoon: “Ik heb het halverwege uitgezet. Die gruwelijke details. Over mijn eigen zoon nog wel. Daarvoor kijk je toch geen televisie? Dat is toch pure sensatie? Je wilt een beetje hoop hebben als je tv-kijkt” (p.100). Hoe ontmaskert Grunberg het weke humanitarisme dezer dagen en strijkt trouwe lezers tegen de haren. Literatuur is niet voor bange mensen!

Oftewel behaagziek proza. Grunberg heeft bij sommige lezers een Hans Teeuwen-faam opgebouwd. Neem de volgende lezerreactie op de Volkskrant-recensie van Arjan Peters:

Weer een heerlijke Grunberg met veel humor, maar ook de nodige spanning. Het onderwerp architectuur sprak me ook aan. Aanrader! Ook de Arnon Grunberg-app is trouwens een aanrader, gratis met zijn blogs en achtergrond info over deze, en andere, romans“.

  • “We kunnen naar het Kunsthaus gaan (..). We kunnen ook gezellig hier blijven en Angry Birds spelen” (p.115). Daarom Grunberg!

Kunsthaus Zürich – Hond, Giacometti

Aan het woord (in de quote) is de vriendin van de architect. Later doet ze iets in Afrikaanse kunst.

    

4 juni 2012

  • [Niet getweet, flauwe grapaanzet bij de pisscène van p.105 – 109, iets met:] “eenvouds verlichte wateren”
  • Aida zal wel staan voor de lijdende mensheid, als gemarteld vlees bij Francis Bacon. Grunberg: ‘Niet cynisch maar wanhopig’.

      

  • Neem het niet zo serieus. Zie het als een spel. Als ik mijn zoon met zijn blokkendoos zie spelen, dan weet ik wat architectuur is: een blokkendoos voor volwassenen”, p.127. Niet homo ludens maar kind dat veters wil strikken. Bij kind is spel leren, bij volwassene bezwering. Dave lult maar wat (“Je moet niet inzoomen op het individu. Het grote geheel, daar gaat het om”). Kunst doet geen greep naar ‘[sociale] werkelijkheid’. Betreurt Grunberg dit of wil hij niet dat dit mogelijk is?

Dit is de vraag die Bas Heijne zich stelt over kunst/literatuur en aan de orde wanneer hij Grunberg wijst op de mogelijkheid van vervallen tot “kitsch van de wanhoop” (in 2004). Hans Goedkoop verkondigt overigens een sterk verwante boodschap in Een verhaal dat het leven moet veranderen.

Grunberg bevestigt mijn interpretatie dat architectuur/kunst in zijn visie pathologie, “bezwering”, is door Sam in zijn cel zinloos verder te laten werken aan zijn ontwerp voor een operagebouw, zijn favoriete activiteit. Alternatieve lezing is Sam serieus nemen in zijn streven een hoge architectuurprijs te winnen; ik vind dat weinig realistisch.

  • Zorg voor een ander heeft bij Grunberg al gauw iets pathologisch, parentificatie bijvoorbeeld: broer en zus onder de douche. Typisch Grunberg is om juist dat dan als intiem voor te stellen: “Alleen daar, in de intimiteit van de badkamer, was zijn zus meer dan een lijdend stuk vlees, daar werd ze even een persoon met verlangens en gecompliceerde gedachten, althans dat vermoedde hij” (p.146). Misschien niet toevallig dat zus Aida stom is? Als Reve wenst Grunberg niet tegengesproken. De wereld moet kloppen.

De frase ‘Het is niet toevallig dat’ is een zwaktebod. Doorgaans volgt op de frase een niet beargumenteerde dieptepsychologische duiding. Zo ook hier. Maar ik hoop de vereiste circumstantial evidence voldoende aangeleverd te hebben in mijn commentaren bij de tweets.

Typisch Grunberg – ambivalentie van wanhoop (‘contact is niet mogelijk’) en passieve agressie – vind ik zijn toevoeging “althans, dat vermoedde hij”. De enige kandidaat voor een “complexe” persoonlijkheid is een bijna totaal verlamde zus, aan balkon en dagactiviteitencentrum gebonden. Zeker, ook in haar kan veel omgaan. In deze roman komt het de verteller echter niet slecht uit, dat ze niets terugzeggen kan. Aan de andere kant, personages die dat wel zouden kunnen, doen het ook niet.

Eerder stelt de verteller het woordeloos contact van Sam met zijn zus onder de douche voor als summum van intimiteit: “Hij koestert die momenten dat hij met zijn zus onder de douche staat, het zijn momenten van ongecompliceerde intimiteit” (p.13-14). Maar hij ondermijnt die karakterisering meteen. Enerzijds:

  • Sams liefde uit zich niet verbaal, hij praat weinig met Aida. Zijn tederheid blijft beperkt tot het inzepen, het zachtjes schrobben en het afdrogen. Het wassen van haar prachtige, ietwat rossige  haar” (p.14).

Anderzijds:

  • Haar haren zijn niet ziek” (p.14, direct aansluitend op de vorige aangehaalde zinnen).
  • Misschien omdat het zo weinig met een echt lichaam te maken heeft, omdat het alles wat lichaam is lijkt te ridiculiseren” (p.13). Toelichting van de verteller, opnieuw bij uitzondering aarzelend in zijn oordeel, op Sams niet vies zijn van het lichaam van zijn zus, uitzondering op de regel van zijn afkeer van lichamen.

Nu lijkt het even alsof Sam van Aida houdt in de mate dat ze volmaakt, niet-menselijk (niet-lichamelijk) is – dus als fantasie, ideaal.

Bij ‘parentificatie’ denk ik aan hoe Andries van Dantzig Frits van Egters beschreef in zijn recensie van de film De Avonden:

“De film verliest ten opzichte van het boek aan laten we zeggen filosofische diepte wat hij wint aan psychologische doorzichtigheid. In de film heeft Frits een motief: hij ziet de eenzaamheid van ieder van zijn ouders, en zijn aanwezigheid maakt van twee allene mensen een gezin. (..) Heeft Frits zo zijn ouders opgemerkt, aan het eind van de film laat de regisseur Frits dromen, dat zijn ouders hem opmerken. Dat is een consequente uitwerking van de psychologie van de parentificatie: dat doet iemand niet voor niets” (Voor gezien getekend, p.16).

  • Architect bij Herzog & de Meuron. Vriendin: “Zullen we een kindje maken?”. Architect: “Dat is goed. (..) Als zij een kindje wil, dan maakt hij een kindje. (..) Voortplanting is liefdevol en menselijk”(p.162).

Sam is de architect in kwestie. Opnieuw schrijft de verteller/Grunberg op wat volgens hem ‘eigenlijk’ in het personage omgaat. Hij bespaart ons Sam’s drogredenen en komt – als een psychoanalyticus die geen geduld heeft om te wachten tot de analysand eindelijk het licht ziet – meteen ter zake.

Het volledige citaat bevat een toegeschreven oneigenlijkheid en zakelijke afweging extra:

  • ” ‘Zullen we een kindje maken?’. ‘Dat is goed. Als ik terug ben maken we een kindje. Je bent lief.’ Hij weet niet of hij het meent, maar dat doet er niet toe”.
  • “Als zij een kindje wil, dan maakt hij een kindje. Het is een kleine moeite (..). En hij is hoe dan ook van plan bij haar te blijven. Voortplanting is liefdevol en menselijk”.

De vergelijking met een psychoanalytische interpretatie is in die zin behulpzaam, dat duidelijk wordt hoe veroordelend – liefdeloos – de verteller is. Zou Sam zelf ontdekken dat dit soort gedachten en afwegingen de zijne zijn, zou het pijnlijker, schaamtevoller zijn. Maar ook met de kans iets te veranderen.

 

5 juni 2012

Grunberg-2

  • Klaar. Me van ijzige afstand naar einde toe gewerkt. Ik weet wel, Grunberg herschrijft de wereld/wereldliteratuur als farce (of zoiets) maar ik herinner me Het Proces met meer smaak gelezen te hebben. Ik ben het probleem, ik erken het. Niets moeilijker voor een acteur dan om een slecht acteur te spelen. Geen controle over mijn reacties ook, bunkervisie op deze kathedraal van taal.

niets moeilijker voor een goed acteur dan om een slecht acteur te spelen

  • Suggestie / te onderzoeken: verschil tussen Kafka en Grunberg: (1) de verteller in Het Proces is neutraal/meelevend ten opzichte van Josef K, die in De man zonder ziekte kritisch tegenover Sam; (2) verteller in het Het Proces blijft buiten de gebeurtenissen, die in De man zonder ziekte debiteert soms Reviaanse stelligheden.
  • De recensie van Schouten onthult het manifest-karakter van Grunbergs proza: “Steeds onverbloemder demonstreert hij zijn boodschap”, “ideeën vaak open en bloot op tafel”, “zegt veel over zijn bedoelingen”, “bittere, bijna onmenselijke conclusie die Grunberg voor de zoveelste keer (..) trekt”.

Al vroeg had Grunberg ‘zijn’ boodschap. Al in 1996 schreef hij bij de verzonnen feiten van Jerzy Kosinski: “Wreedheid is bij Kosinski niet alleen iets negatiefs. Het is dat wat mensen bindt, het is een vorm van contact, misschien wel de enige vorm van contact. (..) Intimiteit en slachtpartij lijken bij Kosinski twee woorden voor hetzelfde” (De troost van de slapstick, p.70).

  • “De kwestie is intussen allang niet meer of Grunberg grote en mooie literatuur schrijft maar hoe diep en pijnlijk hij in onze humanistische gemeenplaatsen boort” (Schouten). Leest als: “Of het literatuur mag heten, kan me niet schelen, waar is het wel”. Heerlijke stelligheid. Alles is politiek (hoeveel pijn doet boren/snijden in een gemeenplaats eigenlijk?).

 

6 juni

  • Interessante recensie, dank. Ik vind Grunberg meer dan jij schmieren. Geen noodlot maar ‘het mág niet goed gaan’. Wiel van fatum knarsende Freud-metapsychologie? Meer farce van traumabeheersing door actieve herhaling (piesscène). Veel ‘instrumentele rede’ bij profs in boek (Lankford, Rose, Ursina Geisendorf, werkster/masseuse, Dave, Fehmer) en, in het algemeen, banaal geklets (World according to Grunberg). Sam’s willen redden van Aida is vorm van wegkijken, pathologie – suggereert Grunberg. Ook architectuurtheorie is wegkijken – van macht (bunker versus bibliotheek). Creëren is (vergeefse) poging tot mastery. En wat vermag kunst? P.135-136: ‘perfectie’ is een constructiekenmerk; Grunberg/Sam klutst schoonheid, mysterie/waarheid en emotie door elkaar. Het mag niets worden.

Bij het ontwerpen van de bibliotheek en bunker blijkt ook Sam in een droomwereld te leven. De vereiste grondige historische studies voorafgaand aan het ontwerp lijken geen enkele relatie met de werkelijkheid te onderhouden. Vooral de naïviteit ten opzichte van machthebbers valt op (is dat misschien wat Grunberg op de voor zijn roman geraadpleegde Rem Koolhaas op tegen heeft?)*:

Omdat de bunker zich per definitie half of helemaal onder de grond bevindt, zullen er ook wel andere esthetische eisen worden gesteld aan een bunker dan aan bijvoorbeeld een operagebouw” (p.138)

Eerder, bij de volgens het boekje verplichte inventarisatie van “gebruikerswensen”, blijkt Sam ook al van de werkelijkheid losgezongen. Hij ergert compagnon Dave en zakelijk gesprekspartner Lankford snapt niet waarover hij zich druk maakt:

‘Nog een vraag’, zegt Sam. ‘Als architect ben ik altijd bezig met de context. (..) Ik ben me natuurlijk op dit moment aan het verdiepen in de traditie van de bunker, maar wat ik me afvraag, en dat is altijd nog niet ter sprake gekomen, wie zijn de beoogde gebruikers van de bunker?’ (..) ‘Wie is hij? Hoe oud is hij? Wat is zijn gezinssituatie? Wat zijn zijn hobby’s?‘ ” (p.126).

Dan is er nog een Bouvard en Pécuchet-stukje:

Het valt Sam op dat vrijwel niemand hier over de bibliotheek spreekt, uitsluitend over de bunker. Terwijl wat hem betreft het belangrijkste gedeelte van het ontwerp zich toch boven de grond bevindt. (..) Sam en Dave hebben humor in het ontwerp gestopt, ze hebben bibliotheek en bunker geïroniseerd. Dave heeft Sam wel eens verweten niet te weten wat ironie is. Sam heeft zich er toen in verdiept en naar zijn idee heeft hij de ironie inmiddels behoorlijk onder de knie“, p.154.

Ook bij zijn eerste ontwerp, het operagebouw in Bagdad, redeneert Sam onnozel:

“Hij begon zich af te vragen of hij de verhoudingen tussen de operabezoeker en het gebouw nu vanuit Puccini’s perspectief moest gaan bestuderen [zijn opdrachtgever is Puccini-fan] of dat het perspectief van oorlog misschien beter was. Over oorlog had Sam relatief weinig nagedacht, maar als het noodzakelijk was, kon hij zich ook daarin grondig verdiepen” (p.22).

Sam is naïef, maar de verteller niet. Later meet deze Sam een egoïstische drijfveer aan: zucht naar roem. Het blijkt sterker dan zijn reddersfantasie – sorry Aida – of zijn recent geboren behoefte de mensheid iets terug te geven (p.23). De laatste achtenveertig uur van zijn leven voert Sam fictieve gesprekken met architect Fehmer. Hij baalt te zullen sterven voor zijn ontwerp van het operagebouw af is (hoewel hij weet dat het nooit gerealiseerd zal worden):

Als ze hem iets meer tijd hadden gegund en de omstandigheden in Irak anders waren geweest, had hij voor dit ontwerp de Pritzkerprijs gekregen. Hij denkt vaker aan Fehmer dan aan zijn zus. Soms voert hij op fluistertoon gesprekken met Fehmer(p.218)

Een egoïstisch motief, zoals de zucht naar erkenning, kan ook in banen kan geleid die de gemeenschap ten goede komen, beweren sommigen. Grunberg verbiedt personages ontstijgen aan banaliteit maar veronderstelt die mogelijkheid in zijn spot. Een verteller wiens verachting de lezer niet begrijpelijk wordt, die geen personage wordt, is een mislukking; een auteur die stommetje speelt lafaard.

*: Grunberg in VN, 25 mei 2012:

“In mijn roman gaat Samarendra naar Irak om daar op uitnodiging een operagebouw te bouwen, maar daar blijkt hij het slachtoffer van een grap. Ik dacht daarbij natuurlijk aan Rem Koolhaas die het gebouw voor de Chinese staatstelevisie heeft ontworpen. Het gaat mij om de vraag: moet je daar een moreel oordeel over hebben, of houd je vast aan het naïeve standpunt: ik ben hier gewoon om te bouwen?’ ”

  

8 juni

Intermezzo – Twitlit-discussie: vier lezers op zoek naar een personage

Boudewijn Hogeboom:

Man zonder ziekte is man zonder eigenschappen, willoos, zielloos. Architect als schepper, gebouw als metafoor wereld. Het volmaakte is het gemis. De ziekte is Sam dierbaar. In de vorm van zijn zus omarmt hij hem.

Ik:

Vindt u niet dat Grunberg nodige hints van onvolgroeidheid van Sam geeft (toegeeflijk, slak)? Sam is niet onbeschreven (‘willoos, zielloos’).

Boudewijn Hogeboom:

Sam heeft dromen maar geen passie. Hij wil anderen plezieren (slak = slijmen), wereld (die hij niet begrijpt) redden met gebouwen.

Ik:

Klinkt als ‘geparentificeerd’, ongezond. ‘Omarmen ziekte zus’: is dat zorg (liefde voor), gehechtheid (‘dierbaar’) of ‘ziek’?

Boudewijn Hogeboom:

Sam betreurt afscheren ‘snor’ door vriendin, ze is nu te volmaakt. De ‘zorg’ was eigenzorg; samen douchen.

Ik:

Maar hield hij er volgens u een gezond of ongezond evenwicht mee in stand (zelfzorg wordt geacht het zelf te dienen)?

Boudewijn Hogeboom:

In ieder geval zelfbedrog. Gebrek aan zelfkennis leidt tot gebrekkige zelfzorg. En mogelijk schade voor omgeving.

Rudi Broeils:

Gebrek aan zelfkennis? Gebrek aan kennis van de mens buiten jezelf! Het één staat niet los van het ander.

Mirjam Berkelder:

Sam met smetvrees en preoccupaties, die huis wil bouwen voor zijn zusje, altijd bouwt in zijn hoofd, beetje Asperger heeft…

Ik:

Benieuwd naar de reactie van Boudewijn Hogeboom en Rudi Broeils op deze “realistische” lezing van Sam (Asperger!). Geen Musil…

Boudewijn Hogeboom:

Sam heeft geen smetvrees of Asperges [pun intended?], veel te weinig symptomen.

Ik:

Maar wat moet lezer dan met die opzichtige – nudge nudge – trekjes? Psychologie via symbolen?

Boudewijn Hogeboom:

Sam wil graag rein (Zwitsers), meer niet. Overleeft vuil, maar kon Dubai niet voorkomen.

Mirjam Berkelder:

Met alle respect, maar dan heb je toch heel wat mooie, karige, relevante zinnetjes over het hoofd gezien. Talloze woorden: vlek, vuile afwas, geur, zweet, stap naar achter, ruikt naar mens, fris, beschaving.

Rudi Broeils:

Asperger? Past in het beeld dat Grunberg van Sam schetst. Architecten zijn vaak eigenzinnige buitenbeentjes.

Ik:

Mag ik concluderen dat u beiden niet het type lezer bent dat Grunberg met ‘slapstick’ verbindt?

Boudewijn Hogeboom:

Sinds De Asielzoeker niet echt, nee.

Rudi Broeils:

In deze serieuze (journalistieke?) roman zeker niet. Paar kleine pesterige steekjes onder water. Meer niet.

Nico van der Sijde:

Misschien is Sam zielloos, maar Musils ‘Man zonder eigenschappen’ is dat toch niet?

Boudewijn Hogeboom:

Andere tijden. In Musils tijd ‘bestond’ de ziel nog, nu zijn wij ons brein. Sam denkt wel maar voelt niet.

Nico van der Sijde:

Ander mogelijk verschil: Ulrich is veel nieuwsgieriger en essayistischer dan Sam. Mee eens?

Boudewijn Hogeboom:

Zeker! Sam wil wel gebruikersinformatie om gebouw te ontwerpen maar snapt niet wat mensen zijn.

Rudi Broeils:

In Musils Der Mann ohne Eigenschaften is broer op zus gefixeerd. Grunberg heeft dat versimpeld tot ziekte.

Boudewijn Hogeboom:

Ja. Vergelijk de complexe trilogie van Musil met het pamflet van Grunberg: een bondige, strakke stijl en de boodschap: dit gaat over ons.

~~~~~~

Mijn commentaar: het is niet vreemd dat het personage Sam gedachten aan autisme oproept. Een voorbeeld. Sam vertrekt naar Irak. Op het vliegveld vraagt zijn vriendin:

‘Zul je veel aan me denken? (..) Ga je me missen?’
‘Ik zal je gaan missen,’ zegt hij. ‘Ik zal elk uur een paar minuten aan je denken.’  (p.13)

En zo geschiedt. In Irak laat hij per sms weten:
“dat alles goed gaat in Irak, dat hij Bagdad nadert en dat hij haar zoals beloofd een paar minuten per uur mist” (p.35)

Of neem de eerst genoteerde gedachte van Sam, een tijd nadat over hem heen is geplast en hij zich zonder kleren aantreft:
Zijn enige kledingstuk is het touw waarmee zijn handen op zijn rug zijn gebonden. Kun je een touw een kledingstuk noemen?” (p.81)

Lezers die zulke zinnen psychologiseren tot licht-autistische uitingen kunnen de bijzondere aard van Grunbergs schrijverschap miskennen. Grunberg wil geen psychologisch-realistische roman schrijven. Spanning in een verhaal vindt Grunberg wel aanvaardbare consumenteneis, niettegenstaande de druk vanuit de culturele elite:

Veel mensen, met name veel mensen uit dat hele kleine groepje dat wel eens een boek koopt, associëren bewust of onbewust spanning met iets vulgairs, iets banaals, iets goedkoops” (De troost van de slapstick, p.128) – iets vies, om in de sfeer van De man zonder ziekte te blijven.

Ook verhalen vertellen is voor hem een onproblematische bezigheid en te billijken kopersverlangen:

Verhalen zijn er altijd geweest, zelfs toen het ‘conventionele verhaal’ verketterd werd omdat de werkelijkheid te complex zou zijn voor een dergelijk verhaal. Ach, die verrukkelijke complexiteit van de werkelijkheid. Ze kan dienen als excuus voor bijna alles“. (idem, p.129).

Maar Grunberg is geen behaagziek schrijver. Genoemde vreemde zinnen zijn mogelijk niet het resultaat van het Sam voorzien van autistische trekken, geen vallen voor het populaire genre van het realistische verhaal, uit op herkenning bij de lezeres, maar doorgeanalyseerde emotie. Zo doet Grunberg dat privé ook. In een interview uit 2004 merkt hij op:

Ik denk wel dat ik mezelf zelden laat meeslepen door gevoelens en ze heel vaak aan een nader onderzoek onderwerp. Vaak blijft er dan niet veel van over. (..) Ik denk dat je ook kunt voelen door te denken.  (..) Als ik op iemand verliefd word, kan ik dat gevoel ook ontrafelen tot wat het eigenlijk is. Vaak is dat dan dat de verveling moet worden bestreden of, zoals ik al zei, dat het voorwerp van de verliefdheid materiaal vormt voor een roman en ik dus eigenlijk gewoon een soort muze nodig heb. En toch kan ik, door dat denken heen, nog van alles voelen. Het is niet zo dat er niets meer overblijft; je creëert alleen een soort afstand van het oorspronkelijke gevoel.”

In andere gevallen blijkt de emotie in kwestie luxeartikel of reeds door Freud geanalyseerd:

Leven is je wapenen tegen de dreigingen van het noodlot. Hoe extremer de situatie, hoe minder je je kunt permitteren te voelen. Soms dwingt een situatie tot hardheid. Voelen is een luxe. (..)

Onze primaire drijfveren zijn nu eenmaal seks en geweld, zoals Freud zegt, hoezeer we die ook onderdrukken. Maar dat heeft het humanisme niet begrepen, het is verworden tot een soort christendom light, en daarom verdient het enige correctie. Als we het van de hypocriete elementen kunnen ontdoen, is het humanisme een goed project om geloofwaardig te verkopen.’  ” (Vrij Nederland, 29 november 2011)

Als Nina, aan het eind van haar eerste afspraak met Sam, als ze in het spreekwoordelijke stille, slecht verlichte straatje zijn beland, op Sams vraag of ze nog iets wil drinken antwoordt dat ze een puppy wil, spreekt dat boekdelen. Een complexe psyche tot de kern teruggebracht. (p.15) Het is dan nog slechts een kwestie van tijd voordat Nina telefonisch, terwijl Sam met kakkerlakken in de weer is, haar gerijpte essentie onder woorden brengt: “Zullen we een kindje maken?” (p.162).

Hoewel Bas Heijne het spannende verhaal vergelijkt met de kunst van Jeff Koons, “kunst die aanwezig wil zijn in de wereld, zonder er al te veel haar stempel op te drukken” (De werkelijkheid, p.176), is hij het gedeeltelijk eens met Grunberg. Ook Heijne wijdt weleens een gedachte aan Freud, zij het meer nostalgisch. Hij eert Freud dan als inmiddels tandeloze pleitbezorger van het serieus nemen van de complexiteit van het innerlijk leven van mensen. En Heijne zwaaide het spannende De logica van het moorden van Aifric Campbell alle lof toe (“De beste roman die ik in tijden heb gelezen”, aldus de flaptekst).

Beiden delen het uitgangspunt dat literatuur niet moeilijk doen om het moeilijk doen is. Wel doet Heijne moeilijker dan Grunberg over ‘verhalen vertellen’.

    

12 juni

Twitter-interview van Bas Heijne met Marja Pruis

Pruis en Heijne zijn het eens over de afstandelijkheid van Grunberg. Heijne gelooft dat het desondanks een zeer persoonlijke roman is. Pruis beaamt dit maar lectuur is in haar geval niettemin geen succes. Heijne oppert twee interpretaties van de inzet van Grunberg: eigen pijn/ongemak/wanhoop tot uitdrukking brengen of de lezer een les leren. Heijne lijkt, anders dan Pruis, gevoelig voor indirecte boodschappen als “het vieze Irak is intiemer dan het schone Zwitserland” en een mogelijk onderliggende psychologie van het type ‘Sam zoekt ondergang’. Mogelijk is Heijne gedeeltelijk hoffelijk, als gastheer van Twitlit. Voor een ander deel blijft hij, ook in het Twitlit-gesprek met Grunberg (hieronder), zoeken naar een coherente psychologie van/achter Sam.

Kritiek van Pruis, als ik hem vrij vertaal: Grunberg waagt te weinig, de poppenspeler moet uit zijn veilige God-positie gehaald (“Auteur speelt de baas, dat is het een beetje”). Die kritiek zal u inmiddels bekend zijn.

Wat vond je goed aan De man zonder ziekte?

Ja, laat ik daar mee beginnen! Grunberg heeft altijd wel een lekker zelfverzekerde stijl, zet zijn wereld meteen neer.

De stijl is krachtig en kaal, ook vergeleken met vorige romans, niet?

Kaler ja, minder wisecracks. Vooral het eerste deel moest ik wennen aan die staccatozinnetjes.

Hoe zou je de wereld die hij zo zelfverzekerd neerzet omschrijven?

Een wereld van papier, bewoond door mensen van papier. Onzinnig om zo’n niet-psychologische roman een gebrek aan psychologie te verwijten, maar toch heb ik daar last van.

In welk opzicht? Het is duidelijk dat Grunberg iets wil vertellen dat boven zijn personages uitstijgt.

Vast. Maar het blijven woorden, zijn personages zijn leeg. Hij laat de ergste dingen met ze gebeuren, maar – om het erge woord maar te gebruiken – ik ‘voel’ er niks bij. Ik vind het lastig, denk steeds aan termen als ‘grotesk’ en ‘absurd’, misschien niks voor mij.

Is het gebrek aan “eigen leven” van hoofdpersoon Sam niet juist centraal in de roman?

Hij is te duidelijk een creatie van de schrijver, moet misschien vermakelijk zijn, maar mij vermaakt het niet.

Ik las het niet als vermakelijk, hoogstens zoals de romans van Evelyn Waugh vermakelijk zijn.

Ik moest ook aan Waugh denken, A handful of dust. Maar daar had ik te doen met die man en haatte zijn vrouw.

Waar schuurt het? Er wordt een wereld vol beklemming neergezet. Schijnzekerheid (Zwitserland) tegen chaos en willekeur. Passieve held die zich uitlevert en kapot gaat.

Vond jij het beklemmend? Ik heb me verveeld. Juist dat schema is zo voorspelbaar. Ik dacht even dat de constructie slim was, eerst geen spion, toen wel.

Ja, Handful of Dust en andere verhalen over goedwillende individuen in een dolgedraaide wereld. Ook schrijvers als Waugh en Kafka zetten een ondergang neer voor kansloze personages. Vraag is of Sam zijn ondergang niet zoekt. Waarom werkt het hier voor jou niet?

Ja, Kafka. Dit klinkt vast heel blasfemisch, zijn verhalen vind ik goed maar Het proces is voor mij huiswerk gebleven. Sam is trouwens ook geen Josef K. Sam is een vreemde mengeling van parmantigheid en autisme.

[Heijne: “Ja precies, maar dat autisme probeert hij te doorbreken door “open” architectuur die mensen dient – loopt fout af “].

De ondergang heeft Grunberg voor Sam neergezet. Het is een techniek en het is knap. Je staat erbij en je kijkt ernaar.

Na zijn eerste gevangenschap is er een omslag. Sam beseft dat de wereld van geweld intiemer is dan zijn eigen ordelijke wereld…

Hoezo dat? Zeker omdat hij erachter komt dat al onze liefde in urine zit.

Pruis verwijst naar een plasfragment, over de diepere gronden waarvan Sam Nina veel behartenswaardigs zou kunnen zeggen, maar helaas vindt de verteller er het moment niet naar: “Sam wil best uitleggen wat hij voelde maar dit is niet het moment. ‘Jouw liefde zit in je urine, misschien zit al onze liefde in urine,’ zal hij haar later een keer zeggen. Voor nu houdt hij het op: ‘Het was fijn.‘ ” (p.109).

‘Urine’ stelt enigszins teleur als diepere grond. Meer nog spijt het mij dat nu toch ook ‘urine’ symbolisch lijkt te worden ingezet.

Het kan natuurlijk ook dat Grunberg nooit een studie heeft afgemaakt en jongleert met metaforen en ‘details’ om de gaten in zijn begrip aan het zicht te onttrekken, een truc die begripsmatig denken op een spannender, controleerbare en eerlijker manier voltrekt.

…Het lijkt erop dat de “vieze” wereld van Irak meer intimiteit in zich draagt dan de schone van Zwitserland.

Dit is nou echt iets waar een schrijver blij mee kan zijn, dat jij dat nu denkt te hebben gelezen.

Was er geen moment dat je contact maakte met de wereld van het boek?

Bij deze zin: “De waarheid, zoveel begrijpt hij, kan verkeerd worden uitgelegd. Er zijn mensen die uitsluitend de ongunstigste interpretatie van de waarheid hanteren en tegen die mensen moet je liegen”. Mooi aan dit boek is dat het weer over waarheid en liegen gaat, en dat je je afvraagt welk spel de schrijver speelt. Omdat hij nu uitgebeender dan ooit schrijft, is het alleen ook wat platter allemaal.

Mooie zin nog, genuine Grunberg: “Degene die een gebouw wil vernietigen is in zekere zin ook een gebruiker van dat gebouw”.

Ik kom er door jouw opmerkingen [autisme doorbreken door open architectuur] achter dat ik helemaal niet op dat niveau heb gelezen, dacht alleen maar: spelletje. Ligt vast aan mij, ik wil bedrogen worden door een schrijver, niet hem met poppen zien spelen.

Er zijn twitlit-lezers die er ook zo over denken (‘speeltje’) maar ook die het boek wel beklemmend vinden – sommige zelfs te. Ik zie het niet als een spelletje. Het lijkt mij een zeer persoonlijk boek in alle afstandelijkheid.

Ik twijfel aan inzet noch integriteit. Zie ook heel erg de slimheid, het pesterige. Mij grijpt het alleen niet.

Lezeres: Frusterend. Schrijf je als “pesterige” schrijver eens een boek over een dienende architect en zorgzame broer, is het weer niet goed.

          Bas Heijne: Ja, er zit toch echt wel deernis in ten opzichte van Sam.

          Toch niet als hij met zijn zus staat te douchen, hè?

Ik: Wat vind je van de vertelstem? (ik vind het een valse alwetende verteller, die personages afbrandt terwijl hij ze opvoert)

          [Geen antwoord van Pruis]

Waar zit voor jou het verschil tussen Tony Last in Handful of Dust, die door de auteur met vaste hand naar de ondergang wordt gevoerd, en Sam?

Er zit echte pijn in A handful of dust. Misschien is die hier ook wel, zie ik het alleen niet. Ben ook meteen bang dat ik hem tekort doe. Misschien is Sam wel te goed of zo, ik weet het niet. Geloofwaardigheid is ook niet alles, maar toch…

Hamvraag lijkt me: gebruikt de auteur personages om lezers les te leren of zit zijn eigen ongemak/pijn/ wanhoop in het boek?

Hamvraag indeed. Auteur speelt de baas, dat is het een beetje, denk ik.

Ok. Ik vermoed dat ook de twitlit-lezers die hamvraag verschillend beoordelen. Er zit veel Waughiaanse satire in – Puccini in Bagdad, Boedhistisch ontmoetingscentrum in Winterthur.

Mijn mondhoeken hebben zich niet omhooggekruld. Teveel bedachtheid, dat slaat alles dood, in ieder geval mededogen. Sam denkt als hij wordt kaalgeschoren dat het misschien goed is voor zijn haar. Moest jij toen lachen?

Hoe bevalt het twitteren over een roman?

Ik ben veel te negatief geweest. Komt door dat twitteren, dan moet ik duidelijk zijn, denk ik, krijg je dit.

Instantreflectie – kan heel goed werken.

Het is ook wel heel aantrekkelijk daardoor, elke keer iets kernachtigs zoeken.

  

15 juni

Pruis publiceert haar recensie van De man zonder ziekte. Haar mening blijkt niet veranderd. Enkele saillante zinnen:

“Grunberg schrijft altijd óver kwesties, en nooit er vanuit. Hij kan zijn romans daardoor ook waar [ook] ter wereld situeren, het maakt niet uit. De buitenissige decors, het opzoeken van de zogenaamde brandhaarden, het is een vorm van impression-management. Dat een hoofdpersonage zich in Bagdad bevindt in plaats van in Maastricht, levert niet automatisch iets wezenlijkers op“.

Grunberg voert van meet af aan een soort poppentheater op waarmee hij iedere interessante ambivalentie in de kiem smoort. (..) Tegelijkertijd besef ik dat Grunberg dit aanrekenen zoiets is als Charlie Chaplin verwijten dat hij geschminkt is en danspasjes maakt. Grunbergs romankunst heeft niks te maken met psychologisering, karakterontwikkeling en plot. Op z’n best zijn zijn romans grappig, snel, origineel, vol wijsheden en pedanterieën, grollig, grimmig. Hij bedrijft een hogere vorm van slapstick“.

Grappig dat Pruis Chaplin en slapstick noemt. Ik weet alleen niet wat ze met “hogere” vorm van slapstick bedoelt.

Mocht, zoals Bas Heijne oppert, Grunberg de lezer een les willen leren – een spiegel voorhouden, neem ik aan – zou hij in gewetensnood moeten verkeren. Hij is Youp van ’t Hek die het door hem gehekeld hockeypubliek in opperbeste stemming in de zaal aantreft. Wat Grunberg ook doet, verontrusten niemand. Grunbergs ambivalente omgang met commercie en de verteller van De man zonder ziekte roepen het personage op dat Jacques Brel personifieerde in ‘Ces gens-là’. Verschil is dat de verteller van De man zonder ziekte niets met Sam en alle overigen te maken wil hebben en doet alsof hij niet in de roman zit.

Hierin verschilt Grunberg ook van auteurs als Parks of Bernhard in sommige van hun romans. Heijne oordeelt dat beide auteurs ironisch staan ten opzichte van hun personages, die in de ikvorm hun verhaal doen. Maar, anders dan bij de arrogante navertelinstantie van De man zonder ziekte, breekt soms bij deze ik-personages een deemoedigend inzicht door:

“Hij [de hoofdpersoon van Holzfällen] moet bekennen dat alles waar hij een gruwelijke hekel aan heeft, de afstotelijke vrienden van vroeger waarmee hij de avond heeft doorgebracht, de mensen die hij gehoond en beschimpt heeft, die hij tot mislukkelingen en dwaallichten heeft verklaard, ook de mensen zijn die hém gemaakt hebben. Hij heeft alles aan hen te danken, hij blijkt met hen vergroeid, ze zijn deel van hem – net zoals trouwens de stad Wenen, die hij even hartgrondig verafschuwt, zijn stad is. Hij kan zich niet van hen losmaken, hij kan hen niet overstijgen” (Echt Zien, p.12)

  

dinsdag 19 juni

Twitlit-gesprek van Arnon Grunberg met Bas Heijne en lezers

1. Sam

Bas Heijne
Goedenavond, Arnon Grunberg in New York. Welkom bij Twitlit. Voor we het gaan hebben over De man zonder ziekte:  hoe is je relatie tot jouw romans wanneer ze af zijn? Couperus keek de zijne nooit meer in.

Arnon Grunberg
Ik nog wel. Ook vanwege vertalingen. Vertalers betrappen mij nog wel eens op fouten. Vooral mijn Duitse vertaler.

Bas Heijne
Is er dan de neiging om te gaan sleutelen?

Arnon Grunberg
Sleutelen niet echt. Maar ik verander nog wel kleine dingen, vooral op zinsniveau. En herstel bijvoorbeeld een inconsistentie.

Bas Heijne
Wat was de oorsprong van De Man zonder ziekte? In de Verantwoording verwijs je naar artikelen over de moord op al-Mabhouh. Is zoiets een trigger?

Arnon Grunberg
Ja. Maar ook mijn reizen naar Irak. Vooral de reis uit 2010 met auto en trein van Istanbul naar Bagdad.

Arjan Peters schatte dit goed in.

Henriett Somlai
Hoe is het idee van je personage Sam ontstaan?

Arnon Grunberg
Onder andere door met architecten te praten.

Bas Heijne
Waarom specifiek met architecten?

Arnon Grunberg
Omdat ik van de hoofdpersoon een architect wilde maken. Een westerling die naar Irak gaat in 2009-2010.

Selma Duim
De keuze voor een architect gaat toch om meer dan de keuze voor een westerling?

Arnon Grunberg
Het een staat niet los van het ander. Integendeel. Een architect uit Libanon had zich vermoedelijk anders gedragen.

Selma Duim
Ja, maar een ober uit Zwitserland ook anders dan een architect. Met andere woorden: waarom een architect?

Arnon Grunberg
Een ober heeft weinig reden naar Irak af te reizen. Een architect wel. Wederopbouw etcetera.

Selma Duin
Je mist wat fantasie mais bon😉

Grunberg geeft een onvolledig antwoord. Sam heeft als architect naïeve opvattingen over iets goeds doen voor de mensheid, een zelfopvatting verwant aan die van veel humanitaire NGO’s (“Oorlog vernietigde mensen en hun huizen. Architecten bouwden huizen, zij stonden tegenover de oorlog zoals de arts tegenover de dood“, p.22). Mijns inziens is Grunberg er onder andere op uit zulk naïef idealisme te hekelen. Een Zwitserse horlogemaker die perfecte, handgemaakte horloges in Irak wil verkopen kan ook bespot maar daarmee is minder eer in te leggen, hoe perfecte kunstwerkjes sommige horloges ook zijn. De lezer neemt diens pretenties de wereld te helpen via horloges minder serieus en dus ook de ontmaskering ervan.

In zijn gesprek met de architect De Ru, bij de lancering van De man zonder ziekte, geeft Grunberg een uitgebreider antwoord:

Ik vroeg me af waarom iemand naar Irak zou gaan”, zegt de auteur. “Dat kon iemand zijn die er een gebouw neerzet. Het idee voor een opera in Bagdad vond ik ook realistisch. Ik heb er een groep ontmoet die vrede wilde brengen door middel van kunst. En dat, terwijl er om de drie, vier dagen een bomaanslag werd gepleegd. Ik dacht: als dat soort groeperingen daar bestaan, is er vast ook wel iemand die een opera wil laten bouwen. (..)”. Grunberg heeft het over het realisme van het personage van opdrachtgever Mahmoud. Het bestaan van bezield blinde/idealistische kunstenaars behoeft bij hem geen nader betoog.

Vincent Kouters
Is Sam erg naïef of toch gewoon schuldig?

Arnon Grunberg
Het een sluit het ander niet uit. Integendeel.

In het interview met De Ru beschrijft Grunberg Sams politieke naïviteit als volgt: “Ik denk dat mijn hoofdpersoon (..) gedreven wordt door de veronderstelling dat het overal Zwitserland is. Hij kan zich niet voorstellen dat er een echt heel andere wereld is, waar andere wetten gelden. En andere regels.”

Bas Heijne
Dus Sam is schuldig omdat hij naïef is?

Arnon Grunberg
Ja, als ik me hierover uit moet laten, zou ik het zo wel zeggen. Maar ook omdat hij iets wil bewijzen.

In het interview met De Ru neemt Grunberg de volgende morele positie in, als het om hemzelf zou gaan in een met Sam vergelijkbare situatie:

” “Afgelopen herfst is een groep Nederlandse schrijvers naar China gereisd. (..) Als ik was uitgenodigd, had ik dat waarschijnlijk wel gedaan. Nu heb ik echter kritiek geleverd op de schrijvers, die hun reis trachtten te rechtvaardigen door bijvoorbeeld te zeggen: het is een groot land en af en toe moet je helpen mensen te alfabetiseren door er op te treden.”

“Wat mij betreft kunnen ze beter zeggen: ik ga er heen om te verkopen en begeef me in een grijs gebied, maar dat doen we allemaal. Niet alleen schrijvers en architecten maken vuile handen. Hoe kun je bijvoorbeeld als toerist ergens naar toe gaan om lekker te zonnen, terwijl even verderop iemand wordt gemarteld? In de praktijk blijkt dus dat de morele positie die ik zou kunnen [willen?; GvdV] innemen onhaalbaar is, of ik houd me er zelf ook niet aan.”  “.

Even later verklaart Grunberg echter zich in China waarschijnlijk net zo kritisch te zullen opstellen als Koolhaas deed tijdens zijn ontwerpen van het hoofdkantoor van de Chinese staatstelevisie. Maar volgens De Ru was Koolhaas niet kritisch:

” “Zijn houding was: ik doe het om te kijken of ik wat zou kunnen veranderen en verbeteren, misschien kan ik het verschil maken” (..). In Europa is een architect een belangrijke vormgever van de civil society. In landen buiten ons continent (..) zien ze een architect als een ondergeschikte ingenieur, iemand die vormgeeft aan wat de echte mannen bedenken. Je serveert als architect een saus van design en verleiding, maar die stichtelijke kant willen ze helemaal niet van je.” “.

Grunberg lijkt er dus niet op uit te zijn geweest Sam ‘eenduidig’ te ontmaskeren als naïef. Het maakt Sams banaliteit des te onbegrijpelijker. Voor zover Grunberg een morele kwestie wil verkennen, zet hij hem niet onder hoogspanning door diverse denkbare posities zo sterk mogelijk te laten vertolken. De kwaliteit van de morele discussie in de roman is navenant laag.

Bas Heijne
Toch even vragen: wat wil hij bewijzen?

Arnon Grunberg
Dat hij geen slakje is. Zijn vriendin noemt hem slakje.

Adriaan Birnie
Kunnen we Sam zijn onderdanigheid en naïviteit nog verwijten als we ons zo in hem kunnen verplaatsen [“zo met hem inleven”], juist ook omdat hij zichzelf zo straft?

Birnie suggereert hier een ‘zichzelf ten val brengen’ (“straffen”) waarvoor ik geen aanwijzingen in de roman vind. Of bedoelt hij: ‘Sam wordt erg genoeg gestraft door de gebeurtenissen, zodat het niet nodig is dat wij hem achteraf nog eens veroordelen’?

Arnon Grunberg
Schuldig zijn staat niet gelijk aan iemand iets verwijten. Tragisch is de schuld die je over jezelf moet afroepen.

Hoewel Grunberg verderop in het Twitlitgesprek een reeks negatieve oordelen over Sam paraat heeft, zijn dit dus feitelijk bijzaken. Was Sam niet politiek naïef, had hij geen afgod aanbeden, zich niet op zijn carrière gefixeerd en liefdevolle relaties opgebouwd, was zijn situatie eender geweest. Leven is schuld over je afroepen.

In dat geval alle reden om in zijn volgende boek eens wat andere personages te laten opduiken. Hoe afwisselend, nieuwsgierigmakend ook, om kennis te maken met een liefdevol Grunberggezin. Dat de held tragisch ten onder gaat, ondanks haar intellectuele bagage, scherpe verstand, passionele liefde, over het geheel genomen bevredigende relatie(s), bijzonder goed ontwikkelde sociale vaardigheden en gehaaidheid.

Milan van Opmeer
De man zonder ziekte = de man zonder ideologie. Zie jij dit ook zo of in het geheel niet?

Arnon Grunberg
Dat is dus een illusie, de illusie van het apolitieke.

F. Zwaan
Waant Sam zich onkwetsbaar? Is Sam bedoeld als een karikatuur? Dé werkelijkheid bestaat niet?

Arnon Grunberg
Niet onkwetsbaar. Maar slecht voorbereid op andere werkelijkheden dan zijn eigen. Karikatuur? Nee.

Gerard de Jong
En toch menen we er allemaal persoonlijk een te hebben [een werkelijkheid]😉

Arnon Grunberg
Wij zijn veelal geneigd ‘onze’ voor ‘de’ [werkelijkheid] aan te zien, leert de ervaring. Misschien bent u uitzondering.

Rudi Broeils
Sam wordt door zijn vriendin man zonder overwicht genoemd. Sam is meer een introvert.

Arnon Grunberg
Of echt een zwakkeling. Een lafaard. Zonder ruggengraat. Een gecastreerde man. Die zijn er veel..

Bas Heijne
Lezers vonden De man zonder ziekte zelf een hardvochtig boek. Er waren er die er slecht van sliepen.

Arnon Grunberg
Dat beschouw ik als een compliment. Ik houd lezers graag uit hun slaap.

Carin Francken
Ja, daar was ik al bang voor! Jammer. Is vast geen goede PR!

Commentaar: De slecht slapende lezer(es) – ik kon hem/haar helaas niet meer opsporen via Twitter-search – is geschikt om de breedte van lezerservaringen weer te geven. Hij/zij lijkt me niet representatief, heeft minstens een tegenhanger in het type lezer dat geniet van de (ervaren) zwarte humor van Grunberg. “Ik houd lezers graag uit hun slaap” kan zo op de omslag.

Mij is één lezeres bijgebleven die zich met Sam identificeren kon: “De man zonder ziekte laat me niet los. Hoe veilig ben je en wie kun en wil je nog vertrouwen? #twitlit #zouikookzonaiefzijn”. Een andere lezeres twitterde haar: “Die Sam is wat mij betreft gewoon een grote sufferd en een volkomen ongeloofwaardige figuur”. Haar repliek: “Misschien heb ik daarom wel een zwak voor Sam”. Mogelijk voegde zij zo wat schuld toe aan de tragedie van haar leven. Maar zij noch haar opponente lijken Sam als gedreven architect te hebben beleefd.

Met die kant van het personage lukt het Grunberg niet deze lezeressen zich te laten identificeren. Ook Arie Storm heeft weinig fiducie in de kwaliteiten van Sam als architect en, eerlijk gezegd, ik ook niet.

Jouïssance / het verraad van de verf: gedreven klussers

Storm extrapoleert Sams geringe kwaliteiten als architect uit diens slordig waarnemen van de werkelijkheid. Ik zou Sams psychologische onbenulligheid als basis nemen. Je keuze van partner zegt ook wat over je. Ook wekt Sam niet de indruk tot de kern van zaken door te dringen. Maar De Ru vindt de combinatie van ambitie en naïviteit in Sam herkenbaar:

Er zitten een aantal hele interessante karakteristieken van de architect in. Hij heeft een heel grote ambitie, maar daarin zit een sterke ondertoon van naïviteit. Hij heeft het idee dat je de wereld beter kunt maken en dat hetgeen wat je toevoegt beter is dan wat je aantreft. (..) De naïviteit waarmee de hoofdpersoon denkt Puccini naar Bagdad te gaan brengen, is typerend voor dit moment in de tijd, waarin het ineens mogelijk is om vanuit het veilige Europa een totaal onbekende wereld in te trekken met zulke ambities. Het boek laat de keerzijde van deze naïviteit zien.”

Bas Heijne
In de dodencel vaart Sam uit tegen de architect Fehmer omdat zijn architectuur te dwingend zijn wil oplegt. Wat zegt dat over Sam?

Arnon Grunberg
Dat zijn identiteit en houvast samenvallen met zijn werk. Dat hij zijn afgod beschuldigt van zijn falen.

In het gesprek met Marja Pruis had Heijne geopperd dat Sam misschien “open” architectuur wilde maken, in afwijking van zijn leermeester, om zijn “autisme” te doorbreken.

Grunberg lijkt zijn personages serieus te nemen, althans op sommige momenten. “Identiteit”, “houvast” en “afgod” vind ik nogal grote woorden voor de platte Sam. “Afvalprobleem” past meer bij het horizontaal karakter van de wereld waarin hij zich beweegt. Het lijkt me getuigen van passend respect voor zijn creatie wanneer Grunberg afziet van algemene woorden en zich beperkt tot details:

‘Toen jij Irak had overleefd, dacht ik, weg met die snor.’ Nooit had hij haar op het snorretje durven aanspreken, nooit was zij er zelf over begonnen maar toen zij het woord ‘snor’ in de mond nam, zo hard, zo meedogenloos, schrok hij. Was het een snor geweest en geen snorretje?” (p.96).

2. Hoge cultuur

Elko Born
Vindt jij dat kennis van Kafka vereist is om als lezer De man zonder ziekte volledig te ‘begrijpen’?

Arnon Grunberg
Nee, absoluut niet.

Bas Heijne
Maar Kafka is bepaald aanwezig in De man zonder ziekte, niet?

Arnon Grunberg
Ja, hij is enigszins aanwezig. Maar kennis van Kafka is geen voorwaarde om De man zonder ziekte te kunnen begrijpen of lezen.

Gerard de Jong
Is de titel meer enkel een knipoog naar Robert Musil, of speelt Musil op de achtergrond een grotere rol?

Arnon Grunberg
Als dat zo is, dan onbewust. Een vriend dacht dat Sam de man zonder eigenschappen in extreme vorm was.

Rudi Broeils
Hebt u werk van Canetti in uw reiskoffer?

Arnon Grunberg
Nee. Hoezo? Ik heb zijn graf ooit bezocht.

Rudi Broeils
Steeg, deur of muur interpreteren. Poortloze Poort? Kent u de klassieke Zen Koan-verzameling Mumokan? “De grote Weg heeft geen poort…”

Arnon Grunberg
Nee. Nu wel. Ik ken wel een verhaal van Kafka (en Coetzee) over een man (respectievelijk vrouw) die door een poort wil.

Sarah van Vliet
Voelt u zich (bijvoorbeeld qua stijl en thematiek) verwant met schrijver Houellebecq?

Arnon Grunberg
Enigszins. Niet alle obsessies van Houellebecq zijn de mijne. En Houellebecq is sentimenteel, sentimenteler dan ik ben.

Sarah van Vliet
Mee eens, Houellebecq is sentimenteel. Beoogt u bij lezer ontroering zonder sentimentaliteit? Of is bedoelde lezerservaring voornamelijk cerebraal?

Arnon Grunberg
Opzichtige sentimentaliteit staat ontroering vaak in de weg. Niemand wordt graag opzichtig gemanipuleerd.

De vraag van Van Vliet stellen is hem beantwoorden. Kennelijk kijkt Van Vliet niet verbaasd op als Grunberg bevestigt: ik ben uit op een voornamelijk cerebrale leeservaring.

Murat Isik
Waar plaats je Coetzee en Marquez in literaire rangorde? En hoe lang heb je gewerkt aan de eerste (ruwe) versie van De man zonder ziekte?

Arnon Grunberg
Coetzee is mijn Fehmer. Voor Fehmer zie De man zonder ziekte. Dus eerst Coetzee.

3. Overige vragen (selectie)

Adriaan Birnie
In hoeverre is Sam een evenbeeld van u of de hedendaagse man, met andere woorden: wordt met Sam iets over onszelf, onze cultuur verteld? Of is Sam meer een tijdloze, op zichzelf staande hoofdpersoon?

Arnon Grunberg
Als het goed is vertelt een romanschrijver iets over de lezer en dus over zijn/haar cultuur. Sam is geen uitzondering.

Ik vind vooral interessant hoe de vraag van Birnie – die ik heb geredigeerd uit twee tweets – terugslaat. Kennelijk is het Birnie niet vanzelf duidelijk dat Sam iets zegt over ‘ons’, in onze huidige culturele situatie. Ook hij zou Grunberg op diens woord geloven als die zou antwoorden dat het hem met Sam om het neerzetten van een ‘tijdloze’ (=’cultuurloze’) en ‘op zichzelf staande’ (=met niets en niemand banden hebbende, context- en wederom cultuurloze?) held ging.

Ingrid Goossens
Heb je mensen gesproken die gemarteld zijn? En heb je dit verwerkt in De man zonder ziekte?

Arnon Grunberg
Nee, niet gesproken. Je kunt af en toe iets aan je verbeelding over laten.

Ingrid Goossens
Begrijpelijk, maar lijkt me lastig in te beelden. Vooral ook hoe vrienden zoals die van Nina daarop reageren.

Arnon Grunberg
Daar ben je schrijver voor. Ik beeld me in dat ik me vrijwel alles kan voorstellen. Vrijwel.

Ingrid Goossens
Vrijwel. Wat zou je je niet voor kunnen stellen (en dus ook niet over schrijven)?

Arnon Grunberg
Daarop geef ik liever geen antwoord.

Marije Ravelli
Waarom minder grapjes in dit boek (of lag het aan mijn humeur?)

Arnon Grunberg
Ik ben geen cabaretier. In Onze Oom zaten ook weinig ‘grapjes.’ Ik vond de medewerkster van de ambassade zeer grappig.

Grunberg doet zichzelf tekort, de grap is onderdeel van zijn esthetica, metafysica… absurdisme heeft de grap nu eenmaal aan zich hangen. Een voorbeeld: beveiliger Hassan heeft het niet zo op atheïsten, die vragen er door hun gedrag ook om vermoord te worden. Grunberg laat Sam vervolgens, in het kader van zijn onderzoek naar de houdbaarheid van een politiek neutrale opstelling door architecten, zijn katholicisme oppimpen. Na Sams leugen neemt de verteller het over: “Maar de waarheid is dat hij net zo veel aan God twijfelt als aan het internet hier” (p.54)! Sam heeft in zijn Iraakse safe house geen aansluiting!

Carin Francken
Schrijf nu ook eens iets wat opbouwt. Lijkt mij echt geweldig.

Arnon Grunberg
Al mijn boeken bouwen op. Creatieve destructie = opbouw.

“Ik moet deze wereld vernietigen om plaats te maken voor een betere. Ik ben romantisch, niet cynisch, geen nihilist maar moralist, gevoelig als stromend lava en dan weer zacht als een kippenvel”.

Wat me opvalt maar niet verbaast, is het ontbreken van vragen over Aida. Mijns inziens is de ambivalentie van gezinsbanden onverbonden neventhema in De man zonder ziekte. Wat het nu precies van doen heeft met Sams val…het is een motief te meer (als hij dan uit liefde voor zijn zus spion zou zijn en zo bijverdiende om de behandeling van zijn zus in de Verenigde Staten mogelijk te maken).

Ook ik stelde Grunberg enkele vragen:

‘Uw kunst wil bijten’ verwijst naar het al aangehaalde: “Vooral zijn moeder geloofde in de kunst. Waar eens God zat, zat nu de kunst; een God zonder tanden vermoedde Sam, maar wel met een liefdevolle glimlach. Kunst bijt niet” (p.19).

Zijn verteller gespiegeld in de twitteraar, belandt Grunberg in de positie van zijn lezers.

One thought on “Arnon Grunberg – De man zonder ziekte

  1. Pingback: Recensie: Arnon Grunberg - De man zonder ziekte | Ranking the Books

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s