God zegene de greep of de geneugten van de keukentafel.
“De identificatie met drama à la Metro-Goldwyn-Mayer was compleet. Ik voelde ontzag en geluk. Wat houd ik van haar onkritische hart, en hoe hard heb ik het nodig. (..) M. vond het poesje lief en wilde dat ik het ook lief vond. (..) Later, toen we op het station nog wat dronken, vroeg ze of ik dat poesje niet ‘heel leuk’ vond. Ze gebruikt het woord ‘schattig’ niet meer. Wanneer heb ik haar te bang gemaakt om haar eigen woorden te gebruiken? (..) Ik zei (prekerig?) dat God ongetwijfeld wel van poesjes houdt, maar hoogstwaarschijnlijk niet met laarsjes in Technicolor aan hun pootjes. Dat vleugje creativiteit laat hij over aan de tekstschrijvers” – J.D. Salinger, Heft hoog de nokbalk, timmerlieden, p.66
“De dag na Kerstmis ging mijn moeder met me naar de bibliotheek. Naast het gebouw was een veldje waar kerstbomen werden verkocht. Ik ging er stiekem heen en sprak de verkoper aan. (..) De boom helde naar één kant over. (..) Het was een onooglijk, schriel ding, een boompje dat niemand wilde hebben. Maar het was mijn boom, mijn Charlie Brown-boom. Ik was er dolgelukkig mee, ik gaf hem water en versierde hem met kartonnen ringen en popcorn aan draadjes. Ondanks mijn goede zorgen ging de boom dood; hij werd bruin en begon uit te vallen. (..) Ik sleepte de boom het huis uit, door de tuin naar de achterkant, en smeet hem de heuvel af. Binnen had mijn moeder de Electrolux al gepakt en zwiepte haar grote toverstaf, de wonderborstel, door de hele gang” - A.M. Homes, De dochter van de minnares, p.74-75
“Maar we voelen wel degelijk aan dat de realiteit moeilijker in elkaar zit: dat het Gezin de realiteit vertegenwoordigt waarvan Kerstmis de droom is. (..) Kerstman, help me, want ik geloof dit ook“ - Zadie Smith, ‘Kerstfeest bij de familie Smith’, in: Ik heb mij bedacht, p.285
“I belch. The flavor is overwhelming – Londisizwe’s tea! This is the last of the pain, the foul smell coming out; these thoughts are the path of the old mind needing to be leftbehind” – A.M. Homes, May we be forgiven, p.447.
Samenvattend oordeel
Onder een bonte verzameling gebeurtenissen preekt Homes een boodschap van tolerantie, waardering voor menselijke verscheidenheid, zorg voor elkaar en mededogen. Hoe deze droom werkelijkheid te maken blijft een raadsel. Wat opschrikkende life-events, een zorgzame inborst, ethische kinderen, lekker eten en een gevulde buidel moeten het werk doen.
De roman kan ook, pesterig, gelezen als ongewoon verteld jongensboek. De grote mensenzorgen van verteller oom Harry – het ik-tijdperk, Nixon en de teloorgang van de Amerikaanse Droom – leiden wat af van wat ieder kind wil weten: hoe het afloopt (alsof dat een verrassing zou kunnen zijn!). Er blijft voldoende te genieten over: een eigen dorp in Zuid-Afrika; een ontvoering; een medicijnman met toverdrank en, onweerstaanbaar voor wie van Carry Slee houdt, een liefdesaffaire van beginnende puber Ashley – met een oudere vrouw! Lees verder →
“But allready the grandeur of experience threatens to flatten into the conventional, into anecdote (..). Nothing survives its telling” - NW, p.13
“A small gang danced mildly in the doorway of G-A-Y, on autopilot from the night before. Felix chuckled into his chest and leant against a lamp post to roll a fag. He had the sense that someone was watching and taking it all down (‘Felix was a solid bloke, with his heart in the right place, who liked to watch the world go by’) but when that fancy was finished there was nothing else for him to do. A car with tinted windows rolled by. It took a moment to put together the fearful child in the passing reflection with what he knew of his own face” – NW, p.120
“At that moment she wept and felt a terrific humility” – NW, p.238
“‘Christ, another hideous word! God save me from “relationships!” (..) What a mealy-mouthed pathetic word, “relationship”. For people who haven’t got the guts to live, haven’t the imagination to fill their three score and ten with anything other than – ‘. Felix knew better than to get into it (..). When she was like this she could have an argument with a coat-stand” - NW, p.140
“People shouldn’t do a lot of things they do” – NW, p.266
“Vormen, stijlen of structuren – aan welk woord u ook de voorkeur geeft – zouden net zo vaak moeten veranderen als de lengte van de rokken” (‘Middlemarch en iedereen’ inIk heb mij be- dacht, p.57).
Minder slim, mijns inziens, omdat dit beeld ‘verandering om de verandering’ oproept, zoals Smith ook in de uitgebreide versie van het interviewcitaat zijpaden bewandelt. Niet alleen wisselt ze “reality”/”werke- lijkheid” af met “consciousness”/”experience”, alsof beide uitwisselbaar zijn, ook haar motivering van de noodzaak van vormgeintjes (“oddities”) is oppervlakkig:
“You could find far, far stranger in 1918 or 1761. Nothing new under the sun. The novel has al- ways been a weird form, full of oddities. If there’s trickery in this one, I’m sorry for it: I genuine- ly wanted to try and get closer to reality, not to obscure it. I mean, look: a version of the most realistic novel possible right now would be the one that took into account the fact that for much of each day in the west, the consciousness of many of us is projected outwards into a 14-inch lit screen, and any thought we have constantly penetrated by news, trivia, gossip, adverts, glimpses of content, and email, always email. I can’t figure out a way to do that, but some younger writer will. Not in the dull manner of ‘putting emails in a novel’ but some organic and genuine way of representing that reality. And stuff like that will allways be called ‘trickery’ and accused of shal- lowness and then fifty years later it will be understood as pure realism“ [mijn cursivering].
In dit citaat verwijst Smith naar veranderingen die aan de oppervlakte blijven. Of beter: deze kwestie is inzet van wetenschappelijke meningsvorming. De filosoof De Zengotita, die in deze discusie een be- paalde positie inneemt, werd te onzent bekend door zijn optreden in het programma van Raoul Heer- tje, Heerlijk Eerlijk Heertje.
De effecten van het beeldschermwerken, de toegevoegde virtuele werkelijkheid en de lasten van de ‘permanente bereikbaarheid’ zijn van een ander niveau dan de thema’s ook door Smith in NW aangesne- den: sterfelijkheid, (moeite met) verbondenheid, vrijheid (hoe te leven), jezelf worden/zijn (inclusief de angst voor verwerping als je ‘ongewone’ dingen toont/bent). Mijns inziens onderscheiden sommige vormexperimenten in NW, zoals een hoofdstuk in de vorm van een Google Maps-beschrijving, zich te weinig van ‘een email opnemen in de roman’.
Even later in haar Eliot-essay is Smith helderder: verstarring van de vorm dwarsboomt kennis van de werkelijkheid, die rijk en vol is, net zoals het menselijk beleven:
“In haar essay ‘Silly Novels by Lady Novelists’ (..) zette Eliot haar radicale programma voor grootse fictie uiteen, radicaal omdat het helemaal geen programma was. ‘Net als de massa van kristallen zal het iedere vorm kunnen aannemen en toch mooi zijn’. Wat de twintigste-eeuwse romanschrijvers van Eliot meekrijgen is de radicale vrijheid om de vorm van de Engelse romans tot zijn uiterste grenzen te drijven, waar die ook mogen liggen” (idem, p.58)
Ook Bas Heijne bepleit vormvariatie met dit argument:
“Altijd is en blijft er het gevaar dat de roman in zijn eigen verhaal verdwaalt, dat de vormen en conven- ties van het verhaal de blik beperken in plaats van verruimen. (..) Vormen, die tot conventies zijn ge- worden, moet hij [de romanschrijver] achter zich laten” (Echt Zien, p.98-99).
En ook bij Heijne is de subjectieve belevingswereld rijk en vol:
“Iedere goede roman is juist geschreven in het besef dat (..) ieder moment in een mensenleven een on- eindigheid aan indrukken in zich draagt die niet in woorden te vangen zijn” (Echt Zien, p.101).
Dat Smith in conflict lijkt te komen met het door haar betoogde in ‘Two paths for the novel‘ laat ik hier rusten. Bij zowel Smith als Heijne vraag ik me af of meer wordt gezegd dan:
Alles went
Iedere keuze heeft voor- en nadelen, iedere metafoor en ieder perspectief onthult en verhult tegelijk, om te zien heb je een bril nodig – iedere bril vervormt. Iedere vertaling van ‘de werkelijkheid’ in een medium (deel van de werkelijkheid maar oke) gaat gepaard met informatieverlies.
Veel brillen verkleinen de foutenmarge en naderen de objectiviteit. Er is een zekere vooruitgang in de kunst, conclusie van de soort die Maarten Doorman in Steeds Mooier (1994) trekt.
Positief verwoordt Smith een streven naar objectiviteit, ‘de zaak’ getrouw willen zijn; dit leidt tot een kri- tische houding tegenover het instrumentarium van de kunstenaar. Negatief opgevat huldigt ze een naïeve afbeeldingstheorie van de waarheid (niet aannemelijk) of onderscheidt niet scherp tussen esthetische (‘iedere vorm en toch mooi’) en kennisaanspraken (‘waar’).
Hoewel Heijne in zijn citaat een rijke belevingswereld veronderstelt, veronderstelt hij daarmee nog wei- nig over het ‘ik’. De portee van zijn citaat zit in een weggelaten stukje, dat de ‘vorm’ – en ook de inhoud – erg breed trekt: “[het besef dat]het leven zich niet in een verhaal laat vatten“.
Maar Heijne en Smith hebben gemeen dat ze niet helder maken welke werkelijkheid tot spreken moet ko- men via diverse vormen, hoewel beide het onmiskenbaar over de geleefde werkelijkheid van mensen hebben. Ze spreken over ‘vormen’ op de wijze van ‘Als je maar vaak genoeg en veel verschillende hengels uitgooit, vang je altijd wel een visje of iets anders dat aan je haak blijft hangen’.
Als Heijne met “ieder moment in een mensenleven draagt een oneindigheid aan indrukken in zich” nuch- terder bedoelt dat gebeurtenissen in het heden altijd eerdere ervaringen associatief wakker kussen en soms verlangens wekken, die samen het moment kleur en diepte, onder- en boventonen geven – en dat zoiets moeilijk in taal te vangen is, is hij preciezer dan met het romantische “oneindig”, dat om het effect bedoeld lijkt.
Een quote uit NW illustreert de complexiteit:
But allready the grandeur of experience threatens to flatten into the conventional, into anecdote (..). Nothing survives its telling (p.13)
We treffen Leah op het moment dat ze wordt belazerd door Shar, drugsverslaafde in dagelijkse geldnood. De tekst brengt meesterlijk subtekst aan: Leah voelt seksuele aantrekking tot Shar, Shar schaamt zich voor haar oplichting nu Leah zonder reserve in haar noodverhaal gelooft en aanbiedt haar te vergezellen naar het ziekenhuis waar haar moeder zou zijn opgenomen. Meest mysterieus is het religieus aandoend moment van onbaatzuchtigheid – toch al subthema in de roman:
In reply [op het 'Dank je wel' van Shar - die het geld (schuldbewust?) nog niet aangenomen heeft!], Leah says something she has never said in her life: God bless you.
Maar dan verdwijnt het ‘extra’: het geld wordt in de hand van Shar gedrukt en het nobele gebaar, de wens iets waarlijk goeds te doen, verliest geloofwaardigheid:
only thirty pounds, only an ill mother, neither a murder, nor a rape. Nothing survives its telling.
Dit nadrukkelijk in de context van een overdadig uitbottende natuur. ‘Niet toevallig’ vervolgt Shar met “Mental weather”. Het roept iets op als: alle voorwaarden voor het paradijs aanwezig, maar het gevoel wil maar niet komen.
Daarbij is Leah niet alleen maar rechtschapen en ook niet perse goedgelovig. Als Shar aansluitend, zon- der Leah te durven aankijken, benadrukt morgen het geld te zullen terugbetalen, haalt Leah haar schou- ders op en vervolgt, na de herhaalde toezegging door Shar, met: “I just hope she’s OK. Your mum”. Hier brengt Smith een toets van wanhoop aan. It takes two to tango, je kunt niet in je eentje goed doen.
Maar de eerdere teleurstelling over het smalle verhaal dat de anecdote oplevert lijkt weer kleinmenselijk. Het verhaal dient hier niet de waarheid maar zelfvergroting (om zo weer affectie te krijgen?). Of drukt Leah hier opnieuw verkapt haar stuurloosheid uit, het gevoel van ‘niets doet ertoe’?
De tekst is rijk en geconcentreerd – maar de vormgeving traditioneel.
Voor mij maakt Smith in NW niet waar dat al haar vormexperimenten de waarheid/werkelijkheid dienen. Iets van waarde zoals in de zojuist beschreven zinnen hebben ze me niet opgeleverd.
Van de twee voor mij sterkste vormingrepen in NW is de eerste traditioneel: de selectieve weergave van de beleving van Leah, in het deel over Leah. De tweede is de vertelinstantie die op een dwaalspoor zet, in combinatie met de korte paragraven met vaak aparte kopjes, in het deel over Keisha.
Smith laat Leah tobben over allerhande ethische kwesties maar geeft de belangrijkste in haar leven nau- welijks woorden. In de laatste paragraaf van deel 1 – de vierde §37 – beschrijft Smith het afhalen van fo- to’s door Leah maximaal wonderbaarlijk. De tekst sluit niet uit dat Leah beseft verliefd te zijn op Shar. Het ‘probleem’ van Leah is, in die lezing, echtgenoot Michel, die leeft in een wereld waarin geen ruimte is voor afwijkingen van de orde, zoals ‘biseksualiteit’.
In een zeldzame reflectie over haar verantwoordelijkheid naar Michel denkt ze: “But why should he be- lieve her when she has lied about everything?”. Het “everything” kan slaan op Leah’s verzwegen gebruik van anticonceptie, haar verzwegen abortus (Michel wil graag kinderen) en haar niet vertellen verliefd op Shar te zijn of, breder, een opspelende biseksuele kant te hebben.
Leah beseft normaal gesproken dat ze Michel ooit de waarheid zal moeten vertellen of dat ooit haar ge- bruik van anticonceptiemiddelen uitkomt (die dag kondigt zich op het eind van deel 1 al aan, als het stel hulp gaat krijgen bij de conceptie). Als probleem hoort dit haar, (psycho)realistisch gesproken, bezig te houden. Maar het krijgt nauwelijks tekst.
Mogelijke verklaring: in twee van de vier paragraven in deel 1 met nummer 37 lijkt Smith erop uit de le- zer te vermanen: trek niet te snel conclusies. De tekst lijkt met opzet slecht/niet te begrijpen. De ‘psycho- logische realiteit’ van Leah wordt hier opgeofferd aan de eisen van het vormexperiment. Zo wordt in bloemrijke taal, die alles in het midden laat, verteld van de gevoelens van de jonge Leah voor een andere vrouw. She once was a true love of mine, u kent dat liedje vast. Naast haar in bed. Inmiddels met een man getrouwd, stelt de oudere Leah (?) vast (met pijn in het hart?).
Realistisch gesproken is Leah’s afdwalen naar een vroegere geliefde (als zij dat is) bevestiging dat haar ge- voelens voor vrouwen op dit moment dringend probleem voor haar zijn. Daarover piekeren zal zij niet in vage bloemrijke taal.
Een mogelijke alternatieve interpretatie is dat Smith het stadium tussen verloochenen en erkenning/toe- laten wil weergeven. Alle seinen wijzen dezelfde richting op maar Leah moet het alleen nog willen zien. Daartegen pleit dat de abortus en de permanente anticonceptie mijns inziens te nadrukkelijke handelin- gen zijn om ‘in de ontkenning’ te kunnen (blijven) uitvoeren.
In het voordeel van de gekozen oplossing kun je zeggen dat de lezer een sterk gevoel opgedrongen krijgt van ‘zo gaat het niet langer, betrokkene zal moeten ingrijpen. Clean up your act’.
Een ander voorbeeld is het geregeld weglaten van de persoonsvorm in zinnen, in het deel over Leah. Het staat Smith toe informatieverstrekking door een auteur die meer weet dan de personages te combineren met de evocatie van de beleving van het personage:
Elsewhere in London, offices are open plan / floor to ceiling glass / sites of synergy / wireless / gleaming. There persists a belief in the importance of the ping-pong table. Here is not there.
(p.27)
Met de laatste persoonsvormloze zin voltrekt zich de verschuiving het bewustzijn van Leah in, die we aantreffen op haar werk, aan het eind van een vergadering. Wat hiervan te vinden:
De fraaie tafeltennistafelzin – Smith kan het niet laten/helpen er poëzie van te maken – kan ik me van de verteller voorstellen maar niet van Leah
Ik geloof niet dat Leah over zoveel kennis van het kantoorleven in Londen beschikt. Dat moet aanne- melijk gemaakt worden. Haar carrière bracht haar tot dusver niet naar zulke panden. Via de kunst- greep van de persoonsvormloze zin smokkelt Smith hier haar kennis binnen.
Het gebruik van het typografisch teken ‘/’ verstoort iedere illusie van ‘naïef realisme’: je ‘denkt’ niet ‘met’ zulke streepjes. Misschien is dit mijn verzet tegen verandering en wen je er snel aan. Maar wat is het positief verschil ten opzichte van huidige conventies?
‘Experience’ veronderstelt een ‘ik’ als perspectivisch punt. Smith combineert hier vernuftig auteurs- taal en taal van het personage en geeft zo krachtig uitdrukking aan de ervaring van het personage.
Maar in een denkbaar negatief scenario schotelt een auteur ons via deze kunstgreep een ervaring voor die niet kan bestaan, als een schijnprobleem in de filosofie.
De visuele vormvariaties in NW brengen mij niets wat ik niet al wist. Dat begrijpen inspanning vergt, leerde al menig (ander) gedicht, filosofische of wetenschappelijke tekst.
Experimenten kunnen mislukken. Het doet niet af aan de hoge kwaliteit van NW. Voor wie al vast kennis wil nemen van enkele andere kunstgrepen in NW, heb ik hieronder enkele op een rij gezet:
H.9: hoofdstuk in de vorm van een routebeschrijving – uitdrukking van de weerzin van Leah te gaan?
H.10: een route beschreven via geuren en andere indrukken onderweg van wie? Leah. Een assembla- ge waaruit de lezer moet afleiden hoe Leah erbij loopt. Opvallend veel “Iedereen doet dit”-zinnen. Het opkomend verzet in Leah tegen haar volgzaamheid?
p.117, enige vormnoviteit in het tweede deel, over Felix: een aantal doorgestreepte woorden in een verbeeld gesprek met zijn vader, over zijn nieuw aangeschafte tweedehands sportwagen: “Ik knap hem zelf op als een cadeau voor Grace mijn project”. Betekenis: omdat hij geen trek heeft in het voorspelbaar gezeur van zijn vader over vrouwen als onbetrouwbare wezens, kiest Felix in gedach- ten een alternatief dat dit gezeur voorkomt.
§123 van deel 3, over Keisha/Natalie, bevat een chatsessie tussen Natalie en Leah. Dit procedé vind ik zekere toegevoegde waarde hebben. Het geeft gevoel voor hoe de twee vrouwen met elkaar om- gaan.
Op p.213 laat Smith de afgebladderde letters (“stencilled letters peeled off”) van een rechtsbijstands- kantoor ook in de roman weg: “R senb rg, Sl tte y & No ton”. Auteur wil volgens mij diep punt over taal maken of genieten van enkele van de onuitputtelijke jouïssance-oddities van taal.
Minder gebruikelijke verteltechniek van het de lezer rechtstreeks aanspreken, bijvoorbeeld op p.220: “[Happiness] is a state of comparison. Were they any unhappier than Imran and Ameeta? Those people over there? You?”.
In het essay ‘Two paths for the novel‘ (2008) stelt Smith een aantal onderwerpen tegelijk aan de orde. Een daarvan is (de literaire weergave van) zelfkennis. Zelfkennis leidt tot grotere ‘authenticiteit’ en ‘epifanie’ is het wonderbaarlijk moment waarop mensen/personages een (hoger) inzicht toevalt.
Al bij Eliot is het ‘schellen van de ogen vallen’ een geliefd literair thema, stelt Smith in haar essay over Middlemarch, ook uit 2008:
“Eens keek ze door een glas, duister, maar nu is ze de minst bedrogene… Voor hoeveel victoriaanse romans zou dat zinnetje als een verkorte weergave kunnen dienen“ (Ik heb mij bedacht, p.48).
In die tijd deelden publiek en romanschrijfster stilzwijgend bepaalde aannames, zoals dat mensen uit zichzelf naar authenticiteit en morele integriteit streven. Niettemin noemt Smith Eliot, vanwege haar bijzondere scherpzinnigheid op dit gebied, “de seculiere gelauwerde dichter van de openbaring” (idem, p.49).
‘Two paths for the novel’ wordt ingelijst door een gedicht van Szymborska, dat Smith Heideggeriaans uitlegt. Zelfkennis moet plaatsvinden binnen hedendaagse (verondersteld gedeelde) aannames: God is dood en we weten weinig tot niets. Er is een besef van beperking, van religieuze en cognitieve teleur- stelling. Hoewel gezegd in een andere context lijkt het volgende ook van toepassing op zelfkennis: ”de aanslag van futiliteit op het menselijk bewustzijn en de verdediging tegen hetzelfde: betekenis” (p.93). Is zelfkennis of ruimer ‘betekenis’ die afweer is nog wel kennis? Alleen in de mate dat de leugen naar de waarheid verwijst.
Smith’s positie in deze kwestie blijft ongrijpbaar. Ze speelt twee literatuuropvattingen, twee romans, tegen elkaar uit en kiest weliswaar partij voor de ene, maar niet zonder voorbehoud.
Als negatief van haar kritiek op een van de twee romans zouden Smith’s eigen opvattingen of aannames over zelfkennis en het proces van tot inzicht komen moeten oplichten. Maar dat gebeurt niet. Smith lijkt beïnvloed door de Franse psychoanalyse en moderne filosofie in het voetspoor van Heidegger maar de relatie daarvan met zelfkennis in NW blijft onduidelijk.
Zo verkeert de hoofdpersoon van de gehekelde roman, Hans, in een positie vergelijkbaar met die van Natalie in NW. Voor zijn werk met zijn gezin van Londen naar New York verhuisd, raakt hij in een echt- scheiding, vrouw en kind keren terug naar Londen: “Mijn gezin, de ruggengraat van mijn dagen, was in el- kaar gestort”.
Voor Smith representeert de roman een (al te) goed voorbeeld van een bepaalde literaire stijl die de norm geworden was anno 2008. Ze noemt hem ‘lyrisch realisme’, volgens mij is ‘humanistisch realisme’ een equivalent. De troost van schoonheid wordt gestoken in een hedendaags, berooid jasje. Het is het type schoonheid waarop ook Bas Heijne wel doelde, bijvoorbeeld toen hij de film American Beauty
prees. Hierin ervaart een jongeman schoonheid bij de aanblik van een opwaaiende plastic zak en het bebloed gezicht van een zojuist doodgeschoten man.
In de negentiende eeuw verwachtten/eisten lezers compensatie van personages, op het eind van de ro- man, voor ondergaan lijden. Tegenwoordig verwachten we de troost van inzicht, “Wat me niet doodt, maakt me sterker”.
Hier plaatst Smith haar kritiek op bepaalde aannames van dit realisme, aannames over mensen, zelfken- nis en over het komen tot verreikende inzichten. Deze literaire traditie stelt een te groot en ongegrond vertrouwen in het vermogen van taal werkelijkheid te representeren, inclusief menselijk beleven: “The (often unexamined) credos upon which Realism is built: (..) the incantatory power of language to re- veal truth, the essential fullness and continuity of the self“.
Smith’s moeite met Hans is dat hij moeiteloos adjectiefrijk verwoorde esthetische ervaringen heeft, met de zweem van hogere of minstens authentieke inzichten. Zij geeft overtuigende voorbeelden van hoe de woordenvloed eerder het zicht op de werkelijkheid ontneemt – en hier verschuift de kritiek op psycho- logische en filosofische aannames naar een op de literaire middelen van de romanschrijver. En ze stelt tot slot een aantal retorische vragen, waarmee ze impliciet een aantal kennisclaims maakt:
“Is dit werkelijk hoe het voelt, een ‘ik’ te hebben? Zoeken ‘ikken’ uiteindelijk toch altijd wat goed voor ze is? Zijn ze nooit pervers? Willen ze altijd betekenis? (..) Keren onze kinderjaren zo vaak tot ons terug in de vorm van coherente, lyrische dromerijen?” om vervolgens terug te springen naar het niveau van lite- raire conventies: ”Is dit echt realisme?“ (‘Twee richtlijnen voor de roman’ in Ik heb mij bedacht, p.105).
Nooit wordt in het essay echter duidelijk wat de gehekelde aanname van het continu en essentieel volle ik nu eigenlijk precies behelst. Andere bewoordingen zijn een ‘ik’ dat “dun als een witte draad door jaren en nog eens jaren loopt“, een volheid als een “bodemloze put“, beeld dat voor mij het tegendeel oproept. De “rijkdom van de menselijke persoonlijkheid“, een later aangehaalde Zizek, past mijns inziens dan weer be- ter. Ikzelf denk bij een ‘vol’ ik eerder aan de lyrische Nietzsche:
“Zoete lier! Zoete lier! Ik heb jouw toon lief, jouw dronken worken-toon! – van hoe lang her, van hoe ver weg komt tot mij jouw toon, van verre, van de vijvers der liefde! (..) Heimelijk welt een geur op, – een vleug en geur van eeuwigheid, een rozenzalige bruine gouden wijngeur van oud geluk, – van dron- ken middernachtelijk stervensgeluk, dat zingt: de wereld is diep,en dieper dan de dag zich dacht!” (‘Het nachtwandelaarslied’, in Aldus sprak Zarathustra).
Ik houd het erop dat Smith met deze metaforen niet meer doet dan beeldend verwijzen naar de filosofie van Heidegger en de psychoanalyse van Lacan, waar de ‘invoeging in de taal’ van de zeer jonge mens ge- paard gaat met een niet op te heffen splijting. Heb ik gelijk, dan zou dit treurig zijn: fictie laat hier dan niet werkelijkheid oplichten maar illustreert een theorie die zonder haar kan.
Onopgeloste vraag is hoe Smith deze filosofische inzichten rijmt met Natalie’s moeizaam en haast licha- melijk tot inzichten komen over zichzelf, tot zelfwording. Natalie lijkt te beschikken over een leeg ik maar ze lijdt eronder. Apotheose van de roman is het vullen van de leegte met een beetje authentiek ‘zelf’. Waarschijnlijk haal je zo discussies op twee onderscheiden niveaus door elkaar.
Smith ontkent beïnvloeding van NW door ‘Two paths for the novel’. Het schrijven heeft zijn eigen logica (“I have no idea what I’m doing when I write a novel”): “The critic in me and the writer in me are two different people. The critic writes of what she would ideally like to read; the writer only writes what she can“. Afgezien van het non-argument van zichzelf ‘twee personen’ verklaren, lijkt het me vreemd dat een schrijver niet beïnvloed zou worden door wat hij of zij leest.
Op oppervlakteniveau voldoet NW aan de negatieve eisen van het essay:
Natalie, Leah noch Felix hebben coherente, lyrische jeugdherinneringen. Nathan heeft een ambiva- lente verhouding tot zijn jeugdjaren, ‘onteigent’ ze soms (“I’ve burnt that whole business out of my brain”, p.276).
Natalie zoekt soms chaos (ze wil niet ‘betekenis’, ze is ‘pervers’)
NW is sober met bijvoeglijke naamwoorden. Gevoelens, voor zover ze voorkomen in de roman, heb- ben het karakter van secreties, uitscheidingen. Geen der personages heeft of strooit met inzichten op aforismeformaat. Alleen Felix en meer nog Annie (ex-vriendin van Felix) heeft veel ‘verbaal bewust- zijn’, gemakkelijk toegang tot inzichten.
Moeilijker te beantwoorden is de vraag “Zoeken ‘ikken’ uiteindelijk toch altijd wat goed voor ze is?”. De roman toont beide mogelijkheden. Natalie’s lijden is mijns inziens voor een deel een roepen om ‘wat goed voor haar is’. Iets in haar is ontevreden met hoe ze leeft. Maar tot de andere mogelijkheid voelt Natalie zich ook aangetrokken: toegeven aan de impuls tot chaos. Antwoord van NW op deze vraag in het essay lijkt me daarom: niet vanzelfsprekend en niet automatisch. Maar de “knowledge as a sublime sort of gift”, als Natalie Spike in haar armen heeft (zie hier), heeft toch alle trekken van een epifanie – in de bekende humanistische literaire traditie, die ‘dirty realisten’ als Carver insluit.
“The film is associated with an urban legend well known in the world of cinema. The story goes that when the film was first shown, the audience was so overwhelmed by the moving image of a life-sized train co- ming directly at them that people screamed and ran to the back of the room” – Wikipedia, L’Arrivée d’un train en gare de La Ciotat
“Er reed een trein. Hij naderde. (..) Ik wilde een stap terug doen zoals je dat onwillekeurig doet wanneer op je perron een intercity langs komt razen, liet nog tot me doordringen dat dat onzinnig was, dat het niet kon en ook niet hoefde, dat ik in een kamer op een stoel zat en dat er dus helemaal geen trein was, maar de trein reed door, recht op me af, en het gedreun werd een gebrul dat alles om zich heen verscheurde” – Hans Goedkoop, ‘Ik leg mijn pen neer en…’, in Een verhaal dat het leven moet veranderen, p.278
“We vinden in de mens twee aandriften, een verlangen te zijn, maar daarnaast ook een verlangen naar zin, dat daar soms haaks op staat. Het streven naar zin kan ontaarden in een hang naar orde, in het ver- langen een boek te zijn. Don Quichot is voor die verleiding bezweken en Emma Bovary” – Theo de Boer, Pleidooi voor interpretatie, p.100 Lees verder →
“De kunstenaar, hier in de gedaante van de schrijvende psychiater, is niet langer een schepper, die zijn publiek opnieuw leert zien. Zijn scheppingskracht staat geheel in het teken van zijn solipsisme“.
Bas Heijne, Echt zien, p.78
“Leo’s woede bedaarde, en maakte plaats voor een wanhoop die hij niet begreep. (..) Hij begon zich te realiseren – met een leegte die hem met zes handen aangreep – (..)”.
Bernard Malamud, De verhalen, ‘Salzman, de huwelijksmakelaar’, p.129
“Passiviteit is soms een groter raadsel dan moord” / “Laat uw boek toch niet het equivalent zijn van een op te lossen cryptogram”.
“Uiteindelijk wegen de verwachtingen van de schrijver het zwaarst. (..) Zo verwacht ik van literatuur dat zij over enigszins zieke mensen gaat (..). Waarom? Daar heb ik geen argumenten voor. Dat is persoon- lijk”.
Arnon Grunberg, De troost van de slapstick, p.36, p.78, p.114-115