Grunberg de onwaarachtige

Bijlage bij mijn Twitlit-bijdrage aan de discussie over De man zonder ziekte. Die tekst raad ik u aan eerst te lezen.

Mijn bezwaren tegen de roman samengevat:

1. Grunberg haalt zijn gelijk via personages. Kunstgrepen geven een standpunt – hoe mensen in elkaar steken, wat we vermogen – de schijn van aannemelijkheid. Gedachtenuitwisseling ontbreekt, zowel tussen personages als – via hen of over hun rug – tussen hun schepper en andersdenkenden in zijn wereld.

Grunberg bekritiseert personages door een afstandelijk verteller op vooringenomen wijze hun innerlijk leven te laten navertellen. Personages zijn dood als een pier, de verteller prominent aanwezig maar anoniem, uitgezonderd zijn twee, drie eigenschappen.

2.  Metafysische aannames van Grunberg tekenen en beperken de roman. Het gezin is een gevangenis die de leden misvormt, mensen zijn inauthentiek, de mensheid rot, het leven een hardhandige grap.

‘Nietszeggende herhalingen’ bewijzen uit het absurde dat er niets meer over een onderwerp te zeggen of denken valt dan wat Grunberg laat herhalen, of dat mensen niet kunnen nadenken en, als een naald bij een kapotte plaat, in dezelfde groef blijven steken, of dat belangrijker dingen aan de orde zijn dan waarheid en onwaarheid enz.

3.  De roman is intern inconsistent: een alwetende verteller bericht over personages gespeend van (zelf)kennis; vage dieptepsychologie, die berust op de aanname van het bestaan van zinvol toepasbare mensenkennis, wordt verbonden met het absurdisme van willekeurige (‘onredelijke’) machtsuitoefening en verplicht dolen en liefdeloosheid.

4.   De zwakte van Grunbergs stijl wordt duidelijk wanneer bezien alsof voorbeeld van de free indirect style. Het ontbreekt aan taal van het personage; taal van de wereld is selectief aanwezig en dient de preoccupaties van Grunberg. Overheersend is een auteurstaal, soms neigend naar jargon (‘identiteit’, ‘transactie’), welke het onderscheid tussen personage en verteller uitwist. (zie hiervoor de appendix)

Slotsom:
Mij treft Grunberg als bullshitter, rederijker, iemand die zichzelf niet in het vlees snijdt via zijn personages, niets op het spel zet.

Grunberg, politiek en cynisme

De jonge Grunberg beziet algemene woorden met wantrouwen (De troost van de slapstick, p.35), de oudere minder. Zo komen in de roman voorbij: liefde, identiteit, transactie, neutraal, adequaat. Maar ook de jonge Grunberg biedt hier al materiaal, met zijn notie van ‘economie’, warrig onderdeel van een slapstickmetafysica opgebouwd rond een al even dubbelzinnig en algemeen woord, ‘geluk’:

De vraag is dus: moet je het geluk slaan (..)? Misschien moet je (..) onder een boom langs de kant van de weg op het geluk gaan zitten wachten. Of dit helpt weet ik niet. Zeker is dat deze opvatting desastreus is voor welke vorm van economie dan ook. Economie laat zich in vier woorden samenvatten: geluk is te koop” (id, p.13).

Anders dan hij zojuist stelt, verwijst Grunberg met ‘economie’ naar het gegeven van schaarste. Zoals hij opmerkt (id, p.15), worden de meeste personages van Charlie Chaplin, met Buster Keaton schutspatroon van Grunbergs absurdisme, voortgedreven door tekort aan geld (en liefde).

Net zo willekeurig zijn soms de opinies van personages in De man zonder ziekte. Ze vloeien niet op een begrijpelijke wijze voort uit de situatie of hun voorgeschiedenis.

Nu wil Grunberg zulk soort navoelbare personages niet schrijven. Hij past ervoor met zijn romans humanisten een hangplek te bieden, ontzegt ze behaaglijke identificatie met personages via een gedeelde ‘menselijkheid’, samen tobbend met het leven, jawel, maar met integere inborst en soms een moment van inzicht, zoals ook Grunberg ze heeft (“Misschien is het toch een geruststellend idee dat iemand naar ons luistert, al is het een varken”, Kamermeisjes en soldaten, p.66).

Behalve dat hij behoorlijk vaak sentimenteel doet over zijn haken naar geluk, slaat Grunberg ook soms door in grimmigheid. Zo eist hij in een lezing dat we erkennen dat literatuur schadelijk kan zijn, de jeugd kan bederven, ons kan verleiden een afgod te dienen. Wie dit niet erkent, ziet literatuur volgens Grunberg:

als iets wondermoois, als een potje vitaminetabletten, een openbare voorstelling om je aan te vergapen, als het goede, maar dan ingenaaid en bij de betere boekhandel verkrijgbaar” (Het verraad van de tekst, p.32).

Laten we die verwachting van literatuur naar Heijne de “kitsch van een rooskleurig humanisme” noemen. Biedt Grunberg in zijn roman een alternatief?

Nee, en dat lijkt ook vreemde eis aan een roman, net zo vreemd als willen verbieden van romans die als vitaminepil willen werken. In het Twitlit-interview zegt Grunberg: “Al mijn boeken bouwen op. Creatieve destructie = opbouw”. Een opvatting waar men warm noch koud van wordt, overbekend als hij is, evenals de variant waarin hij onmacht van de auteur verbloemt.

Hieronder vier fragmenten met politieke lading uit de De man zonder ziekte, met mijn duiding.

Voorbeeld 1 is Sams visie op de toekomst van Irak, gegeven op verzoek van beoogd opdrachtgever Mahmoud en half bedoeld om deze voor zich te winnen (zo ensceneert Grunberg het):

Daarom schetste hij de toekomst van Irak met behulp van de gemeenplaatsen die hij tijdens zijn studie had gehoord en die nauwelijks te onderscheiden waren van zijn eigen opvattingen. Gemeenschapszin en verantwoordelijkheid, tolerantie en een goed functionerende rechtsstaat, veiligheid en vrede. Een paar keer liet Sam de woorden ‘civil society’ vallen. Vervolgens luisterde hij weer met compassie en interesse naar wat Hamid Shakir Mahmoud te zeggen had. (p.23)

“Gemeenplaatsen nauwelijks te onderscheiden van zijn eigen opvattingen” – dat is Grunberg ten voeten uit. Wanhoop maar ook medeplichtigheid, door de idee van een alternatief te bespotten en actief tegen te gaan. Zoals ook “compassie” en “met interesse luisteren” niet zonder spot in zijn roman kunnen verschijnen.

Het retorische trucje met “nauwelijks” paste ook de jonge Grunberg al toe, toen met “bijna”. Verliefdheid bleek afleiding van de verschrikkelijke waarheid welke u zich misschien nog herinnert (lees anders dit). In het licht van die waarheid verscheen de objectieve waarde van liefdespartners als verwaarloosbaar:

“Wij worden (..) verliefd omdat we vurig verlangen naar verdringing. Omdat we gek zouden worden als er geen mogelijkheden waren onszelf af te leiden. De jacht is alles, de buit is niets, of bijna niets” (De troost van de slapstick, p.20).

Tweede voorbeeld. Direct na zijn salestalk tegen Mahmoud heeft Sam een epifanie, een bekeringservaring. Aanleiding is Mahmouds reactie: “Je moet nooit de gemeenschap vergeten waar je hebt leren lopen, Sam. Ik ga eindelijk iets teruggeven”. Sam wordt fysiek geraakt:

Het was een onschuldige opmerking geweest, een detail, maar het voelde alsof Sam een draai om zijn oren had gekregen. De afwezigheid van ziekte in zijn leven was geen zegen, maar een verborgen gebrek. Hij had altijd genomen, zonder ooit iets terug te geven. Hij besloot een architect te worden die gaf, een genereuze architect. (p.23)

Merkwaardig genoeg neemt Bas Heijne dit in zijn Twitlit-interview allemaal volstrekt serieus. Ik zie hier vooral een uitleggerig verteller, die een eerder door hem bij Sam ingelegde ‘identiteit’ van ‘zonder ziekte’ zijn ontmantelt en dit als groot nieuws brengt.

Eerste uitwerking van Sams nieuwe genereuze architectuur is een betoog over het afvalprobleem in gebouwen, gebracht met een ‘nietszeggende herhaling’:

Fehmer heeft te weinig beseft dat het grote probleem het afval is dat de mens overal achterlaat. Daar moet je als architect rekening mee houden, hier is de mens en daar is zijn afval, je kunt die twee niet van elkaar scheiden. Wie voor mensen bouwt, moet altijd ook voor het menselijk afval bouwen. (..) Generositeit impliceert vrijheid. De toiletten zijn duurzaam, de menselijke mest zal worden gebruikt om energie mee op te wekken. (p.35)

Commentaar: (1) doordat de personages niet nadenken, slaat de omslagervaring dood. Aha-erlebnisse passen niet bij deze roman zonder innerlijkheid. Inzichten zijn het terrein van de verteller, die echter alles al weet; (2) het type banaliteit dat de verteller Sam in de mond legt – het lijkt meer een schampere parafrase dan Sams feitelijke betoog, alsof de verteller zegt: ‘Dat intellectuele gelul van Sam komt hierop neer’ – heeft mijns inziens ook een ‘politiek-filosofische’ betekenis: er is in de wereld weinig opbouwende waarheid te vinden. De wereld is een plek die niet te verbeteren valt.

Derde voorbeeld. Nina en de moeder van Sam brengen hem een bezoek in de gevangenis in Dubai, vlak voor het einde. Na het bezoek keren ze terug naar Zwitserland:

‘Ik kan thuis meer voor je doen,’ zegt ze. Ik heb contact met Amnesty. We gaan een demonstratie voor je organiseren. Amnesty gaat zich voor je inzetten.’

‘Dat is fijn om te horen,’ zegt Sam. (p.201)

Enerzijds bespot Grunberg hier mijns inziens het (soms) persoonsgerichte activisme van Amnesty International, dat karikaturaal wordt weergegeven – de organisatie laat sommige mensen, net zoals u en ik, zonder actie doodgaan en stelt prioriteiten in persoonsgerichte acties, waarbij ongetwijfeld weleens verkeerde afwegingen zullen worden gemaakt. Onderliggende, confronterender vraag in het voorbeeld lijkt me: vindt de verteller/lezer Sams leven wel de moeite van het redden, van een intensieve Amnesty-campagne, waard? Anderzijds klinkt in de passage een zekere wanhoop door.

Laatste voorbeeld: een ondervrager, uit op Sams bekentenis spion te zijn, weidt uit over mensenrechten, zoals men in de opera de handeling onderbreekt voor een aria. Sam hoort het aan, naakt op de vloer, heel erg allemaal:

‘‘Schoonheid?’ zegt de man [Sam heeft zojuist gezegd dat hij geen spion is maar het gebruiksgemak en de schoonheid dient, als architect] en hij kijkt weer om zich heen alsof schoonheid op deze plek te vinden zou zijn.

’Eerst komt veiligheid. Zonder veiligheid geen schoonheid. Mensenrechten, persoonlijk ben ik erg voor mensenrechten. Ze moeten verspreid worden. De inktvlekstrategie. Overal elke dag een beetje meer mensenrechten. Ik wil me daarvoor inzetten en ik zet me daarvoor in. Stap voor stap, beetje bij beetje. Maar veiligheid moet eerst, eerst moeten de onruststokers worden bestreden, en weet je waarom? (..)

Omdat veiligheid het eerste en belangrijkste mensenrecht is. De burger heeft recht op werk, de burger heeft recht op een huis, op vrijheid. Allemaal mooi, maar het werkelijk fundamentele recht is het recht op vrijheid. Wat is vrijheid zonder veiligheid?’ (p.85, later in het verhaal borduurt Sam dan weer voort op ‘veiligheid’, zoals de oplettende lezer de huidige passage al gekoppeld heeft aan ‘geen ethiek zonder esthetiek’ dertig pagina’s eerder).

Ook deze speech komt weinig levensecht over en lijkt eerder parafrase. En ook hier weer een ‘nietszeggende herhaling’ die vooral stijlkenmerk van de auteur, niet het personage is – dus onbeholpen. Ook qua ‘gelul’ is de passage vergelijkbaar met de afvalspeech van Sam.

Zoals Sam de architect soms aan Bouvard en Pécuchet doet denken (zie hier), roepen de vertellerparafrases Harry Frankfurts bullshitten op. Niet het personage is ongeïnteresseerd in waarheid en onwaarheid maar de verteller. En die is een creatie van Grunberg.

Hoe deze voorbeelden te duiden? In zijn essay Moeten wij van elkaar houden? keert Bas Heijne zich tegen het bezweringsachtig inzetten van de ‘rechtsstaat’ tegen populisten en tegen het loos schermen met verlichtingswaarden. Op zijn gunstigst geïnterpreteerd doet Grunberg zijn uiterste best, via voorbeelden als de bovenstaande, het innemen van gemakzuchtig humanistische posities fatsoenshalve onmogelijk te maken.

“Als we het van de hypocriete elementen kunnen ontdoen, is het humanisme een goed project om geloofwaardig te verkopen” meent Grunberg, precies zoals Heijne in Moeten wij van elkaar houden het humanisme wil redden van de humanitaristische Michael Jackson-variant.

Bas Heijne: “Wanneer ik aan het humanisme van na de oorlog denk, zie ik beelden uit een oude
videoclip van Michael Jackson voor me: mensen van alle kleuren en rassen geven elkaar een hand
en vormen zo een jubelende kring rond de hele wereld”
(Moeten wij van elkaar houden?, p.128).

Grunberg is de minder overtuigende. In De man zonder ziekte en De troost van de slapstick preekt hij op een vervelende manier een evangelie van ‘het is allemaal maar niets, echt waar’. Je kunt geen naïviteit veinzen als je als schrijver vermeldt dat het proeven van urine je personage aan een afspraak met de mondhygiëniste herinnert – en dat een van de weinige gedachten van hem is die je vermeldt. Dan wil je lollig zijn of iets beduiden.

Wat, ik weet het niet, maar onmiskenbaar wil Grunberg dat afzeikerige sfeertje. Details spreken bij hem geforceerd.

Filosoof Joep Dohmen oordeelt Grunberg in 2008 een laffe cynicus die de media uitbaat met een zelfgenoegzaam estheticisme (Het leven als kunstwerk, p.162). De man zonder ziekte lijkt mij eerder ethisch dan esthetisch gedreven – maar dan de ethiek van een gelijkhebberig auteur die zijn geliefkoosde positie geen moment op het spel zet. Dat levert de door Dohmen genoemde combinatie op van telkens willen ontmaskeren, zichzelf wel serieus nemen en terugvallen op de drogreden dat ‘de menselijke conditie’ tot fatalisme nopen zou.

De halfhartigheid waarmee Grunberg idealen aanvalt en de moedwil/wellust – hoewel hij daarvoor blind lijkt te zijn – waarmee hij iedere menselijke ambivalentie (‘grijs’) naar zwart ombuigt maken zijn opstelling tot kitsch van de wanhoop.

2 thoughts on “Grunberg de onwaarachtige

  1. Met deze analyse ben ik het grotendeels oneens. Het is inderdaad een beperkt, gitzwart en kil boek, maar ook pretentieloos. Het stemt ongemakkelijk. Het toont de contingentie aan van alles. Zuinig taalgebruik bemoeilijkt de lezer om grip te krijgen op de gebeurtenissen en vooral, hoe de hoofdpersoon deze interpreteert en hierop anticipeert. De hoofdpersoon lijkt een marionet. Inderdaad is dit geen opbouwende roman, maar wat zou het? Kennelijk moeilijk te verteren. Zelf vond ik het boek en de vervreemding die het uitstraalt herkenbaar.

    • Dag David, Het is inmiddels een tijdje terug dus om preciezer te reageren, zou ik de roman weer ter hand moeten nemen. Maar ik zie bij jou in elk geval één Grunbergiaans gelijkhebberige/dogmatische stellingname: “Het toont de contingentie aan van alles”.

      Het is een opmerking vergelijkbaar met Grunberg die met “sprekende details” academici meent te verslaan op hun terrein (Flaubert over de ‘essayist’: “Altijd afgeven op de vakidioot en systematici”). Dat Grunberg zelf zich af en toe verlaat op de hypercerebrale/mystagoge, niet in ‘werkelijkheid’/details* geïnteresseerde Franse psychoanalyticus Lacan, verrast mij dan weer niet. Als hij maar in oppositie kan verkeren.

      *: Psycholoog Billig acht Lacan’s claim dat Freud de eerste zeven sessies van zijn behandeling van de ‘Rattenman’ volledig rapporteert “symptomatic of his approach which promises to accord centrality to language but which consistently avoids analysing the details of speech” (Freudian Repression, 1999, p.58).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s