A.M. Homes – May we be forgiven

God zegene de greep of de geneugten van de keukentafel.

De identificatie met drama à la Metro-Goldwyn-Mayer was compleet. Ik voelde ontzag en geluk. Wat houd ik van haar onkritische hart, en hoe hard heb ik het nodig. (..) M. vond het poesje lief en wilde dat ik het ook lief vond. (..) Later, toen we op het station nog wat dronken, vroeg ze of ik dat poesje niet ‘heel leuk’ vond. Ze gebruikt het woord ‘schattig’ niet meer. Wanneer heb ik haar te bang gemaakt om haar eigen woorden te gebruiken? (..) Ik zei (prekerig?) dat God ongetwijfeld wel van poesjes houdt, maar hoogstwaarschijnlijk niet met laarsjes in Technicolor aan hun pootjes. Dat vleugje creativiteit laat hij over aan de tekstschrijvers” – J.D. Salinger, Heft hoog de nokbalk, timmerlieden, p.66

De dag na Kerstmis ging mijn moeder met me naar de bibliotheek. Naast het gebouw was een veldje waar kerstbomen werden verkocht. Ik ging er stiekem heen en sprak de verkoper aan. (..) De boom helde naar één kant over. (..) Het was een onooglijk, schriel ding, een boompje dat niemand wilde hebben. Maar het was mijn boom, mijn Charlie Brown-boom. Ik was er dolgelukkig mee, ik gaf hem water en versierde hem met kartonnen ringen en popcorn aan draadjes. Ondanks mijn goede zorgen ging de boom dood; hij werd bruin en begon uit te vallen. (..) Ik sleepte de boom het huis uit, door de tuin naar de achterkant, en smeet hem de heuvel af. Binnen had mijn moeder de Electrolux al gepakt en zwiepte haar grote toverstaf, de wonderborstel, door de hele gang” – A.M. Homes, De dochter van de minnares, p.74-75 Lees verder

Tim Parks – The server

Over het nut van zichzelf uitleggen.

We mustn’t play the drama queen. (..) We mustn’t disturb others with our suffering, our specialness, our angst” (The server, p.118).  

“Mi Nu is a pale candle burning with darkness. These strange words, never spoken, help me (..)” (idem, p.119).

It’s weird how easily you can slip from meditation to washing floors, as if it was the same thing” (idem, p.7)

onthullen/verhullen

Lees verder

Zadie Smith – NW

“But allready the grandeur of experience threatens to flatten into the conventional, into anecdote (..). Nothing survives its telling” – NW, p.13

“A small gang danced mildly in the doorway of G-A-Y, on autopilot from the night before. Felix chuckled into his chest and leant against a lamp post to roll a fag. He had the sense that someone was watching and taking it all down (‘Felix was a solid bloke, with his heart in the right place, who liked to watch the world go by’) but when that fancy was finished there was nothing else for him to do.
A car with tinted windows rolled by. It took a moment to put together the fearful child in the passing reflection with what he knew of his own face”  – NW, p.120

At that moment she wept and felt a terrific humility” – NW, p.238

“‘Christ, another hideous word! God save me from “relationships!” (..) What a mealy-mouthed pathetic word, “relationship”.  For people who haven’t got the guts to live, haven’t the imagination to fill their three score and ten with anything other than – ‘. Felix knew better than to get into it (..). When she was like this she could have an argument with a coat-stand” – NW, p.140

“People shouldn’t do a lot of things they do” – NW, p.266

   Lees verder

Zadie Smith over zelfkennis

Bijlage bij mijn posting over de roman NW

(Zelf)kennis, of preciezer: de literaire weergave van het opdoen ervan, komt meer dan zijdelings aan de orde in de essays verzameld in Ik heb mij bedacht, maar steeds ondergeschikt aan een ander, belangrijker geacht onderwerp: ‘de toekomst van de Engelstalige roman’ of ‘hoe in deze tijd te schrijven’. Aangezien schrijven voor Smith de wereld ontdekken is, gesitueerd ergens tussen filosofie, psychologie en zingeving in (met inbegrip van ethische en politieke kwesties), en adequate uitbeelding van de ‘ervaring’ van mens zijn in deze gelaagde zin belangrijk doel – althans in NW – overlappen de twee aanzienlijk. Maar literatuur als bron van kennis is wat anders dan wetenschap of filosofie.

Vertrekpunt van Smith’s terzijdes over zelfkennis is de filosofie die ze zich tijdens haar studie Engelse letterkunde eigen heeft gemaakt. Die filosofie veronderstelt ze bij haar lezers op hoofdlijn bekend, waardoor haar essays soms de sfeer van een academisch onderonsje krijgen. Tegelijk gebruikt Smith begrippen als ‘verstand’, ‘gevoel’ en ‘bewustzijn’ op een common sense-manier, alsof onproblematisch, wat leiden kan tot een ongemakkelijk syncretisme, als van iemand die ontboezemingen over haar privéleven afwisselt met opmerkingen over Heidegger voor en na de Kehre, alsof in elkaars verlengde. Allen echte romantici vinden dat een verademend gebrek aan systematiek.

Smiths essays hebben soms een minder gebruikelijke opbouw. Zo structureert het koppel ‘vol/leeg’ het essay ‘Two paths for the novel’, en ‘gave’, in de dubbele betekenis van ‘talent’ en ‘gift’, dat over schrijver David Foster Wallace. De waarheidsclaim van Smith’s teksten is volgens mij ambitieuzer dan een bescheiden ‘Ik werp maar wat hypothesen op’. Gemeten naar die pretentie draagt de opbouw niet bij aan de overtuigingskracht. De lezer moet werk doen – het betoog zo sterk mogelijk neerzetten – dat Smith zelf had behoren te verrichten.

Over zelfkennis spreekt Smith onder andere in ‘Middlemarch en iedereen’. Daar stelt ze onder meer dat Eliot nastreefde wat iedere zichzelf serieus nemende romancier tracht te doen: “Het naar voren reiken van het hele bewustzijn naar de zo volledig mogelijke waarheid, de minst vooringenomen goedheid” (Ik heb mij bedacht, p.48).

Letterlijk is dit de verteller van Middlemarch over een personage, maar getransponeerd naar auteurs, zoals Smith doet, lijkt het in te sluiten dat ook het ‘zelf’ tot de gebieden behoort waarop uiterste waarheid geboden en mogelijk is (het andere realiseerbaar geachte streven is dat naar wijsheid, een juist/zuiver moreel oordeel, waarvoor ‘liefde‘ onmisbaar is).

Aansluitend geeft Smith enkele voorbeelden van zulk indalend – of wellicht inslaand – psychologisch inzicht. Volgens Smith is Eliot er verzot op: “Eliot maakte een religie van dit proces; het kwam in de plaats van de oude godsdienst waarmee ze was opgevoed”. Elliot’s meelevende verteller neemt de plaats in van Jezus, “zoals Christus vastbesloten was om onze zonden uit onze ziel te trekken” (p.48). Ze noemt Eliot “de seculiere (..) dichter van de openbaring”.

De beoogde boodschap van Smith is dat we tegenwoordig minder makkelijk denken over het bereiken van (zelf)kennis dan Eliot en dat dat in romans te merken zou moeten zijn. Dat inzicht ontleent ze aan haar filosofische lectuur (in ‘Two paths for the novel’ aangehaald). Maar in het Eliot-essay merk je niets van die hedendaagse moeite. Ook daar bepleit Smith, net zoals in ‘Two paths for the novel’, vormvariatie, maar zonder reden.

Jezus had een bedoeling. Hij wilde ons naar de waarheid over onszelf leiden en was, gezien Zijn goddelijke natuur, onfeilbaar leidsman. Die status heeft geen literator. Eliot’s vervanger voor Jezus is de filosofie van Spinoza. Het meeleven van Eliot’s verteller is gesticht door Eliot’s Spinoza-studie, meent Smith. Eliot is meer filosoof dan menigeen denkt: “Ze was een schrijver van denkbeelden, misschien zelfs nog meer dan iedere andere romancier in onze canon”. (p.50). “We denken dat ‘Ideeën’ de tegenstelling zijn van iets dat we het ‘Leven’ noemen. Maar zo bedoelde Eliot het niet” (p.50).

Dit is allemaal nogal abstract. En abstract blijft Smith maar ze voegt een element toe aan de botsende bilbartballencausaliteit van Spinoza – dit is een vervalsing van zijn ‘conatus essendi’ maar brengt wel het mijns inziens relevante onderscheid tussen ‘reden’ en ‘oorzaak’ aan, waar Smith, in haar abstractie, boven blijft zweven – waardoor diens causaliteit een psychologische en sociologische laag krijgt en Eliot van filosofe verandert in een sociale wetenschapsbeoefenaar avant la lettre. Eliot’s meelevende verteller mag dan gebaseerd zijn op Spinoza’s conatus-begrip, Eliot zet volgens Smith ‘menselijke verhoudingen’ op de plek waar bij Spinoza andere oorzaken staan.

In de interpretatie van Smith bereiken de personages in Middlemarch in botsingen met medemensen een genaturaliseerd moreel ideaal, als u begrijpt wat zij bedoelt. Natuurlijke oorzaken leiden er naar toe. Eén bepaald personage in Middlemarch, dat de jonge Henry James het minst aanstond, kreeg volgens Smith met reden zijn aantal pagina’s; ook zijn Werdegang demonstreerde de juistheid van Eliot’s Spinoza-interpretatie.

De door Smith aangehaalde Deleuze verkondigt een zelfde abstracte psychologie. Deleuze’s Spinoza-interpretatie overlapt met die van Eliot, meent Smith, en citeert: “Dat is de reden waarom Spinoza ons op zijn gebruikelijke wijze toeroept: (..) je weet niet van tevoren wat een lichaam of geest kan doen bij een zekere ontmoeting, een zekere overeenkomst, een zekere combinatie” (p.53).

Zeker typt een aap soms een meesterwerk maar het is de vraag wat deze passage toevoegt aan ons begrip van zekere werkelijkheid.

Eliot’s inlevingsvermogen en vrijzinnige conatus-interpretatie, die hun neerslag vinden in de vertelstem van Middlemarch, geven haar (verteller) een filosofische of psychologische vrijheidsmarge ten opzichte van Spinoza. Maar wel is het een medeleven van nog voor het psychologische tijdperk, voor Freud.

Smith lijkt bij Eliot een tijdloos, bovencultureel en bovenhistorisch inlevingsvermogen te veronderstellen en prijzen. Dat inlevingsvermogen is ook nu nog aanwezig: “De George Eliot van tegenwoordig – zo gevoelig voor iedere schakering van het menselijk gevoel, zo serieus over onze afhankelijkheid van elkaar”. Dan neemt Smith niet, zoals gezegd, afstand van Eliot’s relatieve optimisme over zelfkennis. Geen zin “De George Eliot van tegenwoordig zal zich laten inspireren door hedendaagse inzichten over hoe mensen van elkaar afhankelijk zijn”. Evenmin beweert Smith dat Spinoza’s aangepaste conatus-begrip onverminderd actueel is.

In plaats daarvan een stelligheid. Eerst met een slag om de arm. De George Eliot van tegenwoordig “zal toch wel niet als de George Eliot van gisteren zijn. Haar vorm is vast heel anders” (p.58). De stelligheid – hier neemt Smith’s interesse voor ‘hoe moet ik schrijven’ het over van die in het komen tot zelfkennis – is die van een argument op gezag: Eliot zegt zoiets in een essay, dus dan is het waar.

Vorm is niet tijdloos, mag dat niet zijn, want dat zou schadelijke gevolgen hebben: “Wat niet universeel of tijdloos is, dat is de vorm. Vormen, stijlen of structuren – aan welk woord u ook de voorkeur geeft – zouden net zo vaak moeten veranderen als de lengte van rokken” (p.57); “[Déze vorm, dát is de vorm die de werkelijkheid weergeeft, (..)] het betekent dat we niet meer hoeven te lezen, of denken, of voelen”. (p.57)

Smith lijkt in deze passages van mening dat literair schrijven altijd een vorm van onthullen is. Een andere vorm doet een (andere) waarheid oplichten – tenzij je hem een paar keer gebruikt, dan verandert het in verhullen.

Ook een andere passage in Smith’s Eliot-essay treft mij als nietszeggend:

Met een ontleedmes onderzoekt Eliot allerlei gradaties van menselijke neigingen en vindt dan de bewuste handeling verborgen in de opwelling die weer verborgen is in de begeerte, verborgen in de wil die diep is weggestopt in de beslissing die we zelfs voor onszelf vertroebeld hebben. (p.48)

Meer dan een vaststelling van het weidse gebied tussen blinde paniek, levenslange haat en een weloverwogen schaakzet, tussen reflex, wedervaren, gedrag en handeling, kan ik hier niet in lezen. Ondanks de suggestie van een minutieuze ontleding van motieven (oorzaken, botsingen) drukt Smith niet veel meer uit dan dat veel menselijk handelen betekenis, zin heeft, en dat ervaring gelaagd kan zijn, waarbij ze lijkt te willen zeggen dat ingewikkeldheid eerder regel dan uitzondering is, en misschien ook erop zinspeelt dat we het normaliter niet voor elkaar krijgen de bewuste handeling verborgen in de opwelling die weer verborgen is in de begeerte, verborgen in de wil die diep is weggestopt in de beslissing die we zelfs voor onszelf vertroebeld hebben helder te krijgen. Maar als Eliot het kan, dan een ander in beginsel ook. Tenzij Smith beweert dat alleen schrijvers zulke geweldige psychologen zijn.

Hier brengt de filosoof De Boer ons mijns inziens verder. De Boer verklaart een gebied van duisternis (“nachtzijde”, “grilligheid, schemer en duisternis”, Grondslagen van een kritische psychologie, 1980, p.29, 132) tot maatschappelijk zinvol werkterrein van de psychologie. Het bestaat onder andere uit gewoontes en onbewuste motieven. Scherper dan Smith situeert De Boer de ondoorzichtigheid op het niveau van zinsamenhang. Dat doet hij in een uiteenzetting met de ‘rationele’ verklaring in de menswetenschappen. Die verklaart gedrag uit intenties. Theoretisch probleem met dit type verklaring is echter banaliteit. Waarom opende Jan het raam – omdat hij de intentie had het raam te openen. Filosofische oplossing: men stelt een ondergrens in: een tautologie, zoals in het voorbeeld, mag niet, maar bijvoorbeeld wel ‘om de kamer af te koelen’ – dat is een aanvaardbare rationele verklaring.

Blijvend obstakel voor deze theoretici zijn onbewuste, sluimerend bewuste motieven. Dat Jan het raam opende ‘opdat zijn bezoek kou zou vatten’ is onaanvaardbare rationele verklaring. De Boer wijst op een gemaakte denkfout: men verwart contrafactische doorzichtigheid – het uitgangspunt dat inzicht in beginsel mogelijk is – met feitelijke doorzichtigheid; verwart een interne relatie (zinsamenhang) met een conceptuele (een vrijgezel is ongetrouwd):

Was de relatie tussen motief en intentie, tussen intentie en handeling logisch, dan kan de analyse van interne relaties slechts tautologieën opleveren. Ondanks de intentie blijft de handeling verrassend. Hij kan altijd ‘geweigerd worden’. Voorts is het zo dat niet alleen het motief de handeling uitlegt, maar de handeling ook het motief pas duidelijk maakt. Ik moet handelen om te weten wat ik wil. Bovendien heeft de handeling een niet geïntendeerd overschot aan betekenis. (De Boer, o.c, p.29)

Voor iemand gewend zich te bewegen in een wereld waarin oorzaken gevolgen hebben, is dit een cultuurschok. Zinsamenhang breidt zich naar vele zijden uit.

Ook De Boer haalt Spinoza’s conatus essendi aan, maar bij hem staat het voor een innerlijke drang tot klaarheid, die breekbaar en hachelijk is. Dat roept ook vragen op, maar van een andere orde dan bij Smith’s Eliot-interpretatie. Voor De Boer is hier geen door God geplant streven naar (zelf)kennis werkzaam – iets waaraan men onwillekeurig denkt bij zulke teleologische beschrijvingen. Geen vervanging van Jezus door Spinoza, zoals bij Smith – of toch wel: De Boer situeert het verlangen op het niveau van de ontologie, de leer van de zijnden, en daar blijft het vreemd.

Maar vreemd ook in de betekenis van aangenaam prikkelend, zeker wanneer gecontrasteerd met enkele decennia cognitieve psychologie, met ‘schema’s’ en stapels verwante maar van een andere naam voorziene ‘mentale afbeeldingen’ van de werkelijkheid, opgenomen in causale, soms circulaire, systeemketens, met ‘behoeften’ als brandstof.

Soms schrijft Smith meer begrijpelijk, bijvoorbeeld over hoe ervaring het perspectief op situaties veranderen kan, wat kan leiden tot omslagen waarvoor termen als ‘revelatie’ of het ‘de schellen van de ogen vallen’ geschikt lijken: “Experience transforms perspective, and transformations in perspective, to Eliot, constitute real changes in the world. (..) Experience, for Eliot, was a powerful way of knowing” (p.47, geciteerd naar de Engelse versie op Google-books). Hier krijgt ‘ervaring’ normatieve boventonen. Ervaring is ‘ware ervaring’, niet zelfmisleiding. Waarom dat zo is, blijft onduidelijk – misschien omdat Eliot’s conatus essendi volgens Smith met natuurwetenschappelijke noodwendigheid de waarheid veroorzaken moet?

In ‘Two paths for the novel’ is Smith’s kritiek op een dominante vorm van hedendaagse romans meer psychologisch-inhoudelijk gedreven dan in het Eliot-essay. Ze zet vraagtekens bij hoe de roman Netherland de ontwikkeling van een personage en de werking van het menselijk geheugen voorstelt:

Is dit werkelijk hoe het voelt, een ‘ik’ te hebben? Zoeken ‘ikken’ uiteindelijk toch altijd wat goed voor ze is? Zijn ze nooit pervers? Willen ze altijd betekenis? (..) Keren onze kinderjaren zo vaak tot ons terug in de vorm van coherente, lyrische dromerijen? (Ik heb mij bedacht, p.105)

In dit essay blijkt Smith niet te geloven in een innerlijke drang om tot klaarheid te komen. Waar die drang tot zelfkennis dan wel vandaan komt, maakt Smith niet duidelijk.

De epifanie – echt, literair en cerebraal
Misschien helpt een nadere studie van de epifanie, een van de manieren van tot (zelf)kennis komen, ons verder. De epifanie is het wonderlijk moment – werkelijk of literaire conventie – waarop mensen/ personages een (hoger) inzicht toevalt. Eliot was dol op zulke momenten van het ‘de schellen van de ogen vallen’, lazen we bij Smith.

Laten we, ten behoeve van de discussie, aannemen dat epifanieën in de werkelijkheid voorkomen en niet slechts literaire uitvinding zijn. Dan roept de epifanie psychologische, filosofische en literaire vragen op.

Waarschijnlijk ontstaat de openbaring niet in het moment maar is voorbereid. De epifanie is weliswaar het moment dat ‘het muntje valt’, waarop wat tot dan losse stukjes leken zich als patroon onthullen, het moment waarop een façade ineen zijgt en de wereld een andere aanblik krijgt, zich verruimt, verdiept – maar dat moment komt niet uit de lucht vallen, zal toch ergens op moeten aansluiten, een aanloop, geschiedenis moeten hebben. Bij Eliot is het culminatie – term om een kwalitatieve omslag mee aan te duiden – van een Spinozaanse causaliteit. Mogelijke vragen:

  1. Bereid je ‘zelf’ de weg voor dat omslagmoment? Wat voor ‘zelf’ is dat dan?
  2. Wat is de epistemologische status, de geldigheid van de overvallende ‘ervaring’? Is die even onbetwijfelbaar waar als sommige opluchtende huilbuien, waarvan je niet alleen niet betwijfelt dat ze met verdriet te maken hebben en niet met blijdschap – behalve voor zover de opluchting, als regen bij een eindelijk losgebarsten onweer, een vorm van blijdschap is – maar waarvan de betekenis, de oorzaak/reden, volledig of minstens grotendeels te begrijpen is uit de inhoud van de het huilen begeleidende gedachten en herinneringen of die in elk geval aanvoelt als ‘jou’ – zoals zelfs het sterkst gevoel van vervreemding nog een verwijzing naar niet-vervreemding inhoudt (anders zou men niet
    lijden)? Is het soms de tegenhanger van dat gevoel van vervreemding, een onbetwijfelbaar gevoel van ‘echtheid’?

Wikipedia definieert ‘epifanie’, zich waarschijnlijk baserend op hoogleraar nieuwe Nederlandse letterkunde Van Halsema, als een plotselinge, verwarrende openbaring:

Een zich aan de ratio onttrekkende, plotselinge, kortdurende, diep inwerkende ervaring waarin een zintuiglijk waarneembaar element in de gewone, alledaagse werkelijkheid een niet binnen een gangbaar kader te plaatsen reactie oproept bij wie het ondergaat.

Hier lijkt het ‘zintuiglijk waarneembaar element’ de credits van de epifanie te krijgen. Aannemelijker lijkt me dat een element van de buitenwereld alleen bijzondere betekenis verkrijgen kan als het aansluit op, maar onverwachte draai geeft aan, wat de waarnemer op dat moment bezighoudt; het functioneert als equivalent van de treffende metafoor, waarbij ook iets bekends een tot dan toe onbekends doet oplichten.

Ook geeft de definitie goed weer dat bij een epifanie minder een onjuist feitje door een beter wordt vervangen dan dat ‘kaders’ schuiven. De epifanie markeert het indalen (zich realiseren, beleven) van een nieuwe interpretatie, waarmee/waarna feiten andere feiten worden.

‘Why don’t you dance’, een kort verhaal van Raymond Carver, kan als voorbeeld dienen. De plot is snel verteld. Man houdt yard sale. Zijn relatie is zojuist beëindigd, vermoeden we. Zijn interieur staat in de tuin. Een jong stel rijdt langs, stopt en probeert onder andere het bed uit. Hun communicatie verloopt stroef en doet de lezer vrezen voor de bestendigheid van hun verbintenis. De vrouw probeert slim te onderhandelen maar het is niet nodig, iedere prijs is goed. De oude man draait plaatjes, danst met haar, laat de buren kijken. Het slot:

Weeks later, she said: “The guy was about middle-aged. All his things right there in his yard. No lie. We got real pissed and danced. In the driveway. Oh, my God. Don’t laugh. He played us these records. Look at this record-player. The old guy gave it to us. And all these crappy records. Will you look at this shit?”

She kept talking. She told everyone. There was more to it, and she was trying to get it talked out. After a time, she quit trying.

Apart is dat het verhaal niet vermeldt hoe de jonge vrouw de situatie op het moment beleeft. Kennelijk was het indrukwekkend, want weken later heeft ze het er nog over. Hier zou men met De Boer kunnen beweren dat ‘de handeling het motief pas duidelijk maakt en de handeling een niet geïntendeerd overschot aan betekenis heeft’ maar daar tegen pleit dat de vrouw meer reactief is. De man zet de plaatjes op en nodigt haar uit tot dansen. Ze stemt wel in.

Mooi vind ik de suggestie dat de man door zijn handelen een boodschap overbrengt – leef nu, wat is nu echt belangrijk in het leven: genieten, contact, bezit, goedkeuring van de buren? – die te groot is voor de jonge vrouw om te bevatten, in woorden te vatten. Het verhaal eindigt op het moment dat het muntje wil vallen maar nog ergens steken blijft.

Tegelijk is het drankgebruik contrapunt: misschien verbrandde de man wel alle schepen achter zich, was zijn lichtheid die van de roes na het doorknippen van laatste banden. Misschien reed hij zich hierna te pletter. Dit lijkt me een literaire verdienste.

Ook is het mogelijk dat de vrouw wegens een gebrekkige ontwikkeling, misschien een niet gewend zijn bij zichzelf stil te staan, niet bij machte is te duiden wat haar is overkomen. Misschien is het dan geen epifanie. Als haar leven op geen enkele manier verandert nadat ze “stopt met proberen” te duiden, is er dan wel wat gebeurd?

Misschien wel. Het is een plompe eis, “het leven veranderen”, met verholen ongeduld. Misschien ontplooit de ontmoeting met de man pas jaren later haar volle werking, naar aanleiding van, en in tandem met, een verwante latere gebeurtenis.

Toch blijft de twijfel. Er is geen garantie dat een epifanie niet toch een waan, illusie of, op zijn breedst geformuleerd, een minder overtuigende interpretatie is. De gearticuleerde epifanie is te toetsen op de ‘zwakke’ manier van alle interpretaties. Het overrompelend karakter is geen garantie van gelijk, waarheid geen gevoel, een epifanie niet zelfevident.

Misschien kun je je het zo voorstellen: de epifanie heeft een krachtige nawerking in de herinnering. Als uitzonderlijke gebeurtenis wordt zij opgeslagen in het autobiografisch geheugen. Die herinnering is meer dan talig en meer dan het eventuele (niet meer naar de gebeurtenis te herleiden) spoor dat zij in het semantisch geheugen achterlaat.

Een epifanie kenmerkt zich onder andere door emoties die te maken hebben met kennis, met ‘op het verkeerde been gezet worden': ontsteltenis, verwarring, verwondering. De herinnerde overweldiging overtuigt onafhankelijk van de overtuigingskracht van de interpretatie, de ‘articulatie’ in taal, van de epifanie, zonder daarvoor in de plaats te kunnen komen. Immers, sterk overtuigd zijn van je gelijk is geen bewijs van je gelijk; net zomin gaat dat op voor het overweldigend karakter van de epifanie. En herinneringen slijten (hier zou iemand de blijvend inspirerende kracht van sommige bijna doodervaringen tegenin kunnen brengen).

Het plots indalen van ‘psychologische’ (zelf)kennis is tegenwoordig minder omstreden dan een ‘metafysische’ epifanie. Het eerste vergt slechts het geloof in het vermogen aanvechtingen de kop te kunnen indrukken, zo sterk dat je ze zelfs niet meer beleeft. Het epifanisch moment – misschien geen epifanie in optima forma – is dan dat waarop wat weggedrukt werd toegelaten en (voorzichtig) erkend wordt.

Wanneer mensen maatschappelijk omstreden aanvechtingen onderdrukken om afkeuring te voorkomen, is de epifanie een krachtig moment van zich toe-eigenen. Maar ook andere inzichten kunnen indalen. In Middlemarch realiseert een echtgenoot zich bijvoorbeeld op een bepaald moment dat hij al die jaren zijn vrouw niet begrepen heeft. Hij heeft bepaalde interpretaties weg gedrukt. Toelaten daarvan zou zijn vrouw in een door hem ongewenst licht doen verschijnen. In beide gevallen volgt het ‘de schellen van de ogen vallen’ op een eerder ‘niet onder ogen willen zien’.

Smith gelooft ook in andere vormen van zelfmisleiding, misschien minder gebaseerd op verbod dan op verleiding. Mensen zouden hun ikken dezer dagen als een ‘consumentenproduct’ beleven: ” ‘een ik is iets wat je gewoon hebt’, zoals je een auto hebt, of een huis, of een bankrekening. [Maar ikken zijn geen consumentenproducten (..).]” (o.c, p.365). Hier lijkt wat in andere contexten een slap excuus is (“Ik ben die ik ben”) te worden beschreven als moreel neutraal product van opgroeien in een wereld vol reclameboodschappen, met als resultaat een treurig aandoende zelfopvatting. Smith laat in het midden of zulke mensen (gedeeltelijk) moreel laakbaar zijn voor hoe ze doen en praten.

De metafysische epifanie reikt voorbij het ‘ik’ en de ‘ander’, ook voorbij de ander niet langer vertekend waargenomen door sterke eigen behoeften, verlangens of verwachtingen. Niettemin doet ook de metafysische epifanie een beroep op ‘natuurlijkheid’, in dat geval ‘bovennatuurlijkheid’. Het metafysische hoort ‘ontdekking’ te zijn, geen ‘uitvinding’. Roept men daarbij spirituele grootheden in en aan die onafhankelijk van ons bestaan, op een ‘materiëler’ wijze dan literaire of filmpersonages, dan haken veel hedendaagse mensen af.

Schrijver en dichter Willem Jan Otten, rooms-katholiek geworden, lijkt hier conceptueel verstrikt te raken. Bij mij wil, wanneer ik zijn ‘apologieën’ hoor of lees, het wonder zich in elk geval niet voltrekken. Otten boeit, omdat taalkunstenaar, geen kermiskoopman, niet uit op bekering. Hij worstelt om de juiste woorden te vinden voor zijn ‘ervaringen’, die hem naar zijn mening toevallen (ervaring “die in hem geplant wordt”). In de clip hieronder spreekt hij van ‘analogieën’. Analogieën zijn om te zetten in metaforen maar in beide gevallen verhelderen ze, voor de afhaker, niets Onbekends. Het vakje waar bij Otten, naar zijn mening, iets zat waardoor Jezus van abstracte leraar en handelaar in sterke overtuigingen tot (levende) ‘persoon’ geworden is, is bij hen, volgens hen, leeg.

Hierin slechts consistent, meent Otten dat het vakje bij afhakers wel degelijk gevuld is – hier baseer ik me op de titel van de clip, “Willem Jan Otten: ‘Ik geloof mensen die niet geloven niet meer’. Omgekeerd menen afhakers dat Otten’s verbeeldingskracht hier met hem op de loop gegaan is. Deze discussie kunt u vast dromen. ‘Het mag niet waar zijn dus er is vast een andere, natuurlijke [psychologische] verklaring voor’ versus ‘Het is waar, no sweat’.

Integer toont Otten zich door zelfs in een spontaan geformuleerde interviewzin het woord ‘schijnbaar’ in te vlechten – “deze ervaring die schijnbaar in mij geplant wordt”. Otten legt de klemtoon op ‘geplant’ maar mijns inziens benadrukt hij in het ‘mij’ het ook van Otten’s kant uit ‘persoonlijk’ karakter van de ervaring van Jezus. Even later spreekt hij veralgemeniserend over dezelfde ervaring als ‘deelnemen aan de communie’. Het element van zorg voor het kleine mensje blijft hierin echter behouden, wat mij treft als een opmerkelijke verhouding tot het opperwezen, van de ‘machteloze God’-soort..

Minst slechte benadering in woorden van de ‘ontroering’ van een contact met een persoonlijke Jezus vindt Otten het moment waarop je baby voor het eerst naar je glimlacht en zo tot ‘mensje’ promoveert (hierin begrepen lijkt toch ook een element van een kwalitatieve sprong – ‘transcendentie’ lijkt hier de steeds betwiste, onuitgesproken term – hoewel die transcendentie door het element van commitment, zoals de ouder zorg voelt voor zijn of haar baby, de glorie mist van de klassieke luisterrijke christelijke God)

Een tussengeval zijn epifanieën waarbij iemand de begrenzingen van een door opvoeding of cultuur gevestigd ‘zelf’ ervaart en dus er doorheen breekt, althans een ‘voorbij’ vermoedt. Welk ‘voorbij’ wordt dan voelbaar? Wil men niet religieus worden, dan moet het gaan om ‘altijd al aanwezige’ potenties die geen uitdrukking mochten vinden. Niet ‘ik val op mensen van mijn eigen sekse’ en ook niet ‘ik ben ambitieus (in plaats van bescheiden)’ maar verder reikend. Maar als dat zo is, kun je dan nog wel van ‘potenties’ spreken? ‘Potentie’ gebruiken, is zeggen dat wat van buiten lijkt te komen van binnen komt. Het is het schema van de (zelf)ontplooiing. De Boer, zelf christelijk, onderscheidt het niveau van de ontologie, waarop de conatus essendi zich bevindt, van dat van de ethische transcendentaalfilosofie van Levinas. De conatus essendi is meer een aan leven/materie inherente ‘zucht tot waarheid over zichzelf’. Authenticiteit is voor De Boer een ontologische, geen ethische waarde. ‘De crimineel kan ook authentiek zijn’.

Dit tussentype epifanie, waarbij authenticiteit het vlietende maar nagestreefde ideaal lijkt te zijn, heeft de interesse van Zadie Smith en volgens haar ook van David Foster Wallace. Onder andere de moeizame doorbraak bij Natalie (in NW) is van deze aard. Ik haal hem aan in mijn posting over NW. Natalie, chronisch geplaagd door een gevoel niet te bestaan, een gevoel van identiteitsloosheid, voelt dit plots wel, gekoppeld aan een gevoel van verantwoordelijkheid voor het kind in haar armen. Tegelijk blijft een psychologische problematiek – angst voor de ander – onverminderd bestaan (sorry, Otten). Natalie’s besef:

A child. Children. Not babies, not something to be merely managed any longer. Beautiful, un- knowable, and not her arms or legs or any other extension of her. Natalie pressed Spike [haar tweede kind] so tightly to her person he started to complain. It was knowledge as a sublime sort of gift, inadvertently given. She wanted to give her friend something of equal value in return.

If candor were a thing in the world that a person could hold and retain, if it were an object, maybe Natalie Blake would have seen that the perfect gift at this moment was an honest ac- count of her own difficulties and ambivalences, clearly stated, without disguise, embellish- ment or prettification. But Natalie Blake’s instinct for self-defense, for selfpreservation, was simply too strong.

Belangrijk bij zowel Smith als Wallace is nederigheid, een terugtrekken van het ‘ik’, en beiden kenmerken zich door de gerichtheid op intimiteit, op (het voelen van) een connectie met de ander – niet op zelfkennis dus. Probleem is het ontbreken van werkelijke verbondenheid, een gevoelde opgeslotenheid in zichzelf. De ander verschijnt als verlengstuk van de eigen noden en behoeften en, in Natalie’s geval, als plicht. Waar, in de analogie van Otten, de baby mensje wordt bij de eerste glimlach, is Natalie’s tweejarige Spike ‘object’ gebleven. Ze heeft zijn glimlach niet gezien of niet als blijk van wederkerige erkenning als bodemloos raadsel ervaren. Natalie ervaart een ‘sense of self’ – het woord ‘person’ duidt misschien een promotie ten opzichte van de eerdere identiteitsloosheid aan – op het moment dat ze haar kind ervaart als onafhankelijk van haarzelf bestaand. Het is niet op haar maat te snijden, is ‘unknowable’, maar de daarmee geven eenzaamheid en voorzienbare communicatieproblemen zijn te prefereren en basis voor…contact.

Natalie doet geen ‘weetje’ op maar ondergaat een ervaring waarin ‘kennis’ begrepen is. Ze ontvangt een ‘subliem’ cadeau door Spike ‘inadvertently’ – ‘onachtzaam’, ‘onoplettend’, ‘onbewust’ – gegeven (inderdaad, veel manipulatieve intenties kun je een tweejarige nog niet toeschrijven, maar die natuur in hem, die natuur die hij is, wat moet je ermee?). De volgende alinea suggereert dat Natalie daarna ‘open’ staat, want openhartigheid (candor) tegen die tweede onkenbare ter plaatse, haar ‘vriendin’ Leah, zou een ‘cadeau van gelijke waarde’ zijn.

Om een gevoel van echtheid lijkt het ook Wallace te doen. Meer dan Smith, die een extraverte en flapuitkant heeft, wekt Wallace de indruk van een hypercerebraal. In B.I #20 (Brief Interview #20) laat hij een cerebraal type, dat graag de controle houdt en meent veel te weten, converseren met een naamloze vrouw, die hij als feministe beleeft. Het cerebrale type vertelt haar over een liefje voor een nacht, een gemakkelijk te veroveren, voorspelbaar New Age-meisje, op wier levenshouding en gedachten hij neerkeek. Maar een anekdote na de seks overrompelt hem.

Wallace maakt er een buitenissig verhaal van. In de ‘anekdote’ – binnen de fictie ‘waar gebeurd’ – ontsnapt het hippiemeisje aan verkrachting en moord door een psychotische seriemoordenaar door zich intens op diens ziel te concentreren, conform de beginselen van haar levensfilosofie. Slap als die filosofie mag zijn, haar verhaal overtuigt het cerebrale type toch ergens wel.

Hier de ‘tekenen’ waarmee het meisje het cerebrale type ontwapent, terwijl ze haar gruwelijke geschiedenis vertelt:

Her delivery had little or no – she seemed simply to relate what had happened without com- menting one way or the other, or reacting. Although nor was she dissociated or monotonous. There was a disingen- an equanimity about her, a sense of residence in herself or a type of artlessness that did, does, that resembled a type of intent concentration. (Brief interviews with hideous men, p.260)

Later noemt hij haar beschrijving “rhetorically innocent” (p.266). Eerder contrasteert hij haar met anderen, hierin meteen onbedoeld een goede indruk van zijn geharnaste, licht pedante zelf gevend:

That she was not melodramatic about it, the anecdote, telling me, nor affecting an unnatural calm the way some people affect an unnatural nonchalance about narrating an incident that is meant to heighten their story’s drama and/or make them appear nonchalant and sophisticated, one or the other of which is often the most annoying part of listening to certain types of beauti- ful women structure a story or anecdote – that they are used to high levels of people’s attenti- on, and need to feel that they control it, always trying to control the precise type and degree of your attention instead of simply trusting that you are paying the appropriate degree of atten- tion. (..) But she was, or seemed, oddly unposed for someone this attractive and with this dra- matic a story to tell. It struck me, listening. She seemed truly poseless in relating it, open to at- tention but not solicitous – nor contemptuous of the attention, or affecting disdain or contempt, which I hate. (idem, p.253)

De nonverbale kwaliteiten van haar voordracht zijn dus onderdeel van haar overtuigingskracht. Haar ogenschijnlijke gebrek aan zelfbewustzijn lijkt benijde eigenschap. De man noemt ook haar oprechtheid en gebrek aan geliktheid (hij wordt uiteindelijk verliefd op haar):

It was tribute to the – her odd affectless sincerity that I found myself hearing expressions like fear gripping her soul, unquote, as less as televisual clichés or melodrama but as sincere if not particular artful attempts simply to describe what it must have felt like (..). (p.254)

Het mannelijk personage komt ter plekke door haar overtuigende voordrachtskunst in een andere bewustzijnstoestand, “listening both intellectually and emotionally” (p.265), waarbij hem meerdere dingen tegelijk door het hoofd schieten, verbonden met haar voortgaand relaas. Ook hun ontmoeting, nog zo kort geleden, neemt (mij niet overtuigende) epifanische kwaliteiten aan:

remembering in near-hallucinatory detail that evening’s outdoor concert and festival and the configurations of people on the grass and blankets and the parade of lesbian folk singers on the poorly amplified stage, the very configuration of the clouds overhead and the foam in Tad’s cup and the smell of the various conventional and non-aerosol  insect repellents and Silverglade’s cologne and barbecued food and sunburned children [enz] (p.266)

Blijft over de bedenkelijke kwaliteit van haar filosofietje. Ze heeft ermee het vege lijf gered en kan oprecht van de waarheid overtuigd zijn, maar dat maakt het nog niet waar. Schimpend op wat hij vermoedt dat het voorspelbare, cerebrale commentaar van zijn vrouwelijke gesprekspartner zal zijn op de mening van de verkrachte en bijna vermoorde vrouw, dat haar ontmoeting met de psychotische verkrachter haar meer over liefde geleerd heeft dan enig andere fase in haar spirituele reis, geeft hij zijn mening over waarheid en onwaarheid:

I did not care whether it was quote true. It would depend what you meant by true. I simply didn’t care. I was moved, changed – believe what you will. (..) And that whether or not what she believed happened happened – it seemed true even if it wasn’t. That even if the whole focused-soul-connection theology, that even if it was just catachrestic New Age goo, her belief in it had saved her life, so whether or not it is goo becomes irrelevant, no? (..) I’d fallen in love with her. I believed she could save me. I know how this sounds, trust me. I know your type (..). (p.271)

Hier gebruikt Wallace een retorisch foefje dat hij wel vaker toepast. Door het mannelijk personage te laten schimpen op een vermoede criticaster, krijgt het sentimenteel aandoende hoogtepunt (“Ik geloofde dat ze me kon redden”, en het slot: “I knew I loved. End of story”) door contrastwerking iets meer gewicht. Als iemand de moeite schijnt te willen nemen het te willen aanvechten (in plaats van beschaamd het hoofd af te wenden, bijvoorbeeld), moet het haast wel een serieus te nemen mening zijn.

Ook Smith gebruikt, in de aangehaalde epifanie van Natalie, een oneigenlijk overtuigingsmiddel. Door de ervaring “knowledge as a sublime sort of gift” te noemen, trekt ze het bij de categorie van sublieme ervaringen, zoals aardbevingen. Die neig je niet te betwijfelen. Maar de ervaring van natuurverschijnselen als ‘subliem’ is niet puur natuur. ‘Subliem’ is een historisch traceerbare culturele notie. Het woord stelt Smith in staat twee verschijnselen met elkaar in verband te brengen waartussen men spontaan niet snel een verband zou leggen: een moeder met een kind in haar armen en een krachtige natuurmanifestatie.

Zo bevestigen de voorbeelden van Natalie en BI #20 de spanningsverhouding tussen beleving en taal, en het probleem van ‘waarheid’, van rechtvaardiging van kennisclaims.

Het tegendeel van een epifanie, want geen inzichten opleverend, is cerebraal gemaal. Dat contrasteert ook met een manier van beleven waarin denken en voelen meer op elkaar betrokken zijn. Bij gebrek aan emoties en toe-eigening blijven interpretaties bij malen steriel. Mensen kunnen interpretaties eindeloos tegen elkaar blijven uitspelen. Dat kan uiting van zelfvervuldheid zijn.

topos van de Joods-Amerikaanse tweede generatie-intellectueel: veel praten, ondiep gevoel

Literair bekeken kan een niet-realistisch beoogd malend personage het authentiek gevoel van de schepper verbeelden van ankers losgeslagen te zijn. Het gemaal focust op de doorgaans impliciet blijvende af- wegingen die aan gevoelens ten grondslag liggen en benadrukt zo het culturele van gevoelens. Ook kan een malend personage nuttig tegengif zijn tegen sommig verlangen naar authenticiteit, wanneer dat laatste wordt voorgesteld als een terugkeer naar een vooraf ‘gegeven’ natuurlijkheid.

Maar beide varianten kleeft hetzelfde bezwaar aan als een louter als literaire kunstgreep gebruikte epifanie. ‘Epifanie’ is van oorsprong een religieus verschijnsel en begrip. Hoewel het mogelijk is via dit religi- eus topos waarheid over zichzelf of de wereld over te brengen, is het de vraag of dat geen versteende vorm is. Is het geen uitdagender opdracht voor de schrijver, en lonender voor de lezer, te proberen het werkelijk proces van tot inzicht komen literair te reconstrueren?

Niet zoals men altijd leest dat Zola dingen aanpakte in zijn ‘naturalistische’ romans, waar de degeneratie van de derde generatie van de gedoemde familie onvermijdelijk is, gegeven de door Zola in de roman ge- incorporeerde wetenschappelijke inzichten van zijn tijd. Meer een evocatie, meer kunst, maar toch met, naar beste vermogen, belichting van wat doorslaggevende momenten of juist trage maar wezenlijke pro- cessen schenen (als men daarop al zicht heeft).

Wallace is mijns inziens helaas sterk in ‘cerebraal malen’. Smith noemt hem reeds in het Eliot-essay, di- rect na de door mij aangehaalde en gehekelde ‘ontleedmes’-zin: “Ze [Eliot] is hierin heel modern, ze ver- woordt de obsessieve cirkels van zelfbewustzijn en zelfbedrog even scherp als die andere meester van de breedsprakigheid, David Foster Wallace”. (o.c, p.48)

Smith looft Wallace hier als schrijver die breedsprakigheid aan de orde stelt, niet er last van heeft. Maar in haar essay over Brief interviews with hideous men benoemt ze ook de nadelen van zijn overmatige taal- en vormbewustheid. Zo vindt ze het weliswaar “zowel ernstig als prachtig” dat sommige van zijn verhalen zijn geschreven vanuit de overtuiging “dat woorden werelden zijn, dat geen enkele taal neutraal is” maar aan de andere kant: “Dat dergelijke taalfantasieën übersuf en omslachtig zijn valt echt niet te ontkennen” (p.354, 355).

Als het misgaat bezorgen zijn verhalen haar:

Een ondraaglijk gevoel, en het gewicht van alles wat daar tegen de lezer wordt opgestapeld on- overkomelijk is: ontbrekende context, retorische ingewikkeldheden, (..) grotesk of absurd mate- riaal voor het onderwerp, een taal die – tegelijkertijd! – kinderlijk scatologisch en op een oer- vervelende wijze obscuur is. (p.340)

In reactie op de lezing van Wallace voor afstuderende studenten van Kenyon College in 2005, die als ‘Dit is water’ geschiedenis heeft gemaakt, schrijft ze:

Maar je kunt ook teveel over water nadenken. Je kunt vergeten hoe je ook weer moet zwemmen. Je kunt een extreem zelfbewustzijn ontwikkelen met betrekking tot vorm (..). (p.356)

Gebrek aan doorleefdheid lees ik als kritiek in de volgende opmerking over Wallace’s voorliefde voor “animerende gemeenplaatsen” die de eigenschap hebben mensen te kunnen verbinden, zoals de in de VS gebruikte “Loop maar eens een paar kilometer in andermans schoenen”:

Toch schuilt in het optimisme ervan iets wat niet helemaal overtuigend is. Ik heb het gevoel dat ze me meer iets bieden van een gewilde oplossing dan van een die instinctmatig en diep gevoeld is. [Dit is niet slecht: het draagt bij tot de dwingende ambivalentie ervan]. (p.351, mijn cursive- ring)

Mij overtuigen zelfs sommige verhalen van Wallace die Smith overtuigend vindt niet. Zo vind ik ook ‘Think’, anders dan Smith, voorbeeld van gemaal. De plot: een vrouw benadert het mannelijk personage halfnaakt. Haar oudere zus is met echtgenoot en kinderen, samen met de echtgenote en de zoon van het mannelijk personage, naar de mall. Nu worden hem eerdere zinspelingen gedurende het weekend duide- lijk.

Hij meent dat de vrouw haar gedrag modelleert naar voorbeelden uit film en tijdschriften; dat ze, als hij het haar zou vragen, haar schoenen met hoge hakken als enige aanhouden zou en hem een veelbeteke- nende, wereldwijze glimlach toewerpen (“knowing, smoky smile, Page 18 [van de catalogus van Victoria's Secret]” en “[Her expression] meant to convey sophistication, the loss of all illusions long ago”), terwijl het de eerste keer zou kunnen zijn dat ze zo zou rondlopen.

De vrouw is, kortom, onecht. Hoogstens wordt gesuggereerd dat de man trekken van zichzelf in haar herkent en, anders dan haar, hieruit weg wil. Het epifaniekarakter zit hem in de gesuggereerde sponta- niteit van het knielen willen – want dat wil en doet het mannelijk personage:

His own forehead snaps clear. He thinks to kneel. (..) What cleared his forehead’s lines was a type of revelation. (..) It’s not even that he decides to kneel – he simply finds he feels weight against his knees.

De epifanie is onovertuigend. Misschien dat hij daarom als ‘soort van’ revelatie wordt gekwalificeerd. Hier zien we een voor Wallace typerende onduidelijkheid: denkt het personage deze metagedachte (“Dit is misschien geen echte maar een soort van epifanie”) of een intellectuele vertelinstantie (geen vervan- ger van een liefhebbende Jezus, zoals bij Eliot, maar een benutte mogelijkheid van de taal)? De recursi- viteit maakt het mogelijk dit onbeslist te laten.

De man oordeelt over de vrouw maar blijft zelf een positief bedoeld zwart gat. Zijn verhevigde waarne- ming beperkt zich tot het tegen zijn knieën voelen drukken van het patroon van de stof van zijn lange broek en de textuur van het vloerkleed.

Aan zijn gesuggereerde overweldiging wordt verder afbreuk gedaan door zijn kritiek op de vrouw terwijl de revelatie zich voltrekt: “Ze zou toch kunnen proberen, al was het maar eventjes, zich voor te stellen wat er in zijn hoofd omgaat”. Het verwijt wordt even later herhaald. Ook bij de start van het verhaal en de revelatie kan de man niet nalaten, voor of gelijktijdig met het op zijn knieën zinken, te bedenken hoe zij de ingezette smeking verkeerd kan interpreteren (heel misschien – ik denk het niet – suggereert Wallace ijdelheid bij de man).

Ook de verteller – ik kan me tenminste niet voorstellen dat het mannelijk personage zo kijkt of wordt overweldigd – ontdoet de situatie van kracht door een vreemde, geometrisch-geografische beschrijving van een ontblote borst: “In quick profile as she turns to close the door her breast is a half-globe at the bottom, a ski-jump curve above”. Tegelijk suggereert het inzoomen dat het mannelijk personage seksu- eel geprikkeld is, wat wordt bevestigd door het vermelden van stadia van rood worden.

Meer in het algemeen dringt de auteur, Wallace, zich in het verhaal op, door bepaalde maniërismen die als de zijne herkenbaar zijn:

  • Wallace is een taalfetisjist: het personage – en anders Wallace wel – onderscheidt nadrukkelijk drie vormen van ontbloten: “Her breasts are unconfined now”, “her breasts have come free”, “a different man might have said what he’d seen was her hand moved to her bra and freed her breasts”.
  • Zoals de revelatie het voorhoofd van de man van fronsen bevrijdt (“His own forehead snaps clear” – woordgrapje, de voorafgaande, tevens openingszin van het verhaal luidt: “Her brassiere’s snaps are in the front”), doet de vraag van de vrouw (vermoedelijk “Wat is dit?”) zijn voorhoofd “pucker”, waarna het voorhoofd van de vrouw op het eind van het verhaal “a puzzled line” vormt, een vooruitgang ver- geleken met haar eerdere onoorspronkelijke gelaatsexpressies, althans volgens de man.

Misschien kun je het verhaal zo interpreteren dat de man weet heeft van zijn dubbelheid, zijn onvermo- gen. In dat geval is het een wanhopig door de knieën zakken: is er geen ontsnapping aan deze onecht- heid, aan dit afkeurenswaardig gedrag? Biografische noot is dat Wallace in deze periode erg veel vrouwen probeerde te veroveren en daar dubbele gevoelens over had – in het verhaal ziet de man in zijn verbeel- ding zijn vrouw en zoontje staan, “his wife’s hand is on his small son’s shoulders in an almost fatherly way”.

Interessante vraag is of de beoogde epifanie in de richting van zelfkennis of on-/bovenpersoonlijke ken- nis tendeert. Waar het ‘zelf’ nep lijkt, zou het om een streven naar echtheid kunnen gaan, waarbij ‘psy- chologische’ zelfkennis volstaat. Het op de knieën gaan – er wordt vermeld dat de man naar het plafond staart en geluidloos prevelt (“His lips are soundlessly moving”) – is dan nieuwe vorm van nep, overdre- ven pathetiek voor iets waarvoor je God niet nodig lijkt te hebben, tenzij het een retorisch prevelen is – als in ‘retorische vraag’ – maar dan blijft het pathetisch.

Ook hier is een biografische parallel. Wallace zat bij een AA-groep. Een van de regels was overgave aan een macht hoger of groter dan de mens. Zijn ‘sponsor’, een bijzondere steun en toeverlaat, leerde hem het apocriefe gebed van Sint Franciscus, Wallace reciteerde het vaak ((D.T. Max – Every love story is a ghost story. A life of David Foster Wallace, Granta paperbackversieo.c, p.114). In een rehabilitatiecen- trum zag Wallace medecliënten knielen en een ander AA-gebed opzeggen. Hij probeerde het zelf ook een keer maar het voelde hypocriet. Toch citeerde hij later graag een ervaren AA-lid: “It’s not about whether or not you believe, asshole, it’s about getting down and asking” (o.c, p.315).

‘Think’ eindigt met de man bezig met de vrouw: “And what if she joined him on the floor, just like this, clasped in supplication: just this way”. Iets geopenbaard krijgen volgt doorgaans op smeken en het geo- penbaarde is dan op zelf of wereld betrokken maar ‘wereld’ niet in de zin een standje ‘om bestwil’ geven aan de vrouw. De man lijkt te schmieren als zuiverheidsapostel, lijdend voor de mensheid.

Dit is geen rare gedachte:

  1. Wallace verlangde van zijn lezers hem te vertrouwen, aldus Smith: “Sommige schrijvers willen mee- voelende lezers; sommigen willen lezers met gevoel voor humor; weer anderen willen hun lezers op de politieke barricaden hebben, aangevuurd en gereed om eropaf te gaan. Het is raar om te zeggen, maar wat Wallace wilde was gelovige lezers” (Ik heb mij bedacht, p.357) Ik oordeel dat een ongepast ver- zoek. Verder zou de tekst op eigen kracht moeten kunnen overtuigen. In die zin is zo’n buiten-lite- rair appel een zwaktebod.
  2. Dostojevski was belangrijke invloed op de roman Infinite Jest van Wallace (Max, o.c, p.288). De structuur van die roman heeft overeenkomsten met die van De gebroeders Karamazov, met inbe- grip van een niet in de wereld passend personage van heilige idioot. De man in ‘Think’ lijkt te sollici- teren naar deze rol.

Maar we komen niet achter wat in de man omgaat, daar de vertelinstantie ons geen toegang verleent tot zijn menigvuldige gedachten en gevoelens. Dat is geen respectvol ongemoeid laten, want de vertelwijze van ‘Think’ is verre van neutraal. De vrouw wordt nogal vooringenomen veroordeeld.

Wat betreft het ingeslikt verwijt aan de vrouw en de voor haar waarschijnlijk onbegrijpelijke geste: de man zou haar ook op helderder en minder dramatische wijze duidelijk kunnen maken dat overspel plegen één ding is, maar dat hij niet gediend is van Victoria’s Secret-schertsvertoningen – of op een vriendelij- ker manier bedanken voor het aanbod. De door hem gekozen vorm duidt er niet op dat zijn eerste doel communiceren is.

Je zou kunnen concluderen: de puurheid van de man, of de puurheid van zijn verlangen naar puurheid, is verondersteld en krijgt beoogd glans door de vrouw in negatieve termen af te schilderen. Maar voor mij laat de man zich in zijn geoordeel teveel in de kaart kijken. Hij heeft niets van het hippiemeisje in B.I #20 dat haar verhaal vertelt “without commenting one way or the other”.

Smith is wel overtuigd en duidt de knieval in het verhaal als volgt:

[De man] voelt de plotseling opkomende drang zich een menselijk wezen te voelen, dat wil zeg- gen, vernederd, en werkelijk verbonden, zowel met de persoon die daar naakt voor hem staat als met de wereld. (o.c, p.338-339)

Later duidt zij dit als een ‘gebed’ zoals het ervaren AA-lid het Wallace voorhield, alleen klonk het bij hem een stuk prozaïscher:

Uiteindelijk gaan de werkelijk sublieme, angstaanjagende momenten in Brief interviews  … (..) Het echte mysterie, de werkelijke magie, liggen in die quasimystieke momenten, portretten van een extreme schepte en een volledig afstand doen. Misschien voelen we ons beter als we dit ‘me- ditatie’ noemen, maar ik geloof dat het juiste woord echt gebed is. Immers, wat doet de man in ‘Denk’ anders wanneer hij zich op zijn knieën laat vallen en zijn handen vouwt? (..) Het is waar dat dit een los in de lucht hangend gebed is, zonder zijn gebruikelijke doel, God, maar het is nog altijd gericht, zichzelf vergetend, en het gaat in een buitenwaartse richting, naar het onpeilbare (wat volgens de mystiek God is). Het is het L-woord ['Liefde', Smith verwijst naar het New Age-meisje dat het woord zonder schroom gebruikt in haar anekdote over de psychotische ver- krachter, zoals de cerebrale held vaststelt], dat in de wereld aan het werk is. Wallace begreep beter dan de meesten dat voor de seculieren onder ons kunst onze beste laatste hoop is om deze ervaring te ondergaan. (p.366-367)

En zo zijn we weer terug bij kunst, dit keer als vervanger van het gat van religie. Ik word, anders dan Smith, geen moment overtuigd door beelden als een priester die geknield bidt voor een afbeelding waarop hij zelf aan het bidden is, opgenomen in het verhaal ‘Een kerk die niet met handen gebouwd is’, waarvan Smith zo geïmponeerd is (“mijn meest geliefde geschenk”) dat ze “ervoor terugdeins[t] dit uit elkaar te halen zoals ik met de andere [verhalen] gedaan heb”. (p.367)

Integendeel, het is de plaag van Wallace, die zelfs het hippiemeisje met zo’n geestelijk Droste-effect op- zadelt terwijl ze zich liefdevol verenigt met haar verkrachter. Want zodra dit naar haar mening effect heeft, meent ze de pijn te zien die ze onbedoeld de man bezorgt (ik laat de complexe uitleg, meer van de cerebrale man dan van het hippiemeisje, achterwege). Dan raken we gevangen in het spiegeluniversum van Wallace:

so that the moment her compassionate focus comprehended not just his soul but the effect of the compassionate focus itself on that soul it all became divided and doubly complex, an element of self-consciousness had been introduced and now was itself an object of focus, like some sort of diffraction or regress of self-consciousness and conscipusness of self-consciousness. (p.265)

Dit is de op hol geslagen logicafanaat in Wallace, wiens consequenties trekken niet getemperd wordt door simpele levenservaring. Zijn aansluitende zinnetje “She didn’t talk about this division or regress in any but emotional terms” vind ik nietszeggend, als in “Hij huilde erg om zijn niet sluitend krijgen van zijn wiskundig bewijs”.

In ‘Two paths for the novel’ heeft Smith het ook over ‘epifanie’, daarnaast over ‘transcendentie’ en zelfkennis (via het begrip ‘authenticiteit’). De voorbeelden van epifanie in het essay zijn flets. Dat kan liggen aan de literaire kwaliteiten van de auteurs of aan het ontbreken van openbaringen in de romans in kwestie, en dat laatste als toevalligheid of opzet.

Smith zet twee romans tegen elkaar af. Een staat model voor een door Smith gevoelde literaire impasse, de ander voor een mogelijke uitweg daaruit. Maar uit beide romans spreekt gering vertrouwen in de mogelijkheid van epifanieën, hoewel Smith dat niet lijkt te beseffen.

In Netherland van Joseph O’Neill, de door Smith gesmade roman, gaat het minder om epifanieën dan om dagdromen: die van een gevuld cricketstation waarin, even voor aanvang van de wedstrijd, een grandioze sfeer heerst; die van de besteding van een miljoen aan het opsnuiven van coke van het lijf van een stripper. Smith noemt ze MacGuffin-epifanieën.

Voorbeelden in de religieuze/transcendente sfeer ontbreken in Netherland. Smith meent echter dat O’Neill het personage toch lijkt te laten geloven in de volgende. Hierin zit hoofdpersoon Hans, herenigd met vrouw en zoon na een tijdelijke scheiding, hoog in de London Eye en dreigt het bijzonder te worden:

Een vanzelfsprekend, geprefabriceerd symbolisme hecht zich aan deze trage klimpartij naar het hoogtepunt, en wij zijn niet zo dwaas-ironisch of zo zeker van onszelf om de kans te missen een betekenisvolle blik te werpen in de ogen van de ander en deel te hebben aan de gedachte die ons op die hoogte allemaal invalt, namelijk – vanzelfsprekend – dat ze het zo ver hebben gebracht, tot op een punt vanwaar ze vroeger onzichtbare horizonten kunnen waarnemen, en de oudere aarde zichzelf opnieuw onthult.

Wie dit leest, ziet dat het wonder van de epifanie zich niet zal gaan voltrekken, niet heeft voltrokken. De omgeving en het moment in het leven van het gezin lenen zich ervoor, zoals de hoofdpersoon beseft, maar nee. Uit de tekst spreekt een vermoeide of berooide ironie.

Netherland is mikpunt van een literaire kritiek met ook filosofische inhouden. Voor Smith vertegenwoordigt de roman een stroming die erg dominant geworden is en waarvan de mogelijkheden inmiddels bijna volledig zijn uitgeput, het ‘lyrisch realisme’. Het lyrisch realisme heeft bepaalde hedendaagse filosofische inzichten niet verwerkt. Wie lyrisch-realistisch schrijft, schrijft vanuit onjuiste aannames. De literaire conventies van de stroming dragen daarvan de sporen. De toekomst ligt bij romans die voortborduren op de door de nouveaux realistes en metafictieschrijvers geuite bezwaren op deze romansoort.

Vernuftig wijst Smith op plekken in Netherland waarin de auteur zelf lijkt te twijfelen aan de zeggingskracht van zijn literaire vormen en conventies. Mogelijk is die twijfel dan ook door de auteur beoogd… Wat betreft de epifanie: Smith hekelt hoe die opgeroepen wordt, in één lange, ademloze, aaneengesloten zin. Dat is nogal gebruikelijk.

Als laat voorbeeld van lyrisch realisme zou Netherland delen in de volgende onjuiste filosofische aannames:

  • een ‘ik’ dat door de tijd heen bestaat (‘continu’ is) en ‘vol’ is
  • vertrouwen in de mogelijkheden van en met taal die volheid tot uitdrukking te brengen.

Deze argumenten sluiten niet de mogelijkheid uit van een epifanie als een zich doorzettend moment van zelfkennis. Voor het overige: Smith schijnt te weten dat het ‘ik’ niet continu en vol is, wat dat ook betekenen mag. Voor zover gebaseerd op eigen ervaringen, en niet slechts de lectuur van door Franse hedendaagse filosofie geïnformeerde teksten, zijn haar inzichten zijn te beschouwen als een vorm van zelfkennis.

Zelfkennis is in ‘Two paths for the novel’ vaak onderwerp, aan het zicht onttrokken door de polemische teneur (Dat wat overblijft, de naar voren geschoven roman die hoop voor de toekomst symboliseert, is een ‘constructieve deconstructie’ van het lyrisch realisme, met een ‘niets ontziende uitsluiting van psychologie’).

Dat klinkt polemisch en dat is het ook. Een onderdeel van het lyrisch realisme, volgens Smith, is (over)benadrukking van gevoel. Dus heeft het hoofdpersonage van Dat wat overblijft geen innerlijkheid. Hij heeft ‘tintelingen’ in plaats van gevoelens (hij heeft een raar ongeluk gehad, vandaar) en oordeelt dingen ‘neutraal’ . Als pesterij kan Smith dit waarderen:

Aan ieder detail wordt gedacht, behalve dan dat ene waarvan wij zijn gaan denken dat het het enige is wat in een roman van belang is: hoe het voelt (p.111).

De vermeende nadruk op gevoel kun je opvatten als uitwerking van de vermeende aannames van het lyrisch realisme: er valt een innerlijk uit te drukken (gevoelens van het volle, continue ik) en dat is ook mogelijk (vermogen taal).

Smith verwijt de auteur of de personages van Netherland, in een lapidair academisch betoog (‘identiteitspolitiek’), een obsessie met authenticiteit. Maar haar kritiek op de verbeelding van authenticiteit is ook buiten-literair:

Zelfs de minitrauma’s van een burgermansleven krijgen die hoge lyrische behandeling, in iets wat op zijn best het gevoel geeft van een grimmige satire op de enorme stompzinnigheid van het eenentwintigse-eeuwse burgerbestaan. (p.101-102)

Zelfs nadert Smith op een bepaald moment de existentiële opvatting van zelfkennis, wanneer ze Netherland citeert:

‘Mensen willen een verhaal,’ zei ze [randpersonage dat als broodwinning fotoalbums samenstelt]. ‘Ze zijn dol op een verhaal’. (..)
‘Een verhaal,’ zei ik opeens. ‘Ja, dat is wat ik nodig heb.’
Ik maakte geen grapje. (p.104)

Opmerkelijk genoeg verwijt Smith ook haar hoop voor de toekomst, Dat wat overblijft, inauthenticiteit:

Dat wat overblijft “eist dat ‘alle authenticiteitscultussen moeten worden afgeschaft’. Maar vertelt niet wat er moet gebeuren met de authenticiteitscultus van de avant-garde. (p.120)

De hoofdpersoon van Dat wat overblijft heeft op het eind van de roman steeds grotere lust in de destijds in avant-gardekringen geliefde authenticiteit van de grensoverschrijding.

Ook anderszins is ‘authenticiteit’ thema is in Dat wat overblijft:

  • Het hoofdpersonage ziet overal om zich heen onecht gedrag, door hem negatief beoordeeld.
  • In wat lijkt op een intellectueel spel zoals in Diderot’s De neef van Rameau geeft het hoofdpersonage de voorkeur aan perfect acteerwerk, dat ‘tintelt’ pas echt. Geholpen door de miljoenen op zijn bankrekening, altijd handig om het leven van je af te houden, stort hij zich op het ‘heropvoeren’ van bepaalde alledaagse scènes uit zijn leven, sommige kort tevoren door hem waargenomen/’ervaren’.

Zoals Maarten Doorman ongetwijfeld opmerken zou: in haar kritiek op inauthenticiteit in Netherland en Dat wat overblijft appelleert Smith aan de waarde die ze ontmaskeren wil.

Om het erger te maken: zelfs de literaire kritiek op het lyrisch realisme blijkt soms van toepassing op Dat wat overblijft – of Smith zelf. In een weidse verwijzing naar de kritiek van Robbe-Grillet en de metafictieschrijvers spreekt Smith nog eens de banvloek uit over metafoor, gelijkenis en bijvoeglijk naamwoord. Die zouden geen licht op zaken werpen maar verhullen.

Maar Smith zelf vergelijkt de London Eye-ervaring in Netherland met een ‘mandala’. En ook Dat wat overblijft bedient zich, in een van de weinige “expressionistische” (term van Smith) scènes, van adjectieven. In die scène verkoopt het hoofdpersonage de forensische procedure als kunst. Als voorbeeld noemt hij een diagram van een plaats delict:

Dat zijn verslagen van wreedheden. Iedere lijn, iedere figuur, iedere hoek – zelfs de inkt trilt met een bijna onverdraaglijke gewelddadigheid, donker krijsend vanuit het zwijgen van het witte papier (p.121)

‘Two paths for the novel’ wordt ingelijst door een gedicht van Szymborska, dat Smith Heideggeriaans uitlegt. Zelfkennis wordt verworven vanuit een hedendaags besef van beperking, van religieuze teleur- stelling en afgedwongen bescheidenheid over de mogelijkheden van ons kenvermogen; God is dood en we weten weinig tot niets.

Zelfkennis, als naar de toekomst gericht ontwerp, daarmee altijd iets van hoop in zich dragend (je stapt er niet uit) lijkt inherent leugenachtig, in de zin van opbeurend. In de door Smith gesmade roman Netherland betekenen een relatie in crisis en 9/11 “de aanslag van futiliteit op het menselijk bewustzijn”, waartegen een verdediging: “de verdediging tegen hetzelfde: betekenis” (p.93).

Maar is zelfkennis of, ruimer, ‘betekenis’ die afweer is nog kennis? Alleen in de mate dat de leugen naar de waarheid verwijst.

Misschien is dit grübeln voorbehouden aan de Dood, het enige onverteerbare feit, dat slechts via zinspe- lingen door de mens te erkennen zou zijn. De dood is dan het superfeit, dat het zelfbewustzijn constitu- eert, in een Oorspronkelijke Ontkenning. Waar een ‘zelf’ is, wordt de dood geweerd. O ja? Een beetje Bloem overtuigt reeds dat stilstaan bij eindigheid klassiek poëziethema is. Smith verwart ‘zin’ (‘futility’) en ‘betekenis’. De wereld zit vol informatie maar de zin van het geheel kan blijven ontsnappen. En dat de individuele existentie geen objectieve zin heeft, is inmiddels open deur van het existentialisme.

Smith’s positie in deze kwesties blijft ongrijpbaar. Ze speelt twee literatuuropvattingen, twee romans, tegen elkaar uit en kiest weliswaar partij voor de ene, maar niet zonder voorbehoud.

Als negatief van haar kritiek op een van de twee romans zouden Smith’s eigen opvattingen of aannames over zelfkennis en het proces van tot inzicht komen moeten oplichten. Maar dat gebeurt niet. Smith lijkt beïnvloed door de Franse psychoanalyse en moderne filosofie in het voetspoor van Heidegger maar de relatie daarvan met zelfkennis in haar romans blijft onduidelijk. Het essay is in zeer bescheiden mate zelfkritisch. Door de hoge abstractiegraad is het lastig een relatie te leggen tussen beweringen in het essay en het geworstel van personages Leah en Natalie in NW.

De hoofdpersoon van de in ‘Two paths’ gehekelde roman Netherland, Hans, verkeert in een positie ver- gelijkbaar met die van Natalie in NW. Voor zijn werk met zijn gezin van Londen naar New York verhuisd, raakt hij in een echtscheiding, vrouw en kind keren terug naar Londen: “Mijn gezin, de ruggengraat van mijn dagen, was in elkaar gestort”.

Misschien kun je voor ‘lyrisch realisme’ ook ‘humanistisch realisme’ invullen. Het gaat om de troost van schoonheid, het ‘sadder but wiser’-gevoel in een hedendaagse jas, verwant aan het type schoonheid waarop Bas Heijne doelde toen hij de film American Beauty prees.

In die film ervaart een jongeman, die het niet makkelijk heeft met zijn conservatieve en door de Vietnamoorlog getraumatiseerde vader die ook nog een geheim met zich meedraagt, schoonheid bij de aanblik van een opwaaiende plastic zak en het bebloed gezicht van een zojuist doodgeschoten man.

Dit laatste is het punt waarop velen, waaronder Heijne, afhaken. In de negentiende eeuw verwachtten/ eisten lezers dat personages op het eind van de roman worden gecompenseerd voor ondergaan lijden, stelt Smith – maar het lijk van een zojuist vermoorde als compenserende schoonheidsbeleving is problematisch (al laat de film betrokkene esthetisch en verzoend sterven).

Smith’s moeite met Hans is dat hij moeiteloos adjectiefrijk verwoorde esthetische ervaringen heeft, met de zweem van hogere of minstens authentieke inzichten. Zij geeft overtuigende voorbeelden van hoe de woordenvloed eerder het zicht op de werkelijkheid ontneemt – en hier verschuift de kritiek op psycho- logische en filosofische aannames naar een op de literaire middelen van de romanschrijver.

Nooit wordt in het essay echter duidelijk wat de gehekelde aanname van het continu en essentieel volle ik nu eigenlijk precies behelst. Andere bewoordingen zijn een ‘ik’ dat “dun als een witte draad door jaren en nog eens jaren loopt” (dit lijkt een citaat uit Netherland te zijn), een volheid als een “bodemloze put“, beeld dat bij mij het tegendeel oproept. De “rijkdom van de menselijke persoonlijkheid“, een later aangehaalde Zizek, past mijns inziens dan weer be- ter. Ikzelf denk bij bodemloosheid eerder aan de lyrische Nietzsche:

Zoete lier! Zoete lier! Ik heb jouw toon lief, jouw dronken worken-toon! – van hoe lang her, van hoe ver weg komt tot mij jouw toon, van verre, van de vijvers der liefde! (..) Heimelijk welt een geur op, – een vleug en geur van eeuwigheid, een rozenzalige bruine gouden wijngeur van oud geluk, – van dron- ken middernachtelijk stervensgeluk, dat zingt: de wereld is diep, en dieper dan de dag zich dacht!” (‘Het nachtwandelaarslied’, in Aldus sprak Zarathustra).

De metaforen spreken niet. Smith lijkt niet meer te doen dan te zinspelen op de filosofie van Heidegger en de psychoanalyse van Lacan, waar de ‘invoeging in de taal’ van de zeer jonge mens gepaard gaat met een niet op te heffen splijting. Mocht ik gelijk hebben, zou dit een treurige vaststelling zijn.

Onopgeloste vraag is hoe Smith deze filosofische inzichten rijmt met Natalie’s moeizaam en haast licha- melijk tot inzichten komen over zichzelf. Natalie heeft, in psychotaal, waarvan de roman zich echter ook bedient, een ‘vals zelf’ en lijdt daar onder. Apotheose van de roman – ik heb het moment boven aange- haald – is de winst van een klein beetje echt aanvoelend ‘zelf’. Hier lijkt het me verstandig intellectuele vertogen en psychologische te scheiden.

Smith ontkent beïnvloeding van NW door ‘Two paths for the novel’. Het schrijven heeft zijn eigen logica (“I have no idea what I’m doing when I write a novel”): “The critic in me and the writer in me are two different people. The critic writes of what she would ideally like to read; the writer only writes what she can“. Afgezien van het non-argument van zichzelf ‘twee personen’ verklaren, lijkt het me vreemd dat een schrijver niet beïnvloed zou worden door wat hij of zij leest.

Op oppervlakteniveau voldoet NW aan de negatieve eisen van het essay:

  • Natalie, Leah noch Felix hebben coherente, lyrische jeugdherinneringen. Nathan heeft een ambiva- lente verhouding tot zijn jeugdjaren, ‘onteigent’ ze soms (“I’ve burnt that whole business out of my brain”, p.276).
  • Natalie zoekt soms chaos (ze wil niet ‘betekenis’, ze is ‘pervers’)
  • NW is sober met bijvoeglijke naamwoorden. Gevoelens, voor zover ze voorkomen in de roman, heb- ben het karakter van secreties, uitscheidingen. Geen der personages heeft of strooit met inzichten op aforismeformaat. Alleen Felix en meer nog Annie (ex-vriendin van Felix) heeft veel ‘verbaal bewust- zijn’, gemakkelijk toegang tot inzichten.

Moeilijker te beantwoorden is de vraag “Zoeken ‘ikken’ uiteindelijk toch altijd wat goed voor ze is?”. De roman toont beide mogelijkheden. Natalie’s lijden is mijns inziens voor een deel een roepen om ‘wat goed voor haar is’. Iets in haar is ontevreden met hoe ze leeft. Maar tot de andere mogelijkheid voelt Natalie zich ook aangetrokken: toegeven aan de impuls tot chaos. Antwoord van NW op deze vraag in het essay lijkt me daarom: niet vanzelfsprekend en niet automatisch. Maar de “knowledge as a sublime sort of gift”, als Natalie Spike in haar armen heeft (zie hier), heeft toch alle trekken van een epifanie – in de bekende humanistische literaire traditie, die ‘dirty realisten’ als Carver insluit.

Ik stelde Smith 15 november 2012 een vraag over het komen tot zelfkennis van Natalie, tijdens een twitter-interview met lezers. Smith beëindigde haar account snel na afloop, waardoor haar antwoord verdween, maar een medetwitteraar had het min of meer al geretweet.

Smith6
Smith-1

Kate Summerscale – De geheime liefde van Mrs. Robinson

Hoe we samen de andere kant op kijken.

“The film is associated with an urban legend well known in the world of cinema. The story goes that when the film was first shown, the audience was so overwhelmed by the moving image of a life-sized train co- ming directly at them that people screamed and ran to the back of the room” – Wikipedia, L’Arrivée d’un train en gare de La Ciotat

“Er reed een trein. Hij naderde. (..) Ik wilde een stap terug doen zoals je dat onwillekeurig doet wanneer op je perron een intercity langs komt razen, liet nog tot me doordringen dat dat onzinnig was, dat het niet kon en ook niet hoefde, dat ik in een kamer op een stoel zat en dat er dus helemaal geen trein was, maar de trein reed door, recht op me af, en het gedreun werd een gebrul dat alles om zich heen verscheurde” – Hans Goedkoop, ‘Ik leg mijn pen neer en…’, in Een verhaal dat het leven moet veranderen, p.278

“We vinden in de mens twee aandriften, een verlangen te zijn, maar daarnaast ook een verlangen naar zin, dat daar soms haaks op staat. Het streven naar zin kan ontaarden in een hang naar orde, in het ver- langen een boek te zijn. Don Quichot is voor die verleiding bezweken en Emma Bovary” – Theo de Boer, Pleidooi voor interpretatie, p.100 Lees verder

Arnon Grunberg – De man zonder ziekte

Hoe boosheid een schrijver in de weg kan zitten.

De kunstenaar, hier in de gedaante van de schrijvende psychiater, is niet langer een schepper, die zijn publiek opnieuw leert zien. Zijn scheppingskracht staat geheel in het teken van zijn solipsisme“.

Bas Heijne, Echt zien, p.78

“Leo’s woede bedaarde, en maakte plaats voor een wanhoop die hij niet begreep. (..) Hij begon zich te realiseren – met een leegte die hem met zes handen aangreep – (..)”.

Bernard Malamud, De verhalen, ‘Salzman, de huwelijksmakelaar’, p.129

“Passiviteit is soms een groter raadsel dan moord” / “Laat uw boek toch niet het equivalent zijn van een op te lossen cryptogram”.

Uiteindelijk wegen de verwachtingen van de schrijver het zwaarst. (..) Zo verwacht ik van literatuur dat zij over enigszins zieke mensen gaat (..). Waarom? Daar heb ik geen argumenten voor. Dat is persoon- lijk”.

Arnon Grunberg, De troost van de slapstick, p.36, p.78, p.114-115

Een uitgewerkte Twitlit-recensie

Uitwerking van mijn tweets op #Twitlit, een experiment van de NRC/Bas Heijne met een leesclub via Twitter. Lees verder