Grunberg en de free indirect style

Argumenten bij een conclusie van mijn Twitlit-bijdrage aan de discussie over De man zonder ziekte. Die tekst raad ik u aan eerst te lezen.

Bewering

De zwakte van Grunbergs stijl wordt duidelijk wanneer we hem bezien alsof beoogd free indirect style. Dan valt op:

  1. Het ontbreekt aan taal van het personage
  2. Taal van de wereld is selectief aanwezig en dient de preoccupaties van Grunberg.
  3. Overheersen doet auteurstaal, soms neigend naar jargon (‘identiteit’, ‘transactie’). Deze auteurstaal neigt het onderscheid uit te wissen tussen personage en verteller. Anders gezegd: de roman vervalt tot een betoog van Grunberg.

Toelichting

“Wat hij [Sam] verder ook is en nog zal worden, hij is vooral gezond, geestelijk en lichamelijk”, beweert de verteller op p.8. Later volgt een variant waarin Sam woorden in de mond worden gelegd die alleen de meest onnozelen niet herkennen als mening van de verteller: “Zouden ze het woord ‘neutraal’ eigenlijk kennen? Het is cruciaal. Wat hij is, wie hij wil zijn, wat hij altijd is geweest: neutraal vat het samen. Neutraal en adequaat, twee woorden die aan de kern van zijn existentie raken” (p.78).

Een aansprekend gebruik van de free indirect style doet de lezer voor zijn gevoel het bewustzijn van het personage binnengaan.

Het is het verschil tussen “Ted bekeek het orkest door stomme tranen” en “Ted bekeek het orkest door zijn tranen heen, gegeneerd maar niet in staat het huilen te stoppen”.

In de eerste zin staat de lezer dichter bij het personage dan in de tweede, is ook meer ‘in’ de situatie . In de tweede zin bemiddelt een tweede instantie nadrukkelijker tussen lezer en personage: de verteller.

“Stomme” is, volgens literatuurcriticus James Wood, in de aangehaalde zin zowel taal van het personage als van de auteur.

Een interessant gebruik van de free indirect style brengt het personage niet alleen optisch dichterbij. Ook gaat de auteur in gesprek met het personage:

Tussen de auteur en zijn personage bestaat een voortdurende spanning; wanneer is de een aan het woord, wanneer de ander? (..) De moderne schrijver [moet], zeker als hij een begaafd stilist is, in zijn romans drie elementen met elkaar zien te verenigen: de taal en waarnemingen van de auteur, de taal en waarnemingen van zijn personage, en tenslotte de overheersende taal van zijn omgeving (Bas Heijne, Echt Zien, p.81, in zijn parafrase van James Wood)

Een tweede voorbeeld. In What Maisie Knew van Henry James herinnert hoofdpersoon Maisie zich hoe ze als klein meisje met haar gouvernante, mevrouw Wix, het graf van het dochtertje van de laatste bezocht:

Mrs. Wix was as safe as Clara Matilda, who was in heaven and yet, embarrassingly, also in Kensal Green, where they had been together to see her little huddled grave.

“Embarrassingly” is taal van Maisie, “huddled” taal van de auteur. Samen brengen ze het ongemak over van Maisie, in een rijk milieu geboren, bij de aanblik van het magere grafje van het meisje, en haar verdriet (“huddled”) om de dood van een zo jong iemand. Maisie is te jong om beide volledig te kunnen doorgronden. Gebruik van alleen het leeftijdsconforme “embarrassingly” zou een te beperkte indruk geven van wat in Maisie omging, ook al kon ze het op die leeftijd nog niet uitdrukken.

Ideally, the tension between these styles (the author’s and the character’s) is invisible to the reader but yields the result of a way in to a character, one less direct yet more revealing than hearing his or her first-person account, or an author-narrator’s neatly formulated analysis.

aldus Stameshkin, die ik hierboven al parafraseer.

Analyseren we de taal van Grunberg in De man zonder ziekte langs deze lijnen, dan geldt mijns inziens:

  • ‘Taal van de omgeving’ is er nauwelijks. Twee smaken overheersen: personages die praten in een professionaltaaltje (verborgen mededeling: ze maken geen contact) en personages die dat doen in de taal van het ‘men’, banale zinnen uitend in de directe rede, zoals “Iets warms vindt iedereen altijd fijn” (p.95) of “Kun jij er al over praten? Dat is belangrijk, je moet erover kunnen praten” (p.102), de laatste zin voorbeeld van wat R.D. Rosen lang geleden “psychoblabla” muntte (hint: mensen maken geen contact).

         Nu weet u hoe Grunberg aan zijn op de menselijke afweer gewonnen inzichten komt: selectief
         winkelen. Aan Gerrit Komrij dank ik het maxime van de schrijver Schmitz: “Er is veel rampspoed
         in de wereld maar je moet er oog voor hebben”. Meer nog brengt Grunberg een ander door Komrij
         onsterfelijk geworden personage in gedachten: “Sinds Emmy van Overeem haar bril op haar 
         voorhoofd draagt ziet ze de wereld niet zo goed meer“.

        Ook Grunberg heeft veel gestudeerd. Waag je het nu met hem oneens te zijn, weet hij waaraan
        het ligt:
        “Waar de tekst botst op de zelfcensuur van de lezer, waar hij botst op het zelfbeeld van de
        lezer, krijgt de tekst zijn betekenis (..). Het is uiteraard ook mogelijk dat de lezer (..) het boek
        geërgerd in een hoek gooit (..). Zo’n lezer hoeft zichzelf niet te verraden, misschien wel
        omdat hij het gevoel heeft dat hij niets te verraden heeft (..)” (Het verraad van de tekst, p.35).

        U kent deze reactie van orthodoxe psychoanalytici, die iedere ontkenning als een bevestiging
        opvatten. Zo gelijkhebberig en belerend is Grunberg niet, hij wil vooral genieten: “Ik heb het hier
        niet over schaamte omdat ik zou willen beleren. Ik heb het over schaamte omdat ik wil genieten”
        (idem, p.33).

        Emmy van Overeem:
        “Ik zou het vervelend vinden als mensen die de moed hebben over intieme zaken te schrijven in
        de krant, dat voortaan zouden nalaten omdat ze bang zijn Komrij over zich heen te krijgen. Niet
        iedereen kan daar tegen” (Gerrit Komrij, Averechts, p.47).

        Net zo vecht Grunberg voor zijn onsentimentele denkbeelden over het menselijk genieten en
        andere capita selecta, kwetsbaar voor het verwijt van cynisme. Professor Goudsblom leerde hem
        dat hij hierin onmogelijk inauthentiek zou kunnen opereren (idem, p.47).

  • Taal van het personage ontbreekt. Sam die zich afvraagt of zus Aida een “constructie [is] die niet ten einde gebouwd is”, “het vermoeden van een mens, een bouwput”… ik denk niet dat enige lezer dit serieus neemt als taal van Sam. Dit is de verteller die beleving parafraseert, Sam geen existentie gunt maar een eigen plan trekt. Wie diepzinnig wil, proeft een schuldig bewustzijn. De verteller neemt de schutkleur van een architect aan, uit schaamte voor zijn bemoeizuchtige aanwezigheid.
  • Eigen waarnemingen van het personage: Sam lijkt origineel te denken over ongewone gebruiksmanieren en ‘lezingen’ van de bebouwde omgeving. Blijkens een voetnoot heeft Grunberg de Sam toegeschreven opinie overgenomen van een een Israëlische generaal. Ik probeer me zelfs niet voor te stellen hoe de arme Sam, dienaar van het gebruiksgemak, in deze geestelijke contreien verzeild is geraakt. Veel gemakkelijker en begrijpelijker is de conclusie dat de mening niets met Sam te maken heeft. Grunberg kan geen essay over het onderwerp van zijn interesse aan.
  • Taal van de auteur: de verteller is anoniem. Grunberg doet alsof hij er niet is, geeft hem geen karaktertrekken. Maar hoe nondescript ook, de verteller staat steeds voor de personages, met termen als ‘adequaat’, ‘neutraal’, ‘existentie’, ‘bouwput’, ‘transactie’.

Sam die zich afvraagt of de betekenis van het woord ‘neutraal’ (of zelfs het woord) in Irak bekend is en die over zichzelf nadenkt in termen van bijvoeglijke naamwoorden die hem helemaal ‘samenvatten’, die de ‘kern van zijn existentie’ raken, is me een rare.

Een schrijver die een van de thema’s van zijn roman, onderzoek van de houdbaarheid van een neutrale opstelling door architecten, vormgeeft door een personage mogelijke conclusies van zo’n onderzoek als gedachte in te geven – waarbij het oordeelskarakter impliciet blijft, bestaat uit neutrale adjectieven (‘neutraal’, ‘adequaat’) die via de context een negatieve lading krijgen, ook wel ‘suggestief taalgebruik’ genoemd – kan een zekere creativiteit niet worden ontzegd.

Je moet er maar op komen: het personage denkt de neutrale/positieve betekenis van het adjectief, de verteller denkt er de negatieve van. Nadeel is dat hij met insinuaties zijn punt niet maakt. Ook is de techniek minder verfijnd, maar dat is een smaakkwestie, en, maar hier toon ik mij bevooroordeeld, belandt de roman in de sfeer van stichtelijke lectuur.

Grunberg past deze kunstgreep geregeld toe. Het stelt hem in staat voorbij te gaan aan het innerlijk leven van personages. De techniek suggereert in enkele romanzinnen de ‘kern’ van de gedachtegang van het personage weer te geven. Impliciet is de boodschap dat het innerlijk leven van personages niet boeiend genoeg is om uitvoerig bij stil te staan.

Die opvatting sluit aan op de misprijzende woorden van de jonge Grunberg over de vermeende complexiteit van de werkelijkheid: “Verhalen zijn er altijd geweest, zelfs toen het ‘conventionele verhaal’ verketterd werd omdat de werkelijkheid te complex zou zijn voor een dergelijk verhaal. Ach, die verrukkelijke complexiteit van de werkelijkheid. Ze kan dienen als excuus voor bijna alles“ (De troost van de slapstick, p.129).

Het procedé is zeker economisch: de lezer krijgt het negatieve oordeel van de verteller bij de samengevatte innerlijkheid van het personage cadeau.

Het verraad van de tekst
Ter ere van zijn terugkeer uit Irak wordt voor Sam een feestje georganiseerd. Sam schaamt zich:

Smadelijk, een ander woord kon hij er niet voor bedenken. (p.95)

Analyse van deze zin anders dan als een parafrase van innerlijkheid:

  1. ‘Denken’ wordt voorgesteld alsof bewust voltrokken, verstandelijk proces (“bedenken”). Alsof Sam een reeks alternatieven heeft doorgenomen en concludeert: ‘smadelijk’ past uiteindelijk het best op hoe ik me voel.
  2. Impliciet wordt stelling genomen tegen de traditie waarin gedachten en beelden komen omdat zij willen, niet omdat ik wil.
  3. Mogelijk reageert Grunberg op de romantische overwaardering van de verbeeldingskracht. Sams verbeelding komt op een doorsneewoord.

Literaire kunstgrepen zijn niet neutraal.

Tweede voorbeeld. Een dame van de regionale televisie deelt Sam off the record en uiterst dienstbaar mee wat er eigenlijk in de psyche van het tv-kijkend publiek omgaat. Onder andere ziet Sam er te Aziatisch uit om een lang interview te kunnen krijgen. Hoewel het woord “vriendelijk” aan haar personage wordt geplakt, is de televisievrouw nu ook weer niet zo aardig. Ze is meer bezig met het haar door de neus geboorde lange interview en lijkt Sam zelfs kwalijk te nemen er Aziatisch uit te zien, lezen we. Sam over zijn Aziatisch voorkomen:

Sam antwoordde dat hij dat begreep, hoewel hij zich eigenlijk al die jaren als het prototype Zwitser had beschouwd. Hygiënisch, betrouwbaar, neutraal, gedisciplineerd en ook gewillig. Volgens zijn vader waren de Zwitsers afstandelijk maar in feite zeer gewillig. Sam vond gewilligheid op een eigenaardige manier ook typisch Zwitsers (..) (p.96)

Ook hier gebeurt meer dan met adjectieven strooien door een prototypisch auteur:

  1. Een reeks adjectieven met mogelijk positieve betekenis wordt gebracht op een wijze die hun keerzijde benadrukt.
  2. De herinnering aan wat vader ooit zei is een minimale vorm van nadenken. De ene gedachte in Sam leidt tot de tweede van in totaal drie in dezelfde lijn – de derde: beschaving is gewilligheid. Tot reflectie – ‘Is dit eigenlijk wel zo?’ – komt het niet.
  3. Het woord ‘eigenaardig’ suggereert hoogwaardiger denkprocessen in Sam. Hij denkt er iets bij, er zit iets eigenaardigs aan de kwestie. Meer dan een suggestie wordt het niet. Op vergelijkbare wijze zet Grunberg ‘misschien’ in, bijvoorbeeld bij een reflectie over de geur van urine. Een conclusie van de verteller krijgt zo het aanschijn van een overweging van het personage, net zoals sommige magazines hun cover vullen (“Heeft Ruud Gullit een nieuwe vriendin?”).
  4. De opsomming en herhaling zorgt ervoor dat vooral de bedenkelijkheid van de reeks adjectieven blijft hangen. Die bedenkelijkheid is het oordeel van de verteller. Wat Sam ervan vindt…
  5. Ja, stelt u zich Sam nog even voor: “Eigenlijk ben ik wel een mak schaap, maar anderzijds, is dat niet typisch Zwitsers?”. Dan stopt zijn denken volgens zijn schepper. Hij zou er ook maar schapenziekte van krijgen.

In plaats van een interessante spanning tussen auteur en personage treffen we een alwetende verteller die personages-als-lege-hulzen veroordeelt met een psychologiserende kritiek.

                                                               Grunbergs anonieme, ongenaakbare verteller

Grunberg ‘heerst’ als solipsist in zijn schepping. Prozaïscher bezien leunt zijn alwetende verteller op ‘conventionele’ kennis van de twintigste eeuw. Uniek is zijn verschijningsvorm als aanzet van een cartoonkarakter. Qua afzeiken doet hij denken aan een bekend model buikspreekpop.

                                                              De verteller als afzeiker (goedmoedige versie)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s